RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11757
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Woudwijk),
en
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft tevens een inreisverbod aan eiser opgelegd voor de duur van twee jaar.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL25.11758).
Verweerder heeft de rechtbank op 29 juli 2025 verzocht om aanhouding van de op 31 juli 2025 geplande zitting teneinde eiser opnieuw te horen en een aanvullend besluit te nemen.
Eiser heeft de rechtbank op 29 juli 2025 bericht in te stemmen met het verzoek tot aanhouding van verweerder. De rechtbank heeft daarop besloten de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening aan te houden.
Verweerder heeft op 10 september 2025 een aanvullend besluit genomen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 12 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Ugandese nationaliteit.
2. Hij heeft op 21 augustus 2022 de hier aan de orde zijnde asielaanvraag ingediend. Daar heeft hij het volgende aan ten grondslag gelegd. Eiser is biseksueel en is vlak voor zijn vertrek naar Nederland betrapt terwijl hij seks had met zijn vriend. De betrapping vond plaats door de vrouw van deze vriend. De politie is om deze reden naar hem op zoek, aldus eiser. Daarnaast is eiser politiek actief voor de oppositiepartij National Unity Platform (NUP) in Uganda. Vanwege zijn betrokkenheid bij de partij is hij in Uganda ontvoerd door de veiligheidsdienst van de regeringspartij. Op aanraden van zijn werkgever heeft hij Uganda verlaten. Inmiddels is hij ook actief voor de Nederlandse en Belgische tak van de NUP.
Bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
- De identiteit, nationaliteit en herkomst;
- De problemen wegens zijn biseksualiteit;
- De problemen wegens de politieke overtuiging.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Het tweede asielmotief acht verweerder daarentegen niet geloofwaardig. Eiser heeft geen documenten overgelegd en hij voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eisers verklaringen vormen in de eerste plaats geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft namelijk summier, oppervlakkig en tegenstrijdig verklaard. Verweerder werpt eiser verder tegen dat hij geen kennis heeft van LHBTI-groepen in Uganda en hij weinig weet over de situatie van LHBTI’s in Nederland. Het gegeven dat eiser lang heeft gewacht met het indienen van zijn asielaanvraag doet ook afbreuk aan zijn geloofwaardigheid.
Verweerder heeft het derde asielmotief eveneens ongeloofwaardig geacht. Ook hier werpt verweerder tegen dat eiser geen documenten heeft overgelegd en hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en d, van de Vw. Eisers verklaringen zijn inconsequent, tegenstrijdig, summier en gebrekkig. Bovendien geldt ook hier dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, wat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas.
Het geloofwaardig geachte relevante element is door verweerder verder beoordeeld maar is niet te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft hiermee evenmin aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel, aldus verweerder.
Aanvullend besluit
4. Naar aanleiding van de door eiser ingediende beroepsgronden heeft verweerder aanleiding gezien om hem opnieuw te horen over zijn gestelde politieke overtuiging. Verweerder heeft bij aanvullend besluit van 10 september 2025 het standpunt in het bestreden besluit gehandhaafd. Uit eisers verklaringen kan weliswaar worden opgemaakt dat hij een politieke overtuiging heeft, maar dit is volgens verweerder geen sterke politieke overtuiging. Daarbij is van belang dat eiser volgens verweerder ongerijmd heeft verklaard waarom hij zich bij Bobbi Wine heeft aangesloten. Eiser heeft verder vaag verklaard over de oppositie in Uganda. Nog steeds valt niet in te zien waarom hij aanhanger zou zijn van Bobbi Wine gelet op diens opvattingen over LHBTI’s. Daarnaast heeft hij ongerijmde verklaringen over zijn gestelde problemen afgelegd. Verweerder handhaaft daarom het standpunt dat de problemen van eiser in Uganda ongeloofwaardig zijn. Door verweerder wordt niet betwist dat eiser in Nederland diverse politieke activiteiten onderneemt. Eiser heeft met zijn verklaringen echter niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft te vrezen voor de Ugandese autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten in dat kader.
5. Het beroep tegen het bestreden besluit heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege ook betrekking op het aanvullende besluit.
Beoordeling rechtbank
6. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser zowel in de correcties en aanvullingen als in beroep zeer omvangrijke reacties heeft gegeven ter aanvulling op zijn verklaringen tijdens het gehoor waarin hij zijn asielrelaas over zijn biseksualiteit (en ook over zijn politieke overtuiging) nader uiteen heeft gezet. Het gaat om zeer omvangrijke schriftelijke verklaringen, waarover verweerder terecht opmerkt dat het gehoor primair is bedoeld om het asielrelaas (volledig) naar voren te brengen. Daaraan heeft niets in de weg gestaan. Aan de verklaringen zoals eiser die heeft ingebracht – opgesteld na afloop van de gehoren, en waarvan niet kan worden vastgesteld hoe deze tot stand zijn gekomen – kan niet dezelfde waarde worden gehecht als aan eisers verklaringen tijdens het gehoor. Deze verklaringen leiden, in het licht van hetgeen hierna wordt overwogen, dan ook niet tot een andere slotsom.
Seksuele geaardheid
7. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte en onvoldoende deugdelijk op het standpunt heeft gesteld dat het tweede asielmotief ongeloofwaardig is. Daartoe voert hij onder meer aan dat hij zijn asielrelaas wel degelijk heeft onderbouwd met objectieve documenten, te weten diverse foto’s. Daarnaast heeft hij uitgebreid verklaard over zijn gevoelens voor mannen en daarmee inzicht geboden in zijn geaardheid. Eiser betwist verder het standpunt van verweerder dat hij geen of onvoldoende kennis heeft van LHBTI-groepen in Uganda.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde biseksualiteit Werkinstructie (WI) 2019/17 ‘Horen en beslissen in zaken waarin LHBTI-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd’ toepast. Op grond hiervan beoordeelt verweerder de geloofwaardigheid aan de hand van de door de vreemdeling gegeven antwoorden. Daarbij ligt de nadruk op de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot de seksuele geaardheid, wat die voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die geaardheid in het land van herkomst en hoe zijn ervaringen in het algemene beeld passen. Van belang is of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met wat bekend is over de positie van LHBTI’ers in het land van herkomst, waarbij rekening wordt gehouden met het referentiekader van de vreemdeling. Het is aan de vreemdeling om de gestelde seksuele gerichtheid aannemelijk te maken.
De rechtbank overweegt dat in LHBTI-zaken het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt bij het persoonlijke en authentieke verhaal van de betrokkene. Verweerder moet een integrale beoordeling verrichten en de betrokkene kan ontoereikende verklaringen compenseren met andere verklaringen en overgelegd bewijsmateriaal (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Afdeling (Afdeling) van 26 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:300 r.o. 3.1.). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser ingebrachte (beperkt aantal) foto’s, onder meer van hem en [naam 2] en van zijn aanwezigheid bij de Pride, geen documenten zijn die de door hem gestelde biseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen volledig onderbouwen. Hieruit kan louter worden afgeleid dat eiser aanwezig is of lijkt te zijn bij de Pride en dat hij onder meer (naar gesteld) met [naam 2] op foto staat. Hier kan betrekkelijk weinig waarde, en in ieder geval geen doorslaggevende betekenis aan worden gehecht. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de nadruk ligt op eisers verklaringen (ten tijde van het nader gehoor).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij summier en oppervlakkig over zijn biseksuele gevoelens heeft verklaard. Op de vraag hoe eiser erachter is gekomen dat hij (ook) op mannen viel, heeft eiser verklaard dat hij op de kostschool meermaals seks heeft gehad met [naam 3]. Gevraagd naar zijn gevoelens hierbij, verklaart eiser slechts dat hij het leuk vond en dat hij in de war was. Over zijn latere relatie met [naam 4] verklaart eiser louter dat [naam 4] heel aardig was en dat hij het heel leuk vond wanneer hij door [naam 4] werd aangeraakt en zij seks hadden. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser universitair is geschoold en dat hij in staat moet worden geacht om inzicht te bieden in zijn gevoelens ten aanzien van zijn gestelde geaardheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn tweede relatie met [naam 2]. Eiser heeft naar gesteld ruim een jaar een relatie met [naam 2] gehad, maar eiser blijft vaag en summier over (zijn gevoelens voor) [naam 2]. Verweerder heeft eiser hierbij kunnen tegenwerpen dat hij de verjaardag van [naam 2] niet weet, maar dat hij evenmin kan verklaren welke hobby’s [naam 2] heeft. Op de vraag waarom eiser tot [naam 2] werd aangetrokken, volstaat eiser met de verklaring dat hij hem aantrekkelijk vond, en dat [naam 2] zorgzaam en aardig voor hem was. Eiser heeft, desgevraagd, verklaard dat het verschil tussen zijn relaties met mannen en vrouwen onder meer is dat hij meer aandacht kreeg van vrouwen en dat zijn vrouw hem regelmatig belde om te kijken hoe het met hem ging. Met [naam 4] en [naam 2] belde hij nooit, aldus eiser. Verweerder heeft eiser echter terecht tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard. Tijdens het nader gehoor heeft eiser namelijk verklaard dat hij wel telefonisch contact met [naam 2] onderhield, nu deze hem in ochtend, avond en het weekend belde. De stelling ter zitting dat het belcontact met [naam 2] wisselde, kan niet leiden tot een ander oordeel omdat dit niet strookt met de verklaringen tijdens het nader gehoor hierover.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser ongerijmd heeft verklaard over de betrapping door de vrouw van [naam 2] toen hij en [naam 2] seks hadden. Hierover verklaart eiser namelijk dat veel mensen, waaronder de politie en eisers collega’s, in de omgeving hiervan op de hoogte zijn geraakt. Eiser verklaart echter ook dat zijn vrouw geen enkel vermoeden heeft van zijn biseksuele geaardheid, terwijl zij van dit incident wel op de hoogte is gebracht door de politie, de vrouw van [naam 2] en haar vader (p. 55 NG). Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat eisers vrouw geen enkel vermoeden zou hebben. De enkele verklaring dat zijn vrouw hem op zijn woord gelooft, en hij haar heeft verteld dat deze mensen hem zochten vanwege politieke redenen, heeft verweerder gegeven de omstandigheden niet zonder meer hoeven te volgen.
Verweerder heeft eiser ook kunnen tegenwerpen dat hij geen kennis heeft van organisaties in Uganda die zich inzetten voor de rechten van LHBTI’s. Eiser heeft verder verklaard dat hij geen contact heeft met andere LHBTI’s in Nederland en heeft evenmin blijk gegeven van enige kennis van de situatie van LHBTI’s in Nederland anders dan dat er in Nederland vrijheid voor hen is. Eiser heeft tijdens het gehoor verklaard dat hij met een vriend naar een organisatie is geweest in Den Haag en Rotterdam die zich inzet voor de LHBTI-rechten, maar hij weet deze organisatie niet te benoemen. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt kunnen stellen dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts bij de besluitvorming kunnen betrekken dat eiser, zonder verschoonbare reden, niet zo spoedig mogelijk zijn asielaanvraag heeft ingediend. Eiser is namelijk omstreeks 26 juni 2022 Nederland via België ingereisd, maar hij heeft pas op 21 augustus 2022 de hier aan de orde zijnde asielaanvraag ingediend. Hij is bij aankomst in Nederland meegegaan met een man en heeft bij hem verbleven in een woning in Amsterdam. Deze man zou eiser hebben aangeraden om te wachten met het indienen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft hierin geen verschoonbare reden hoeven te zien voor het feit dat eiser zich pas na twee maanden heeft gemeld voor asiel. Dit doet eveneens afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas.
Ook de door eiser in beroep overgelegde brief van zijn gestelde partner in Nederland, [naam 5], waarin – kortgezegd – hun relatie wordt bevestigd, kan niet leiden tot een ander oordeel. Wat er ook van deze brief zij, hieraan kan, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, geen doorslaggevende waarde worden gehecht. De rechtbank herhaalt dat de nadruk namelijk blijft liggen op eisers eigen verklaringen tijdens een gehoor. De rechtbank merkt overigens ook nog op dat de inhoud van de brief over de totstandkoming van hun relatie niet overeenkomt met eisers verklaringen hierover tijdens het nader gehoor. Eiser heeft immers tijdens de zitting verklaard dat hij sinds eind 2023/begin 2024 een serieuze relatie heeft met [naam 5], terwijl hij tijdens het nader gehoor op 26 juni 2024 juist expliciet heeft verklaard dat hij op dat moment (nog) geen relatie had met Ssamba.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde biseksualiteit en de problemen als gevolg daarvan ongeloofwaardig zijn. De hiertoe aangedragen beroepsgronden kunnen niet slagen.
Politieke overtuiging
8. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn problemen vanwege zijn politieke overtuiging ongeloofwaardig zijn. Hij heeft zijn relaas met diverse documenten onderbouwd. Bovendien kan verweerder hem niet tegenwerpen dat hij tegenstrijdig zou hebben verklaard over de datum waarop hij is ontvoerd aangezien hij moeite heeft met data, zo blijkt ook uit het Medifirst-advies. Daarnaast heeft eiser ook uitgelegd waarom hij Bobbi Wine, ondanks diens opvattingen over LHBTI’s, steunt.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het bestreden besluit de problemen die daarmee verband houden met eisers politieke activiteiten ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft echter na het bestreden besluit aanleiding gezien om eiser alsnog aanvullend te horen en een aanvullend besluit te nemen. Daartoe was onder meer redengevend dat eiser nader moest worden gehoord over de wijze waarop hij bij terugkeer uiting wil geven aan zijn politieke overtuiging. Ter zitting heeft verweerder erkend dat het bestreden besluit op dat punt niet deugdelijk was gemotiveerd. Het bestreden besluit is dus onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd en kan in zoverre niet in stand blijven. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
9. De rechtbank zal hierna bezien of er aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
Beoordeling aanvullend besluit
10. De rechtbank stelt vast dat verweerder blijkens het aanvullende besluit uitgaat van een politieke overtuiging. Eisers politieke overtuiging komt voort uit onvrede over de politieke situatie in Uganda, corruptie, tekorten aan medicijnen en een wet tegen homoseksualiteit. Eiser heeft verklaard dat hij zich in Uganda actief heeft ingezet voor de partij als vrijwilliger bij campagnes en heeft verklaard dat hij zich (anoniem) op social media heeft uitgesproken tegen de regering en president Museveni. Eiser heeft thans een lidmaatschapskaart, een drietal bewijzen van ideal betalingen aan de partij en diverse schermafbeeldingen van posts op social media overgelegd (ter onderbouwing van zijn activiteiten in Nederland). Verweerder volgt dat eiser zich (ook) in Nederland voor de politieke partij heeft ingezet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het aanvullende besluit echter terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging bij terugkeer naar Uganda een gegronde vrees voor vervolging heeft en/of een reëel risico loopt op ernstige schade. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, gehandhaafd in het aanvullende besluit, niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser zijn gestelde problemen vanwege zijn politieke activiteiten in Uganda ongeloofwaardig zijn. Eiser heeft verklaard dat hij niet van plan was om Uganda te verlaten, maar hij in de tweede week van mei 2022 is ontvoerd vanwege zijn politieke activiteiten, hij vervolgens is vrijgelaten met de mededeling dat hij binnen een maand het land moest verlaten en dat dit de aanleiding is geweest om het land te ontvluchten. Zijn baas heeft hem vervolgens geholpen en het visum voor Zwitserland geregeld. Verweerder werpt eiser echter terecht tegen dat deze verklaringen niet stroken met het gegeven dat uit het visumdossier blijkt dat reeds in april 2022 contact is geweest met de Universiteit van Geneva over eisers aanmelding. Eiser heeft daarover in het nader gehoor volstaan met stelling dat hij niet weet wat de reisagent heeft gedaan, maar dat zijn baas veel connecties heeft. Dit is onvoldoende verklarend ten aanzien van de vraag waarom eerder contact is over een aanmelding dan het moment waarop eiser zou zijn ontvoerd. De later ingenomen en enkele, niet nader geconcretiseerde, stelling dat het visumdossier is gefabriceerd, heeft verweerder niet hoeven te volgen. Dat eiser - zoals hij richting Medifirst kenbaar heeft gemaakt - moeite heeft met data, maakt het voorgaande evenmin anders. Verweerder werpt eiser niet (langer) tegen dat hij de exacte datum van de ontvoering niet (juist) kan benoemen, maar eiser zou bij benadering wel maanden kunnen benoemen. Reeds deze tegenstrijdigheid doet afbreuk aan eisers geloofwaardigheid. Verweerder heeft zich dus op het standpunt kunnen stellen dat de door eiser gestelde ontvoering in 2022 vanwege zijn politieke activiteiten ongeloofwaardig is. Dit maakt dat verweerder zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser hierdoor niet in de negatieve belangstelling van de Ugandese autoriteiten kan staan.
Hierbij komt dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hij daarvoor geen goede verklaring heeft. De rechtbank verwijst in dat kader naar hetgeen hiervoor onder 7.6 is overwogen.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder zich in het aanvullend besluit ook niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen sterke politieke overtuiging heeft. Hoewel de sterkte van de politieke overtuiging van een vreemdeling geen rol meer mag spelen bij de vraag of er sprake is van een geloofwaardige politieke overtuiging, is die sterkte nog wel relevant bij de beoordeling of de vreemdeling een risico loopt bij terugkeer. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:63), waarin de Afdeling is ingegaan op het arrest S. en A. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 21 september 2023, en naar het op deze Afdelingsuitspraak gebaseerde Informatiebericht 2024/10. Verweerder heeft in het bestreden besluit, gehandhaafd in het aanvullende besluit, eiser in dit kader kunnen tegenwerpen dat niet valt in te zien dat hij Bobbi Wine steunt, terwijl deze politicus zich (zeer) negatief heeft uitgelaten over LHBTI’s. Eiser heeft, desgevraagd, hierover verklaard dat zijn geaardheid niets te maken heeft met de steun voor Bobbi Wine, dat het iets kleins is en dat hij (Bobbi Wine) voor iets groters vecht. Verweerder heeft deze verklaring niet hoeven te volgen. In beroep heeft eiser betoogd dat Bobbi Wine later zijn anti-LHBTI uitspraken heeft ingetrokken. Hierin heeft verweerder echter geen aanleiding hoeven zien om tot een andersluidende conclusie te komen. Verweerder heeft er namelijk terecht op gewezen dat Bobbi Wine zich later weer negatief heeft uitgelaten over LHBTI’s en zijn eerdere nuancering heeft ingetrokken.
Verweerder heeft zich evenmin niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser weinig weet te verklaren over de standpunten van de NUP. Dit geldt eveneens voor de verklaringen over de andere oppositiepartijen, waaronder de FDC waar hij zich in het verleden ook voor zou hebben ingezet. Eiser weet verder de verschillen tussen de NUP en de FDC niet te benoemen. Gevraagd naar het verschil tussen de NUP en de andere oppositiepartijen verklaart eiser slechts dat alle andere partijen ‘comfortabel’ zijn en Museveni niet weg willen jagen, maar dat de NUP wel verandering wil. Over het gedachtegoed van de NUP verklaart eiser louter dat de NUP democratie wil, een eerlijk Uganda en dat Museveni weggaat. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat deze verklaringen vaag en summier zijn. Verweerder heeft zich in het aanvullende besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van eiser – met inachtneming van zijn hoge opleidingsniveau – mag worden verwacht dat hij meer weet te verklaren over zijn (gestelde) politieke motivatie. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat hieruit niet kan worden afgeleid dat eiser een sterke politieke overtuiging heeft. Dit is een omstandigheid die verweerder mag betrekken bij de beoordeling van de gegrondheid van de gestelde vrees voor vervolging vanwege de politieke overtuiging bij terugkeer naar het Uganda (vgl. IB 2024/10, p. 10).
De rechtbank overweegt bovendien dat verweerder, zij het bij wijze van een subsidiair standpunt, bij de beoordeling van eisers vrees voor vervolging ook heeft betrokken dat uit openbare bronnen blijkt dat lidmaatschap van de NUP in Uganda niet verboden is en dat de NUP bovendien de grootste (legale) oppositiepartij van Uganda is. Dit wordt ook niet door eiser betwist. Verweerder erkent dat er weliswaar sprake is geweest van gevallen van intimidatie en er zich ook incidenten hebben voorgedaan tijdens verkiezingstijd, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat eiser vanwege zijn lidmaatschap in de negatieve belangstelling staat of zal komen te staan. Eiser heeft namelijk niet geconcretiseerd of onderbouwd waarom juist hij in het bijzonder in de negatieve belangstelling zou staan. Eiser heeft tijdens het aanvullende gehoor verklaard dat hij zich bij terugkeer net zo zou willen uiten zoals hij dat in het verleden in Uganda en nu in Nederland doet. Hierin heeft verweerder geen aanleiding hoeven te zien om aan te nemen dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling zal komen te staan van de autoriteiten aldaar. Daartoe is redengeven dat, zoals hiervoor is overwogen, het niet strafbaar is om lid te zijn van de NUP en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het verleden problemen heeft gehad vanwege zijn politieke activiteiten, de gestelde ontvoering is door verweerder immers niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
Verweerder betwist niet dat eiser in Nederland aan een of meerdere demonstraties tegen de Ugandese regering heeft deelgenomen en dat hij daarnaast lid is van de Nederlandse en Belgische tak van de NUP. Hij heeft bovendien ook een (officiële) functie bij deze tak van de NUP. Eiser is binnen de partij namelijk verantwoordelijk voor de social media. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze activiteiten echter niet maken dat eiser in de negatieve belangstelling is komen te staan van de Ugandese autoriteiten. Deze activiteiten hebben immers slechts een beperkt bereik gehad. Daarnaast heeft eiser tijdens het aanvullende gehoor ook verklaard dat zijn officiële rol bij de NUP Nederland en België niet openbaar is. Verder heeft eiser tijdens het aanvullende gehoor verklaard over zijn problemen binnen de partij met iemand genaamd dr. Nico. Dit is een prominent persoon binnen de partij en hij noemt eiser, vanwege hun ruzie, vaak in (TikTok-)filmpjes, welke een groot bereik zouden hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in deze omstandigheid niet hoeven aan te nemen dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Ugandese autoriteiten. Daarbij staat voorop dat, zoals al eerder is overwogen, de NUP legaal is in Uganda en dat lidmaatschap niet zonder meer tot problemen leidt. Daarnaast heeft eiser tijdens het nader gehoor over zijn ruzie met dr. Nico verklaard dat dr. Nico in zijn filmpjes eiser verwijt dat hij lid is van de NRM, de partij van Museveni. Niet valt in te zien dat eiser door een dergelijke mededeling in de negatieve aandacht zou komen te staan van de Ugandese autoriteiten (onder leiding van Museveni en zijn partij).
Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat door eiser niet aannemelijk is gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging bij terugkeer naar Uganda een gegronde vrees heeft vervolging en/of een reëel risico loopt op ernstige schade. Het hiertoe aangedragen betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Gelet op wat er hiervoor, onder 10.1. tot en met 10.6, is overwogen ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.
12. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op eisers politieke overtuiging;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.