[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser),
v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Sivridag als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1977 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij beoogt verblijf bij zijn gestelde partner, [naam] (referente). Referente heeft de Litouwse nationaliteit en is werkzaam in Nederland. Eiser en referente stellen sinds januari 2024 samen te wonen.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. De aanvraag is afgewezen omdat niet is aangetoond dat eiser en referente een duurzame relatie hebben. De overgelegde stukken zijn daartoe onvoldoende. Zo blijkt uit gegevens van de BRP, de huurovereenkomst en de overgelegde poststukken dat eiser en referente sinds 9 april 2024 op hetzelfde adres zijn ingeschreven, maar is daarmee niet aangetoond dat zij daadwerkelijk samenwonen, een gezamenlijke huishouding voeren en een duurzame relatie onderhouden. Uit de afschriften van de bankrekeningen van eiser en referente kan niet worden opgemaakt dat zij gezamenlijke financiële verplichtingen hebben en dat er huur wordt betaald voor de woning die zij samen in [plaats 1] huren. Ook blijkt uit de afschriften dat eiser en referente boodschappen doen in [plaats 2] en niet in [plaats 1]. Verder zijn de overgelegde relatieverklaring, de overgelegde foto’s en de brief van de dochter van referente onvoldoende om de duurzame relatie te onderbouwen omdat deze niet afkomstig zijn van een objectieve bron. Nu er geen sprake is van gezinsleven en eiser zijn privéleven heeft opgebouwd terwijl hij geen rechtmatig verblijf had, is er geen sprake van een schending van artikel 8 van het EVRM.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een duurzame relatie en van familieleven met referente. Eiser en referente hebben al lange tijd een relatie, wonen al lange tijd samen en voeren een gezamenlijke huishouding. Dat blijkt uit het geheel van de overgelegde bewijsstukken. Verweerder heeft onvoldoende waarde gehecht aan de overgelegde stukken en de stukken onvoldoende in samenhang beoordeeld. Verder had verweerder eiser en referente moeten horen alvorens te beslissen op het bezwaar, met name nu er getwijfeld wordt aan het bestaan van de relatie ondanks de overgelegde bewijsstukken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Referente is een Unieburger en heeft rechtmatig verblijf in Nederland op grond van het Unierecht. Familieleden van een Unieburger, waaronder de ongehuwde partner met wie de Unieburger een duurzame relatie heeft, mogen zich onder voorwaarden bij hen voegen. Verweerder neemt het bestaan van een duurzame relatie aan wanneer de burger van de Unie en de ongehuwde partner voorafgaand aan het moment van de aanvraag of op het moment van beslissen, gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en gedurende die termijn feitelijk hebben samengewoond. De rechtbank overweegt dat het daarbij in beginsel aan eiser is om te onderbouwen dat sprake is van een duurzame relatie.
De rechtbank stelt vast dat eiser ter onderbouwing van de duurzame relatie verschillende bewijsstukken heeft overgelegd. Volgens hem blijkt uit die stukken zonder meer dat hij en referente op hetzelfde adres in de BRP staan ingeschreven, dat ze gezamenlijk een huurovereenkomst zijn aangegaan voor dit adres en dat het betreffende adres ook daadwerkelijk door hen wordt gebruikt. Verder heeft eiser gewezen op diverse foto’s waarop zij gezamenlijk te zien zijn en onder meer inzicht gegeven in hun beider bankrekeningen. De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder zo, dat uit de overgelegde stukken volgens verweerder weliswaar volgt dat eiser en referente al langere tijd op hetzelfde adres zijn ingeschreven, maar dat dit voornamelijk een administratieve onderbouwing van hun relatie is en dat dat onvoldoende is om een duurzame relatie aan te nemen. Hoewel het aan eiser is om het bestaan van een duurzame relatie te onderbouwen, is de rechtbank met eiser van oordeel dat verweerder een hoorzitting niet achterwege heeft kunnen laten. Eiser heeft hier uitdrukkelijk om verzocht en erop gewezen dat hij daar belang bij heeft, wat gelegen is in het gestelde familieleven met referente. Gelet op het geheel aan overgelegde stukken en het standpunt van verweerder dat deze stukken enige onderbouwing bieden van de relatie en het samenwonen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval niet af heeft kunnen zien van het horen van eiser in de bezwaarfase. De hoogste bestuursrechter heeft immers overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. De hoogste bestuursrechter wijst er daarbij op dat dit uitgangspunt te meer geldt in zaken waarin verweerder beslissingsruimte heeft, de beslissing sterk afhankelijk is van individuele omstandigheden en er een belangenafweging moet worden gemaakt, zoals in zaken waarin artikel 8 EVRM-aspecten aan de orde zijn. Daar is in dit geval sprake van. Het horen van eiser had meer inzicht kunnen geven in hoe de bewijsstukken het bestaan van de gestelde relatie, de samenwoning en de gezamenlijke huishouding onderbouwen. Ook had verweerder bijvoorbeeld kunnen vragen om een toelichting op de bankafschriften.
Verweerder heeft eiser ten onrechte niet gehoord. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:2 van de Awb.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak.
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,-.
9. Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.