ECLI:NL:RBDHA:2025:26210

ECLI:NL:RBDHA:2025:26210, Rechtbank Den Haag, 28-11-2025, C/09/694006 / KG ZA 25-1078

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-11-2025
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer C/09/694006 / KG ZA 25-1078
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

kort geding, zorgregeling

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/694006 / KG ZA 25-1078

Vonnis in kort geding van 28 november 2025

in de zaak van

[de vader] in [woonplaats 1] ,

eiser in conventie, gedaagde in reconventie,

advocaat mr. G.M.H. Vriesde in Rotterdam,

tegen:

[de moeder] in [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. S. Kocak in Rotterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’ en samen als ‘de ouders’.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;

- de op 14 november 2025 gehouden mondelinge behandeling.

Op de zitting zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder bijgestaan door haar advocaat.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op 28 november 2025.

2. De feiten in conventie en reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde op de zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.

Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ;

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2] ;

- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats 2] .

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.

[de minderjarige 1] woont op een meidenwoongroep. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] staan ingeschreven op het adres van de moeder.

In het ouderschapsplan van 12 april 2024 zijn de ouders, voor zover hier relevant, overeengekomen dat de kinderen in de oneven weken bij de vader verblijven van vrijdag uit school tot zondag na het avondeten (uiterlijk 19.00 uur). Daarnaast zijn de vakanties en bijzondere dagen ook verdeeld in het ouderschapsplan.

3. Het geschil

in conventie

De vader vordert – zakelijk weergegeven – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de moeder te veroordelen om met onmiddellijke ingang de afgesproken zorgregeling in het ouderschapsplan van 12 april 2024, namelijk de punten 4 tot en met 8 na te komen op straffe van een dwangsom van € 250 voor iedere dagdeel dat de moeder daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 5.000, na betekening van het in deze te wijzen vonnis;

- de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure.

Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De moeder weigert op dit moment uitvoering te geven aan de zorgregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan van 12 april 2024. De vader vindt het van groot belang dat de zorgregeling conform het ouderschapsplan wordt nageleefd. Hij stelt dat er geen gegronde reden bestaat om de uitvoering van de bestaande zorgregeling te wijzigen. De vader verzoekt dan ook om nakoming van de zorgregeling, zodat het contact met de kinderen op een stabiele, voorspelbare en liefdevolle wijze kan plaatsvinden, zoals oorspronkelijk is afgesproken.

De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

in reconventie

De moeder vordert – zakelijk weergegeven –, met veroordeling van de vader in de proceskosten, de zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan van 12 april 2024 te wijzigen, zodat:

- de kinderen in de oneven weken bij de vader verblijven van vrijdag na school tot 19.00 uur, en op zaterdag en zondag van 08.00 uur tot 19.00 uur;

- de hiervoor bedoelde regeling ook gedurende vakantie- en feestdagen wordt toegepast.

Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De bestaande zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan is niet langer in het belang van de kinderen. Zij heeft zorgen over de wijze waarop het contact bij de vader plaatsvindt en over de situaties waarbij de kinderen aanwezig zijn. Volgens de moeder belast de vader de kinderen met volwassenenproblematiek en is dat zorgelijk. De moeder benadrukt dat zij niet tegen contact is. Zij vindt het belangrijk dat de kinderen een goede band met de vader hebben. Wel vindt zij het noodzakelijk dat het contact op een verantwoorde en veilige wijze plaatsvindt, zodat de belangen en de emotionele

ontwikkeling van de kinderen niet worden geschaad. De moeder stelt dat het tempo van de kinderen moet worden gevolgd en dat de resultaten van hun therapie hierbij doorslaggevend zijn. Totdat deze therapie resultaten heeft opgeleverd, dienen er geen overnachtingen bij de vader plaats te vinden.

De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

Zorgregeling

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beslissing in dit vonnis over de zorgregeling tussen de vader en de kinderen een voorlopige ordemaatregel betreft. Deze maatregel geldt totdat de ouders samen, eventueel met behulp van de advocaten, afspraken maken of tot een beslissing in een bodemprocedure wordt genomen.

Tussen de ouders is niet in geschil dat er contact moet zijn tussen de vader en de kinderen. Op de zitting is uitgebreid gesproken over de wijze waarop de zorgregeling uit het ouderschapsplan hervat kan worden. [de minderjarige 1] verblijft op dit moment op een meidenwoongroep. [de minderjarige 1] en de vader hebben contact via WhatsApp en zij spreken af en toe met elkaar af. [de minderjarige 1] wil dat het contact met de vader op deze manier door blijft gaan. Op de zitting heeft de vader aangegeven de wens van [de minderjarige 1] te respecteren, en heeft hij tegelijkertijd aangegeven haar graag vaker te willen zien. Zoals op de zitting met de ouders is besproken, zal de voorzieningenrechter geen regeling vastleggen voor [de minderjarige 1] . De vader en [de minderjarige 1] zullen in onderling overleg bepalen op welke momenten zij contact met elkaar hebben.

Vervolgens is gesproken over de hervatting van de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] . Het is de voorzieningenrechter gebleken dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] behoefte hebben aan contact met de vader, maar dit tegelijkertijd ook lastig vinden. De vader heeft aangegeven open te staan voor een zorgvuldige opbouw in het contact. De moeder heeft ook aangegeven dit van belang te vinden en het tempo van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] te volgen. Op de zitting is vervolgens met de ouders besproken hoe stapsgewijs kan worden toegewerkt naar de regeling uit het ouderschapsplan. Er wordt na de zitting begonnen met de eerste stap en deze loopt tot 1 februari 2026. Voor deze eerste stap hebben de ouders de volgende afspraken gemaakt. De vader zal [de minderjarige 2] iedere dinsdag naar voetbaltraining brengen en hem aansluitend aan de voetbaltraining weer bij de moeder terugbrengen. Daarnaast zal [de minderjarige 2] eens per twee weken (in de oneven weken) op zaterdag bij de vader verblijven van 14.00 uur tot 20.00 uur, te beginnen op zaterdag 22 november 2025. Met betrekking tot [de minderjarige 3] is voor de eerste stap afgesproken dat zij iedere zondag bij de vader is van 14.00 uur tot 18.00 uur, te beginnen op zondag 23 november 2025. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zullen in de periode tot 1 februari 2026 voornamelijk afzonderlijk naar de vader gaan, zodat hij zijn volledige aandacht kan geven aan elk van hen.

Ten aanzien van de kerstvakantie 2025/2026 hebben de ouders op de zitting afgesproken dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , in plaats van de hiervoor vermelde regeling, op Tweede Kerstdag van 12.00 uur tot 21.00 uur bij de vader zijn. Daarnaast zullen zij op 29 december 2025 en op 1 januari 2026 van 12.00 uur tot 21.00 uur bij de vader zijn.

Op de zitting hebben de ouders geen afspraken kunnen maken over de tweede stap, die ingaat op 1 februari 2026. Wel hebben beide ouders aangegeven dat in deze stap ruimte bestaat voor een overnachting van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij de vader. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de tweede stap loopt van 1 februari tot 1 maart 2026, en dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in deze periode eens per twee weken bij de vader zullen zijn van zaterdag 14.00 uur tot zondag 14.00 uur, met overnachting. Deze regeling zal ook tijdens de voorjaarsvakantie van 2026 doorlopen. Nu dit na langere tijd weer de eerste keer is dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij de vader gaan overnachten, vindt de voorzieningenrechter het nog te vroeg voor een langer verblijf bij de vader tijdens de voorjaarsvakantie.

Met ingang van 1 maart 2026 zal er uitvoering worden gegeven aan een iets ruimere weekendregeling. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zullen vanaf 1 maart 2026 tot 1 april 2026 eens per twee weken van zaterdag 14.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader verblijven. Deze opbouw acht de voorzieningenrechter passend en zorgvuldig, omdat het ouderschapsplan in de daaropvolgende stap weer volledig wordt hervat.

De voorzieningenrechter merkt op dat de voormelde opbouwregeling als een minimum regeling dient te worden beschouwd. Als het allemaal goed gaat en de kinderen dat ook willen, staat het de ouders vrij om in goed overleg ruimere afspraken te maken. De eerder gemaakte afspraak over het brengen van [de minderjarige 2] op dinsdag naar de voetbaltraining, blijft tijdens stap 1 tot en met stap 3 van kracht.

Zoals met de ouders op de zitting is besproken, wordt het ouderschapsplan vanaf 1 april 2026 volledig hervat.

De voorzieningenrechter zal aldus beslissen, en het meer of anders gevorderde met betrekking tot de zorgregeling afwijzen.

Dwangsom

Nu de ouders op de zitting op een constructieve wijze afspraken met elkaar hebben gemaakt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de nakoming van de zorgregeling een dwangsom te verbinden en zal de vordering van de vader daartoe afwijzen.

Proceskosten

De voorzieningenrechter vindt het redelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat de vader en de moeder (zowel in conventie als in reconventie) de eigen proceskosten dragen.

Brieven aan [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3]

De voorzieningenrechter zal tegelijkertijd met dit vonnis ook een brief aan [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] sturen, met de volgende inhoud:

Brief aan [de minderjarige 1] :

“Beste [de minderjarige 1] ,

Op woensdag 12 november 2025 hebben wij uitgebreid met elkaar gepraat over het contact tussen jou en je vader. Op vrijdag 14 november 2025 heb ik ook met je ouders gepraat en ook verteld wat jouw mening was. Jij wil dat het zo blijft zoals het nu gaat, namelijk dat je voornamelijk via Whatsapp met je vader contact hebt. Op de zitting heeft jouw vader aangegeven dat hij jouw wens wil respecteren. Vandaag, op 28 november 2025, doe ik een schriftelijke uitspraak in die zaak. In deze brief wil ik jou vertellen wat de uitspraak is.

Mijn uitspraak is dat ik geen regeling vastleg voor het contact tussen jou en je vader. Dit

betekent dat jullie samen in overleg kunnen bepalen op welke momenten, en op welke

manier, jullie contact met elkaar hebben.

Je ouders ontvangen van mij een schriftelijke uitspraak (‘vonnis’) waarin ik dit officieel beslis. In het vonnis staat ook deze brief. Zo weten je ouders wat ik aan jou heb geschreven over het contact met je vader.

Met vriendelijke groet,

A.C. Olland (kinderrechter)”

Brief aan [de minderjarige 2] :

“Beste [de minderjarige 2] ,

Op woensdag 12 november 2025 hebben wij met elkaar gepraat over het contact tussen jou en je vader. Op vrijdag 14 november 2025 heb ik ook met je ouders gepraat en ook verteld wat jouw mening was. Samen met jouw ouders hebben we toen afgesproken dat het contact tussen jou en je vader in de komende tijd in stapjes zal worden uitgebreid. Vandaag, op 28 november 2025, doe ik een officiële uitspraak in die zaak waarin ik deze afspraken vastleg. In deze brief wil ik jou vertellen wat de uitspraak is:

Vanaf nu tot 1 februari 2026 brengt jouw vader jou iedere dinsdag naar de voetbaltraining,

en hij brengt jou na de voetbaltraining weer terug naar je moeder. Ook zal jij één keer in de

twee weken op de zaterdag van 14.00 uur tot 20.00 uur bij je vader zijn (zonder [de minderjarige 3] ).

Tijdens de kerstvakantie zal jij met [de minderjarige 3] op 26 december, 29 december en 1 januari van

uur tot 21.00 uur bij je vader zijn.

Van 1 februari 2026 tot 1 maart 2026 brengt jouw vader jou nog steeds iedere dinsdag naar de voetbaltraining, en hij brengt jou na de voetbaltraining weer terug naar je moeder. Daarnaast zal jij samen met [de minderjarige 3] eens in de twee weken van zaterdag 14.00 uur tot zondag 14.00 uur bij je vader zijn, waarbij jullie ook bij hem overnachten.

Van 1 maart 2026 tot 1 april 2026 brengt jouw vader jou nog steeds iedere dinsdag naar de voetbaltraining, en hij brengt jou na de voetbaltraining weer terug naar je moeder. Daarnaast zal jij samen met [de minderjarige 3] eens in de twee weken van zaterdag 14.00 uur tot zondag 18. 00 uur bij je vader zijn, waarbij jullie ook bij hem overnachten.

Vanaf 1 april 2026 gelden weer de oude afspraken.

Je ouders ontvangen van mij een schriftelijke uitspraak (‘vonnis’) waarin ik dit officieel beslis. In het vonnis staat ook deze brief. Zo weten je ouders wat ik aan jou heb geschreven over het contact met je vader.

Met vriendelijke groet,

A.C. Olland (kinderrechter)”

Brief aan [de minderjarige 3] :

“Beste [de minderjarige 3] ,

Op woensdag 12 november 2025 hebben wij met elkaar gepraat over het contact tussen jou en je vader. Op vrijdag 14 november 2025 heb ik ook met je ouders gepraat en ook verteld wat jouw mening was. Samen met jouw ouders hebben we toen afgesproken dat het contact tussen jou en je vader in de komende tijd in stapjes zal worden uitgebreid. Vandaag, op 28 november 2025, doe ik een officiële schriftelijke uitspraak waarin ik deze afspraken vastleg. In deze brief wil ik jou vertellen wat de uitspraak is:

Vanaf nu tot 1 februari 2026 zal jij één keer in de twee weken op de zondag van 14.00 uur

tot 20.00 uur bij je vader zijn (zonder [de minderjarige 2] ). Tijdens de kerstvakantie zal jij samen met

[de minderjarige 2] op 26 december, 29 december en 1 januari van 12.00 uur tot 21.00 uur bij je vader

zijn.

Van 1 februari 2026 tot 1 maart 2026 zal jij samen met [de minderjarige 2] eens in de twee weken van zaterdag 14.00 uur tot zondag 14.00 uur bij je vader zijn, waarbij jullie ook bij hem overnachten.

Van 1 maart 2026 tot 1 april 2026 zal jij samen met [de minderjarige 2] eens in de twee weken van zaterdag 14.00 uur tot zondag 18. 00 uur bij je vader zijn, waarbij jullie ook bij hem overnachten.

Vanaf 1 april 2026 gelden weer de oude afspraken.

Je ouders ontvangen van mij een schriftelijke uitspraak (‘vonnis’) waarin ik dit officieel beslis. In het vonnis staat ook deze brief. Zo weten je ouders wat ik aan jou heb geschreven over het contact met je vader.

Met vriendelijke groet,

A.C. Olland (kinderrechter)”

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie en in reconventie

bepaalt dat de vader [de minderjarige 2] vanaf heden tot 1 april 2026 iedere dinsdag naar voetbaltraining brengt, en hem aansluitend weer bij de moeder terugbrengt;

bepaalt voor de periode tot 1 februari 2026 dat:

- [de minderjarige 2] in de oneven weken bij de vader zal zijn op zaterdag van 14.00 uur tot 20.00 uur;

- [de minderjarige 3] iedere zondag bij de vader zal zijn van 14.00 uur tot 18.00 uur;

- bovenstaande regeling niet doorloopt tijdens de kerstvakantie 2025/2026, en dat ten aanzien van de kerstvakantie geldt dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij de vader zijn op 26 december, 29 december en 1 januari van 12.00 uur tot 21.00 uur;

bepaalt voor de periode van 1 februari 2026 tot 1 maart 2026 dat:

- [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij de vader zijn eens in de twee weken van zaterdag 14.00 uur tot zondag 14.00 uur;

bepaalt voor de periode van 1 maart 2026 tot 1 april 2026 dat:

- [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij de vader zijn eens in de twee weken van zaterdag 14.00 uur tot zondag 18.00 uur;

bepaalt dat het ouderschapsplan van 12 april 2024 volledig wordt hervat vanaf 1 april 2026;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Olland en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.

MAW

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?