Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/693678 / KG ZA 25-1050
Vonnis in kort geding van 20 november 2025
in de zaak van
1. [partij A sub 1] en
2. [partij A sub 2], beiden te [woonplaats]
in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon [minderjarige],
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. M. Kumar,
tegen:
[partij B] te [plaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. I.W. van Osch.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de ouders’ en ‘ [partij B] ’. De minderjarige [minderjarige] wordt hierna ‘ [minderjarige] ’ genoemd.
1. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 29 oktober 2025, met producties 0 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 17.
De mondelinge behandeling is gehouden op 6 november 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de ouders het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.
Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
[partij B] is een vereniging voor zwem- en onderwatersport, die zich onder meer bezighoudt met het aanbieden van wedstrijdzwemtraining.
[minderjarige] heeft als lid van de vereniging [partij B] in de seizoenen 2023/2024 en 2024/2025 deelgenomen aan het zogenoemde Elite programma van [partij B] , waarbij hij gedurende meerdere dagen per week trainingen volgde en aan wedstrijden deelnam. Als lid van de vereniging is [minderjarige] een maandelijks vooruit te betalen bedrag aan contributie verschuldigd.
In verband met een ontstane achterstand in de betaling van de contributie voor het lidmaatschap van [minderjarige] hebben partijen afspraken gemaakt over de betaling van de (achterstallige) contributie. Nadat de betalingsachterstand verder was opgelopen heeft [partij B] bij brief van 13 oktober 2024 aangekondigd dat het lidmaatschap van [minderjarige] zal worden beëindigd als de verschuldigde contributie niet voor 1 december 2024 is ontvangen. Vervolgens heeft [partij B] bij brief van 11 december 2024 aan de ouders meegedeeld dat er van de verschuldigde contributie over 2024 nog een bedrag van € 175,-- openstond en dat ook de contributie voor december 2025 ad € 112,50 nog niet was voldaan, zodat [minderjarige] met ingang van 1 januari 2025 zal worden uitgeschreven als lid van [partij B] (hierna ‘het besluit’). Vervolgens heeft [partij B] op 31 januari 2025 schriftelijk aan de ouders laten weten dat [minderjarige] met ingang van 1 februari 2025 niet meer mag deelnemen aan de trainingen.
Omdat de ouders zich niet konden vinden in het besluit hebben zij een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt en (samengevat) gevorderd [partij B] te veroordelen tot schorsing van het besluit en tot het zonder beperkingen toelaten van [minderjarige] als lid van [partij B] , zodat hij zijn zwemactiviteiten volledig kan hervatten. In die procedure heeft [partij B] in reconventie onder meer gevorderd de ouders te veroordelen tot betaling van de openstaande contributie.
Bij vonnis van 30 mei 2025 (hierna ‘het vonnis’) heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de ouders als volgt toegewezen:
De voorzieningenrechter heeft onder meer overwogen dat vast staat dat de achterstand in de betaling van de contributie van [minderjarige] op het moment dat het besluit werd genomen € 175,-- bedroeg en dat die achterstand te gering is om het besluit te rechtvaardigen. Verder heeft de voorzieningenrechter overwogen:
De reconventionele vordering is in het vonnis afgewezen omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter onduidelijkheid bestond over de (hoogte van de) betalingsachterstand. Daarbij heeft de voorzieningenrechter onder meer meegewogen dat [partij B] weliswaar heeft betwist dat zij op 28 december 2024 een betaling via Revolut van de ouders heeft ontvangen, maar dat zij heeft nagelaten om nader onderzoek naar die betaling te doen.
Op 2 juni 2025 is [minderjarige] bij de zwemtraining bij [partij B] verschenen. Omdat de contributie voor [minderjarige] op dat moment nog niet was betaald, is hij weggestuurd door [partij B] .
De advocaat van [partij B] stuurde de advocaat van de ouders op 2 juni 2025 een bericht waarin onder meer staat:
“Zoals ook reeds ter zitting aangegeven, zal cliënte de Voorzieningenrechter volgen in haar beslissing. Dat houdt in dat [minderjarige] uiterlijk op 12 juni 2025 zal worden toegelaten tot zwemtrainingen, onder de voorwaarde dat uiterlijk op 10 juni 2025 de volledige contributieachterstand aan cliënte is betaald (conform r.o. 5.1 en 4.10 van het kort geding vonnis). De betalingsachterstand beloopt per heden € 426,28, te weten de achterstand t/m januari 2025 € 310,78 en de contributie juni 2025 ad € 115,50. Daarna dient uw cliënt met ingang van 1 juli 2025 maandelijks, steeds uiterlijk op de laatste dag van de voorafgaande maand, de contributie aan cliënte te voldoen, aldus voor het eerst uiterlijk op 30 juni 2025.
Voor de goede orde bericht ik u namens cliënte dat indien enige betaling niet tijdig op de bankrekening van cliënte is bijgeschreven, de voorwaarde voor de schorsing van het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [minderjarige] vervalt. In dat geval eindigt het lidmaatschap van [minderjarige] direct.
Onder voorwaarde van bovenstaande, wil ik u namens cliënte laten weten dat [minderjarige] voor zijn trainingen nu is ingedeeld in het Performance programma van de Train-to-Train groep. In deze groep kan hij weer werken aan zijn conditie en de opbouw van zijn zwemvaardigheden. Voor de trainingstijden wordt verwezen naar de website. Voor volgend seizoen kan [minderjarige] – mits wordt voldaan aan de voorwaarden hiervoor – zich weer aanmelden voor het Elite-programma.
Verder heb ik van cliënte begrepen dat de communicatie tussen partijen opnieuw ontspoort (…). Het bezoek van uw cliënten vanmiddag aan het zwembad om toegang tot de training te verkrijgen zonder dat aan voornoemde voorwaarde is voldaan, drijft de verhoudingen onnodig verder op het spits. Namens cliënte verzoek ik u dringend uw cliënten te bewegen de toonzetting in hun correspondentie te matigen, dan wel als dit niet lukt, de communicatie uitsluitend via u en mij te laten verlopen.”
Later op 2 juni 2025 is een bedrag van € 115,50 aan [partij B] betaald onder vermelding van ‘Contributie [minderjarige] van Duivendijk juni 2025’.
De advocaat van de ouders berichtte op 4 juni 2025 de advocaat van [partij B] als volgt:
“Wat betreft de genoemde achterstallige contributie, merk ik graag op dat het vonnis van de Voorzieningenrechter uitdrukkelijk vermeldt dat enkel de contributie voor de maand juni 2025 betaald dient te worden op uiterlijk 10 juni 2025. De betaling van de betwiste contributie ad € 310,78 is derhalve niet als voorwaarde door de Voorzieningenrechter gesteld.
Cliënten hebben kennisgenomen van het eerder door u verstrekte bankafschrift, waaruit zou blijken dat enige Revolut-betaling ontbreekt en hebben aangegeven nader bij Revolut te zullen onderzoeken wat er met de betreffende overschrijving is gebeurd. Echter, hier is vanzelfsprekend enige tijd voor nodig. Gezien het vonnis ook uitdrukkelijk enkel de contributie voor de maand juni 2025 koppelt aan de termijn van 10 juni 2025, gaan cliënten ervanuit dat zij in alle redelijkheid de tijd krijgen om dit onderzoek te kunnen uitvoeren. Mocht blijken dat er inderdaad iets is misgegaan met de betreffende betaling, dan zullen cliënten het bedrag ad € 310,78 aan [partij B] voldoen.
Voorts merk ik graag op dat cliënten het ten zeerste betreuren dat [partij B] is overgegaan tot het indelen van [minderjarige] in het Performance programma van de Train-to-Train groep. De Voorzieningenrechter heeft nadrukkelijk bepaald dat het lidmaatschap van [minderjarige] volledig dient te worden hervat. Hierom is er wat cliënten betreft geen aanleiding om [minderjarige] uit de Elite-groep te verwijderen. Mocht gedurende de resterende duur van dit seizoen blijken dat [minderjarige] onverhoopt achterblijft bij zijn Elite-groepsgenoten, dan zou een dergelijk besluit mogelijk aan de orde kunnen komen. Hierom gaan cliënten ervan uit dat [minderjarige] voor nu gewoon deel kan blijven nemen aan de Elite-groep. Cliënten verwachten bovendien vanzelfsprekend dat [minderjarige] op eerlijke en objectieve wijze zal worden beoordeeld voor het Elite-programma voor volgend seizoen.
Aangezien de contributie voor de maand juni 2025 op maandagavond, 2 juni 2025, volledig is voldaan, zal [minderjarige] vandaag – conform het vonnis van de Voorzieningenrechter – aanwezig zijn bij [partij B] teneinde deel te kunnen nemen aan zijn zwemtraining.”
In een e-mailbericht van 6 juni 2025 aan de advocaat van de ouders heeft de advocaat van [partij B] (samengevat en voor zover hier van belang) herhaald dat [partij B] gevolg zal geven aan het vonnis, waarbij [minderjarige] zal worden ingedeeld in het Performance programma, dat de voorzieningenrechter in 4.10 van het vonnis uitdrukkelijk heeft bepaald dat de volledige achterstand moet worden betaald en dat nog altijd sprake is van een betalingsachterstand zodat [partij B] opnieuw zal afwegen of een opzegging van het lidmaatschap van [minderjarige] gerechtvaardigd is.
De ouders hebben in een brief van 13 juni 2025 aan de advocaat van [partij B] laten weten dat de contributie voor juni 2025 op 2 juni 2025 is voldaan, dat [minderjarige] daarom vanaf uiterlijk 4 juni 2025 weer bij [partij B] had moeten kunnen zwemmen en dat [partij B] ten onrechte weigert om aan het vonnis te voldoen.
Bij brief van 17 juni 2025 heeft de advocaat van [partij B] voor zover hier van belang (opnieuw) aan de ouders meegedeeld dat [partij B] gevolg zal geven aan het vonnis, dat [minderjarige] zal worden ingedeeld in het Performance programma en dat er nog altijd sprake is van een betalingsachterstand in de voor het lidmaatschap van [minderjarige] verschuldigde contributie. Verder is namens [partij B] aangekondigd dat mede vanwege de voortdurende betalingsachterstand een bodemprocedure zal worden gestart ter beëindiging van het lidmaatschap van [minderjarige] . Ten slotte is het lidmaatschap van [minderjarige] in die brief opgezegd tegen 1 augustus 2025, waarbij is meegedeeld dat een hernieuwde aanvraag voor lidmaatschap van [minderjarige] niet door [partij B] zal worden geaccepteerd.
Op 29 juni 2025 en op 30 augustus 2025 is een bedrag van € 115,50 aan [partij B] betaald, onder vermelding van respectievelijk ‘Contributie [minderjarige] van Duivendijk juli 2025’ en ‘Contributie [minderjarige] van Duivendijk augustus 2025’.
De advocaat van de ouders heeft in een brief van 26 september 2025 aan de advocaat van [partij B] laten weten dat de ouders aan de in het vonnis gestelde voorwaarden hebben voldaan en dat [partij B] ten onrechte weigert om [minderjarige] toe te laten als lid van [partij B] en om hem zijn zwemactiviteiten te laten hervatten. Daarbij is [partij B] gesommeerd om aan het vonnis te voldoen. In reactie hierop heeft de advocaat van [partij B] in een brief van 3 oktober 2025 aan de advocaat van de ouders meegedeeld dat en toegelicht waarom het lidmaatschap van [minderjarige] per 1 augustus 2025 is beëindigd.
3. Het geschil
in conventie
De ouders vorderen – zakelijk weergegeven – (I) [partij B] te bevelen om volledig en onverwijld uitvoering te geven aan de veroordeling in het vonnis, op straffe van een dwangsom, (II) te bepalen dat de aan [partij B] betaalde contributie sinds juni 2025 dient te gelden als een voorschot op de verschuldigde contributie voor de maanden dat [minderjarige] feitelijk wordt toegelaten als lid van de vereniging en (III) [partij B] te veroordelen in de integrale proceskosten ad € 7.260,--, althans de kosten van het geding, en de nakosten.
Daartoe stellen de ouders – samengevat – het volgende. De ouders hebben volledig voldaan aan de in het vonnis gestelde voorwaarden voor schorsing van het besluit. De verschuldigde contributie is tijdig betaald en omdat het Jeugd Sport- en Cultuurfonds heeft toegezegd om een bedrag van € 500,-- ten behoeve van [minderjarige] ter beschikking te stellen, is de contributie zelfs gedeeltelijk vooruit betaald. [partij B] weigert [minderjarige] toe te laten tot de trainingen en de wedstrijden omdat volgens [partij B] eerst de volledige betalingsachterstand moet zijn voldaan, maar die verplichting vloeit niet voort uit het vonnis. Verder heeft [partij B] meegedeeld dat [minderjarige] niet kan terugkeren in het Elite programma en ook dat is in strijd met het vonnis, waarin is bepaald dat [minderjarige] zijn zwemactiviteiten volledig moet kunnen hervatten. Nu [partij B] willens en wetens weigert om uitvoering te geven aan het vonnis, heeft zij de ouders gedwongen om een nieuwe kortgedingprocedure aanhangig te maken. Daarbij past een veroordeling in de reële proceskostenveroordeling vanwege misbruik van procesrecht.
De conclusie van [partij B] strekt tot afwijzing van de vorderingen van Van Duivendijk. Haar verweer zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.
in reconventie
[partij B] vordert – zakelijk weergegeven – de ouders te veroordelen in de werkelijke kosten van het geding ad € 4.180,65, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, dan wel in de proceskosten overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
Daartoe stelt [partij B] – samengevat – dat deze kortgedingprocedure nodeloos en tegen beter weten in aanhangig gemaakt.
4. De beoordeling van het geschil
in conventie
In conventie ligt ter beoordeling voor of [partij B] [minderjarige] (al dan niet terecht) weigert toe te laten tot de traingen. Daarbij zijn partijen het er niet over eens of het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [minderjarige] op grond van het vonnis reeds was geschorst door betaling van de contributie voor juni 2025, of dat ook de betalingsachterstand voor contributie over een eerdere periode daarvoor moest zijn voldaan. De voorzieningenrechter laat dat in dit kort geding in het midden, omdat ook als de ouders in hun uitleg van het vonnis worden gevolgd en [minderjarige] weer moest worden toegelaten tot de trainingen in juni, de vordering van de ouders moet worden afgewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Vast staat dat de contributie voor de maand juni 2025 op 2 juni 2025 is voldaan. Uitgaande van de door de ouders voorgestane uitleg van het vonnis, was daarmee voldaan aan de voorwaarde waaronder [minderjarige] moest worden toegelaten tot de trainingen bij [partij B] . Uit de door de ouders overgelegde stukken en wat zij hebben aangevoerd volgt echter niet dat [partij B] dat heeft geweigerd. [minderjarige] is op 2 juni 2025 weggestuurd, maar op dat moment was de contributie voor die maand nog niet betaald; dat gebeurde later die dag. [minderjarige] is nadien, nadat contributie voor juni – en vervolgens voor juli – was betaald, niet meer naar de trainingen toegegaan. Waarom [minderjarige] na de betaling niet naar de trainingen is gegaan is door de ouders niet toegelicht. Voor zover zij zich op het standpunt stellen dat reeds op grond van de berichten van [partij B] duidelijk was dat zij [minderjarige] zou weigeren zolang de achterstand niet was voldaan, volgt de voorzieningenrechter hen daarin niet. Namens de ouders is immers – in reactie op het bericht van [partij B] van 2 juni 2025 – meegedeeld dat de contributie voor juni is betaald en dat [minderjarige] daarom op 4 juni 2025 bij [partij B] zal verschijnen om deel te nemen aan de zwemtraining. Uit dat bericht blijkt dat de ouders het niet eens waren met het (in haar bericht van 2 juni 2025 opgenomen) standpunt van [partij B] dat ook de achterstallige contributie moest worden betaald, en dat zij daarin geen aanleiding zagen om [minderjarige] nog niet naar de training toe te laten gaan en/of om aan te nemen dat hij niet zou worden toegelaten. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [partij B] ook benadrukt dat [minderjarige] ondanks haar standpunt over de betalingsachterstand, niet zou zijn geweigerd als hij na de betaling in juni naar de trainingen was gekomen. Dat is door de ouders niet weersproken.
Daar komt nog bij dat [partij B] terecht naar voren heeft gebracht dat in elk geval sinds augustus 2025 geen contributie voor [minderjarige] is betaald. Volgens de ouders is dat aan [partij B] zelf te wijten omdat de contributie vanaf dat moment betaald zou worden via het Jeugd Sport- en Cultuurfonds. [partij B] heeft daartegen ingebracht dat zij geen facturen aan dit fonds heeft gestuurd omdat [minderjarige] sinds februari 2025 niet meer bij [partij B] heeft gezwommen. Dat [partij B] in de gegeven omstandigheden facturen aan het fonds had moeten sturen hebben de ouders niet voldoende nader toegelicht en onderbouwd.Ten slotte is door de ouders onvoldoende weersproken dat [partij B] het lidmaatschap van [minderjarige] – voor zover dat zou zijn herleefd – per 1 augustus 2025 (opnieuw) heeft beëindigd en dat het Elite programma dit seizoen niet (meer) bestaat.
De slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van de ouders worden afgewezen.
De ouders worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [partij B] in reconventie heeft gevorderd om de ouders te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten, zal bij de beoordeling van de reconventionele vordering worden ingegaan op de proceskosten in conventie
in reconventie
Onder verwijzing naar de overwegingen en de beslissing in conventie is de voorzieningenrechter van oordeel dat de ouders deze kortgedingprocedure ten onrechte aanhangig hebben gemaakt. De ouders wisten immers, althans voor hen had duidelijk moeten zijn, dat de contributie voor [minderjarige] de afgelopen maanden niet steeds (tijdig) is betaald, dat [minderjarige] niet naar het zwembad is gegaan om te trainen en dat [partij B] het lidmaatschap van [minderjarige] (opnieuw) heeft beëindigd. De ouders hadden daarom op voorhand kunnen en moeten begrijpen dat de door hen ingestelde vorderingen geen kans van slagen hadden. Daar komt nog bij dat [partij B] onbetwist naar voren heeft gebracht dat de ouders hebben nagelaten om relevante correspondentie van [partij B] , met daarin haar standpunten en voorstellen voor een oplossing van het geschil, in het geding te brengen. De voorzieningenrechter ziet in een en ander grond om de ouders te veroordelen in de werkelijke proceskosten van [partij B] .
De door [partij B] opgevoerde kosten zijn niet gemotiveerd betwist en komen de voorzieningenrechter niet bovenmatig of onredelijk voor. Dit betekent dat de proceskosten (in conventie en in reconventie) aan de zijde van [partij B] worden begroot op:
- reële proceskosten
€
4.180,65
- nakosten
€ 278,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.458,65
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
wijst de vorderingen af;
in conventie en in reconventie
veroordeelt de ouders om de proceskosten van [partij B] van € 4.458,65 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de ouders niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten de ouders € 92,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt de ouders in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.
mvt