[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 2 april 2024 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem voor de jaren 2018, 2019 en 2020 opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de voor de jaren 2021 en 2022 opgelegde aanslagen IB/PVV.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2025.
Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
De zaken zijn gelijktijdig behandeld met het beroep van eiser inzake de omzetbelasting onder zaaknummer SGR 24/4706.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser heeft voor de jaren 2018 tot en met 2022 aangiften IB/PVV gedaan. Voor de jaren 2018 tot en met 2000 zijn primitieve aanslagen opgelegd op achtereenvolgens 26 november 2020, 19 november 2021 en 20 januari 2023.
2. Op 18 september 2023 heeft verweerder een boekenonderzoek bij eiser gestart, gericht op de aanvaardbaarheid van de aangiften 2018 tot en met 2022 voor de IB/PVV en voor de omzetbelasting. Van dit boekenonderzoek is op 25 oktober 2023 een controlerapport opgesteld en aan eiser verzonden.
Het controlerapport vermeldt dat eiser in zijn aangiften voor de jaren 2014 tot en met 2022 de navolgende verliezen uit onderneming heeft opgenomen (resultaten voor ondernemingsaftrek):
In het rapport van het boekenonderzoek is het belastbare inkomen uit werk en woning berekend op de volgende bedragen:
3. Met dagtekening 9 december 2023 heeft verweerder navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2018, 2019 en 2020 opgelegd overeenkomstig het in het controlerapport berekende inkomen. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.
Met dagtekening 12 december 2023 heeft verweerder de primitieve aanslag IB/PVV 2021 opgelegd overeenkomstig het in het controlerapport berekende inkomen. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.
Bij beschikking van 20 december 2023 heeft verweerder de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 verminderd, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente.
Met dagtekening 9 februari 2024 heeft verweerder de primitieve aanslag IB/PVV 2022 opgelegd overeenkomstig het in het controlerapport berekende inkomen. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.
4. Eiser heeft tegen de hiervoor genoemde aanslagen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij in één geschift van 2 april 2024 de bezwaren van eiser afgewezen.
5. In geschil is of verweerder terecht de door eiser als ondernemingsverlies opgevoerde bedragen heeft gecorrigeerd. Primair is daarbij in geschil of sprake is van een bron van inkomen en subsidiair of het vertrouwensbeginsel meebrengt dat de door eiser opgevoerde bedragen in aftrek moeten worden gelaten. Voorts stelt eiser dat verweerder bij het boekenonderzoek met vooringenomenheid gehandeld heeft.
6. Eiser heeft over zijn professionele achtergrond en over zijn activiteiten vanaf 2014 het navolgende verklaard.
Eiser is vanaf 1973 commercieel werkzaam geweest in de medische sector, aanvankelijk in dienstbetrekking, om in 1988 voor zichzelf is te beginnen als makelaar in gebruikte medische apparatuur. Deze onderneming heeft in hij 1990 geregistreerd onder de naam [bedrijfsnaam] . Vanaf enig moment liep de onderneming terug. Dat was enerzijds doordat (mede in verband met de opkomst van internet) steeds vaker vooraf in een transactie moet worden geïnvesteerd, wat een risico inhoudt dat eiser niet wilde dragen, anderzijds doordat de contactpersonen van eiser in de medische sector de een na de nader met pensioen gingen. In 2014 was het punt bereikt dat, in de door eiser ter zitting gebruikte bewoording, de onderneming was overleden. Eiser heeft toen zijn bestand met contacten aan zijn zwager overgedragen, hem bij deze en gene geïntroduceerd en hem gecoacht bij de door deze vervolgens ondernomen handel in gebruikte medische apparatuur. Dat alles was om niet. In de daaropvolgende jaren is het sporadisch gebeurd dat via een contact van eiser een transactie tot stand komt tussen zijn zwager en een derde. Daarvoor heeft eiser in de jaren 2014, 2015 en 2019 van zijn zwager een commissie ontvangen, in ieder van deze jaren € 2.500. Tussen eiser en zijn zwager waren en zijn geen afspraken over commissiebetalingen gemaakt; het is geheel aan de discretie van de zwager overgelaten of en tot welk bedrag eiser wordt beloond als mede door zijn bemoeienis een transactie tot stand komt.
In 2016 heeft eiser het idee van de [product] geregistreerd. De [product] is een kleine usb-stick met daarop de afbeelding van een esculaap, die de gebruiker aan een sleutelring, armband of anderszins met zich draagt en waarop de drager relevante medische informatie over zichzelf opslaat. Middels deze usb hebben medici en paramedisch personeel direct en eenvoudig toegang tot de van belang zijnde medische gegevens van de drager. Eiser heeft verklaard dat hij vanaf aanvang ervan doordrongen was dat hij dit idee alleen tot een succes zou kunnen brengen met een partner met ruime financiële slagkracht; dat hij vanaf aanvang heeft gezocht naar zo’n partner maar dat hij deze vooralsnog niet heeft gevonden. Over de ontwikkeling van het product zelf heeft eiser niet meer naar voren gebracht dan dat hij een producent van usb-sticks heeft geïdentificeerd die een logo kan aanbrengen op zodanig wijze dat het niet slijt. Desgevraagd heeft hij verklaard dat vooralsnog niet een format tot ontwikkeling is gekomen voor de invoer van gegevens door de gebruiker van de [product] . Evenmin is sprake van een min of meer concreet businessplan.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is met hetgeen eiser naar voren heeft gebracht niet aannemelijk geworden dat in de onderhavige jaren sprake was van een onderneming waaruit hij winst genoten heeft. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
8. Eiser heeft ter zitting verklaard dat de onderneming die hij vanaf eind jaren ’80 onder de naam [bedrijfsnaam] voerde in 2014 tot haar einde gekomen (“is overleden”). Hij heeft toen zijn contacten en know-how aan zijn zwager overgedragen. Of de door de zwager vervolgens ondernomen activiteit als onderneming kwalificeert, kan in het midden blijven. Ook als daarvan sprake zou zijn, dan geldt eiser ten aanzien van die onderneming niet als ondernemer. Dat volgt al daaruit dat, naar in de verklaring van eiser besloten ligt, hij in de onderhavige jaren niet medegerechtigd was tot het vermogen van die onderneming en niet deelde in de winst daarvan. De bedragen die eiser in 2014, 2015 en 2019 van zijn zwager ontving, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet als winst uit onderneming genoten maar als resultaat uit overige werkzaamheid.
9. Eiser heeft verklaard dat om de [product] tot een succes te kunnen maken een partner nodig met ruime financiële slagkracht, die hij vooralsnog niet heeft kunnen vinden. Aan de ontwikkeling van het product zelf is sedert 2016 niet, althans niet voor de rechtbank zichtbaar aandacht besteed. Daarmee is de [product] wezenlijk niet verder gekomen dan het stadium van idee. Hoe goed het in zichzelf moge zijn, met alleen een idee wordt niet voldaan aan de drie criteria die naar vaste jurisprudentie gelden om van een bron van inkomen te spreken, te weten deelname aan het economische verkeer met het oogmerk om voordeel te behalen en de objectieve, redelijke verwachting dat voordeel haalbaar is. Een redelijke bewijslastverdeling brengt mee dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat nog te verwachten valt dat het idee van de grond zal komen. Daarin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.
10. Subsidiair beroept eiser zich op het vertrouwensbeginsel. Hij stelt daartoe dat hij in 1990 met verweerder heeft afgesproken welke kosten als aftrekbaar gelden en dat verweerder daaraan is gebonden tot het moment waarop hij die afspraken opzegt.
Eiser heeft niet geconcretiseerd wat de door hem gestelde afspraken inhielden en heeft ook overigens het bestaan ervan niet aannemelijk gemaakt. Bovendien staat aan een beroep op het vertrouwensbeginsel in de weg dat de omstandigheden zijn gewijzigd doordat eiser de onderneming die hij in 1990 dreef niet later dan in 2014 heeft gestaakt. Om deze redenen faalt het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel.
11. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder het boekenonderzoek met vooringenomenheid heeft gedaan, dat hij niet goed was voorbereid en ingelezen en bij de uitvoering ervan fouten heeft gemaakt. De rechtbank overweegt hieromtrent dat eiser in bezwaar en beroep de gelegenheid heeft gehad op de bevindingen van het boekenonderzoek te reageren en dat ook overigens niet aannemelijk is geworden dat hij nadeel heeft ondervonden van de door hem gestelde gebreken in de wijze waarop het is uitgevoerd. Aan die stelling gaat de rechtbank daarom voorbij.
12. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de beroepen ongegrond verklaard.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).