[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 5 april 2024 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2025.
Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
De zaak is gelijktijdig behandeld met het beroep van eiser inzake de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2021 en 2022 onder zaaknummers SGR 24/5255, SGR 24/5256, SGR 24/5260, SGR 24/5261 en SGR 24/5262.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser heeft over de jaren 2018 tot en met 2022 aangiften omzetbelasting gedaan. In geen van de aangiften is omzet aangegeven. De aangiften resulteren alle in teruggave.
2. Op 18 september 2023 is een boekenonderzoek gestart bij eiser. Het boekenonderzoek richt zich op de aanvaardbaarheid van de aangiften voor de omzetbelasting over 2018 tot en met 2022, alsmede van de aangiften voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).
Als uitkomst van het boekenonderzoek heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser omzetbelasting ten aftrek heeft opgevoerd die niet drukt op goederen en diensten die hij heeft gebruikt voor belaste handelingen. Het gaat hierbij in totaal om € 2.734. Daarvan heeft € 549 betrekking heeft op het jaar 2018, € 547 op het jaar 2019, € 545 op het jaar 2020, € 610 op het jaar 2021 en € 483 op het jaar 2022.
3. Met dagtekening 28 december 2023 heeft verweerder een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022 voor een te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 2.734 over het tijdvak. Gelijktijdig met de naffingsaanslag heeft hij een verzuimboete van € 273 opgelegd en een bedrag van € 348 aan belastingrente in rekening gebracht.
4. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.
5. Eiser stelt niet dat het nageheven bedrag op grond van de artikelen 2 en 15 van de Wet op de omzetbelasting als voordruk-BTW aftrekbaar is. Zijn standpunt dat dit bedrag niettemin in vooraftrek moet komen, berust op zijn beroep op het vertrouwensbeginsel.
6. Eiser voert aan dat de aangiftes in de omzetbelasting in voorgaande jaren/tijdvakken steeds zijn gevolgd, en dat hij circa 35 jaar geleden met verweerder afspraken heeft gemaakt omtrent de zakelijkheid van het gebruik van delen van de privé-woning. Eiser heeft niet gesteld wat die afspraken concreet inhielden en het bestaan ervan ook overigens niet aannemelijk gemaakt.
Het volgen van de aangiften schept niet als zodanig rechtens te beschermen vertrouwen. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist, waaraan eiser de indruk heeft mogen ontlenen dat de gedragslijn van de inspecteur berust op een welbewuste standpuntbepaling.
Afgezien van de door eiser gestelde, maar niet aannemelijk gemaakte afspraken heeft hij niet dergelijke omstandigheden naar voren gebracht.
Om de genoemde redenen faalt het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel.
7. Het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan vormt op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de AWR) een verzuim ter zake waarvan verweerder de belastingplichtige een boete kan. Met het niet betalen van belasting wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte een teruggave van belasting is verleend. Op grond van door verweerder gevoerd beleid is de boete gesteld op 10% van de verschuldigde belasting.
Voor het opleggen van de boete van artikel 67c van de AWR hoeft de inspecteur niet schuld zijdens de belastingplichtige te stellen en aannemelijk te maken, maar volstaat de enkele constatering dat de overtreding is begaan. Uit het karakter van punitieve sanctie vloeit evenwel voort dat de boete achterwege moet blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas). Het is aan de belastingplichtige, avas te stellen en aannemelijk te maken. Eiser heeft niet gesteld dat daarvan sprake en dat is ook overigens niet aannemelijk geworden.
8. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).