[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling dat hij geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
Verweerder heeft met het besluit van 19 november 2024 vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland als Unieburger. Met het bestreden besluit van 22 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij deze beslissing gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1974 en heeft de Poolse nationaliteit. Eiser is Unieburger en is sinds april 2019 in Nederland. Eiser heeft van november 2019 tot en met januari 2022 op uitzendbasis gewerkt in Nederland. Sindsdien is hij niet meer werkzaam geweest.
3. Op 11 oktober 2024 heeft de politie aan verweerder een voorstel gedaan om vast te stellen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Verweerder heeft vervolgens vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf die volgen uit artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat niet is gebleken dat eiser werknemer is of werk zoekt en een reële kans op arbeid heeft, dat hij geen vaste woon- en verblijfplaats heeft en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft eiser vervolgens een verwijderingsmaatregel opgelegd en in dat kader een belangenafweging gemaakt. De belangenafweging is in het nadeel van eiser uitgevallen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet langer voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als Unieburger. Verweerder heeft onvoldoende betrokken dat eiser langdurig actief is geweest als werknemer en zich inspant om nieuw werk te vinden. Ook heeft verweerder ten onrechte geen onderzoek gedaan bij het UWV of de gemeentelijke sociale dienst naar de vraag of eiser onvrijwillig werkloos is. Een EU-burger die onvrijwillig werkloos is, behoudt zijn status als werknemer voor minstens zes maanden.
Verder hanteert verweerder een te formalistische invulling van de criteria omtrent de voldoende middelen van bestaan en de vaste woon- en verblijfplaats. Het beschikken over voldoende middelen van bestaan blijkt uit het feit dat eiser nooit een beroep op de bijstand heeft gedaan en het langdurige verblijf van eiser in een hostel wijst op stabiliteit en binding met Nederland. Eiser voert verder aan dat de belangenafweging ten onrechte in zijn nadeel is uitgevallen, nu hij in Nederland een stabiel en duurzaam verblijf heeft gehad, een sociaal netwerk heeft opgebouwd, het nooit zijn intentie is geweest om overlast te veroorzaken en het moeilijk is voor hem om een leven op te bouwen in Polen.
Ten slotte voert eiser aan dat niet is voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel, nu het hem niet duidelijk is hoe hij kan voldoen aan de vertrekplicht en zijn verblijfsrecht effectief kan beëindigen. Verweerder had moeten aangeven aan de hand van welke omstandigheden in de toekomst, indien eiser na zijn vertrek opnieuw verblijfrecht wenst te verkrijgen, beoordeeld zal worden of is voldaan aan de vertrekplicht. Daarnaast is onvoldoende gemotiveerd waarom de minimale vertrektermijn wordt opgelegd van één maand, gelet op de rechten die eiser heeft opgebouwd tijdens zijn verblijf in Nederland.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Een Unieburger mag zonder verblijfsvergunning langer dan drie maanden in Nederland verblijven als hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Uit artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat een Unieburger langer dan drie maanden in Nederland mag verblijven als:
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet (meer) voldoet aan deze voorwaarden en daarom niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder namelijk terecht geconcludeerd dat niet is gebleken dat eiser een werknemer is of op zoek is naar werk en daar een reële kans op heeft. Uit de gegevens van het UWV blijkt dat eiser sinds drie jaar werkloos is en niet is gebleken dat hij ingeschreven staat als werkzoekende. Eiser heeft de door hem gestelde inspanningen om betaald werk te vinden niet onderbouwd. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat eiser de kans is gegeven na het eerste gehoor bij de politie aan te tonen dat hij, zoals hij stelde tijdens dat gehoor, snel een baan kon vinden. Niet is gebleken dat dat is gelukt.
De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat verweerder niet heeft kunnen concluderen dat eiser geen rechtmatig verblijf (meer) heeft zonder onderzoek te doen naar de vraag of de werkloosheid van eiser onvrijwillig is. Niet is gebleken dat eiser zich heeft ingeschreven als werkzoekende bij het UWV en niet in geschil is dat hij al meer dan drie jaar werkloos is. Artikel 8.12, tweede lid, onder b, van het Vb is alleen al niet van toepassing omdat eiser niet is ingeschreven als werkzoekende bij het UWV, zodat de vraag of hij al dan niet onvrijwillig werkloos is, niet doorslaggevend is. Eiser kan ook geen beroep doen op artikel 8.12, tweede lid, onder c, van het Vb omdat hij al een langere periode werkloos is dan genoemd in de bepaling. Ook hiervoor was nader onderzoek naar de vraag of eiser al dan niet onvrijwillig werkloos was niet nodig. Gelet op het feit dat eiser langer werkloos is dan de periodes genoemd in artikel 8.12 van het Vb, is het de rechtbank ook niet duidelijk wat een onderzoek van verweerder naar de vraag of de werkloosheid onvrijwillig is eiser had opgeleverd. Gelet op al het voorgaande, slaagt ook het beroep van eiser op arrest Tarola niet.
De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat eiser voldoende middelen van bestaan en een vaste woon- en verblijfplaats heeft. Eiser heeft op geen enkele manier onderbouwd dat hij over de middelen beschikt waarvan hij stelt dat deze voldoende zijn om in zijn levensonderhoud te voorzien. Ten aanzien van zijn verblijfplaats heeft verweerder terecht betrokken dat eiser zich niet op het adres van het hostel heeft kunnen inschrijven in de BRP. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij afwisselend in een (niet nader gespecificeerd) hostel verblijft en ’s nachts over straat loopt.
De verwijderingsmaatregel en vertrekplicht
6. De rechtbank volgt eiser verder ook niet in zijn stelling dat de belangenafweging die verweerder in het kader van de verwijderingsmaatregel heeft verricht ten onrechte in zijn nadeel is uitgevallen. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij een bestaan heeft opgebouwd in Nederland en dat een terugkeer naar Polen zwaar zou zijn omdat hij daar geen sociaal vangnet heeft. Verweerder heeft deze omstandigheden kenbaar betrokken in de belangenafweging en op basis daarvan kunnen concluderen dat deze afweging in het nadeel van eiser uitvalt.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld. Uit artikel 34 van de Verblijfsrichtlijn volgt niet dat verweerder een actieve informatieplicht heeft over het rechtmatige verblijf van individuele Unieburgers in Nederland. Er staat enkel voorgeschreven dat de lidstaten in het algemeen informatie verspreiden betreffende de rechten en plichten van de burgers van de Unie. Wel volgt uit artikel 30, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn dat een verwijderingsmaatregel op zodanige wijze schriftelijk ter kennis moet worden gebracht, dat de betrokkene in staat is om de inhoud en de gevolgen hiervan te begrijpen. Verweerder heeft een openbare werkinstructie, waarin uiteengezet wordt welke elementen van belang zijn bij het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf. Dit zijn dezelfde elementen die in het arrest FS zijn opgenomen, namelijk: de duur van de afwezigheid, een verzoek om schrapping uit het bevolkingsregister, de beëindiging van een huurovereenkomst, uitschrijving bij een dienst om arbeidsbemiddeling of de beëindiging van andere relaties die een zekere integratie van de Unieburger in Nederland veronderstellen.
De rechtbank begrijpt dat voor personen zonder vaste woon- of verblijfplaats, zoals eiser, veel van deze omstandigheden niet van toepassing zijn. In deze gevallen dient dan ook meer gewicht toe te komen aan de duur van de afwezigheid. Een zeer korte afwezigheid van enkele dagen of zelfs enkele uren is hierbij in elk geval niet voldoende. Uit het arrest FS volgt ook dat rekening moet worden gehouden met aanwijzingen dat de Unieburger tijdens de periode van afwezigheid het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft verweerder de elementen die in het arrest FS genoemd zijn niet nader te specificeren bij het opleggen van de verwijderingsmaatregel. Een eventueel nieuw verblijf van eiser in Nederland is namelijk een onzekere toekomstige gebeurtenis. Eiser heeft immers Nederland nog niet verlaten, en de toets of zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief is beëindigd vindt pas plaats wanneer hij eerst Nederland zou verlaten en vervolgens terug zou keren en hier opnieuw wenst te verblijven. Deze toets is casuïstisch en hangt af van de omstandigheden op dat moment. De rechtbank zoekt met het voorgaande aansluiting bij eerdere uitspraken over deze rechtsvraag.
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft onderbouwd dat er geen aanleiding is om een vertrektermijn langer dan één maand op te leggen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat zijn belangen een langere vertrektermijn rechtvaardigen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.