Beschikking op het op 28 augustus 2024 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K.H. de Vries te Capelle aan den IJssel.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.V. Paniagua te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- de brief met bijlagen van 4 november 2025 van de zijde van de moeder;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek.
De minderjarige [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 12 november 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader en de moeder met hun advocaten. Van de zijde van de moeder is is op de zitting, met instemming van de advocaat van de vader, het petitum van het zelfstandig verzoek aangevuld en in die zin gewijzigd. Namens de Raad voor de Kinderbescherming is [naam] verschenen.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
- [minderjarige] verblijft bij de moeder.
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift strekt tot:
- vaststelling van de mondeling tussen partijen overeengekomen omgangsregeling, met een kleine wijziging/aanvulling, waarbij:
a. [minderjarige] één keer per 14 dagen (in de even weken) van vrijdag 18.00 uur t/m zondag 18.00 uur bij de vader verblijft;
b. de vader [minderjarige] op vrijdag 18.00 uur bij de moeder ophaalt en de moeder [minderjarige] op zondag om 18.00 uur bij de vader (in [plaats] ) ophaalt;
c. in de even jaren [minderjarige] 1e kerstdag bij moeder, 2e kerstdag bij vader verblijft en in de oneven jaren 1e kerstdag bij vader en 2e kerstdag bij moeder verblijft;
d. oud en nieuw jaarlijks in overleg wordt verdeeld;
e. [minderjarige] in de zomervakantie, in overleg tussen partijen, 3 weken aaneengesloten bij de vader verblijft;
- te bepalen dat partijen als ouders van [minderjarige] gezamenlijk met het ouderlijk gezag over hem belast zullen zijn vanaf de datum van de te wijzen beschikking;
- te bepalen dat de moeder tweewekelijks, de vader per e-mail op de hoogte stelt
omtrent gewichtige aangelegenheden aangaande de minderjarige waarbij de moeder in ieder geval betrekt de medische situatie, de schoolsituatie en/of opvang en lichamelijke ontwikkeling, een en ander uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt een contact- en omgangsregeling als volgt vast te stellen:
- [minderjarige] verblijft één keer per 14 dagen (in de even weken) van vrijdag 18.00 uur t/m zondag 18.00 uur bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] haalt en brengt naar de moeder en [minderjarige] maximaal om 18.00 uur thuisbrengt bij de moeder;
- [minderjarige] is altijd op eerste en tweede kerstdag bij de moeder. Subsidiair kan de moeder zich erin vinden als [minderjarige] op tweede kerstdag vanaf de middag 14.00 uur tot de volgende dag 18.00 uur bij de vader verblijft;
- oud & nieuw is [minderjarige] bij de moeder;
- de meivakantie wordt bij helfte verdeeld waarbij [minderjarige] de eerste week bij de moeder verblijft en de tweede week bij de vader;
- de studiedagen worden door ouders bij helfte verdeeld waarbij de moeder elk jaar, zodra het overzicht beschikbaar wordt gesteld een overzicht daarvan en een concreet voorstel tot verdeling naar de vader mailt en de vader binnen 2 weken na ontvangst een reactie naar moeder stuurt. Indien de vader geen reactie geeft, dan staat de verdeling van de jaarlijkse studiedagen vast zoals door de moeder vastgesteld;
- de vader haalt en brengt [minderjarige] bij en naar de moeder.
Voorwaardelijk, indien het verzoek van vader tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen:
- een informatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder, vader eenmaal in de drie maanden schriftelijk over de belangrijke aangelegenheden in het leven van de minderjarige informeert.
Op de zitting heeft de moeder het zelfstandig verzoek aangevuld en ook verzocht te bepalen dat:
De vader heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek.
Beoordeling
Omgang
Reguliere omgangsregeling
De ouders zijn het erover eens dat [minderjarige] één keer per 14 dagen (in de even weken) van vrijdag 18.00 uur t/m zondag 18.00 uur bij de vader verblijft. De ouders zijn het niet eens over het halen en brengen van [minderjarige] in deze weekenden. De vader is van mening dat het halen en brengen tussen de ouders moet worden afgewisseld. De moeder is van mening dat de vader [minderjarige] moet brengen en halen omdat zij alle dagen dat [minderjarige] niet bij zijn vader is, de zorg over hem en haar twee andere kinderen heeft. Het is voor haar praktisch onmogelijk om tijdens de omgangsweekenden [minderjarige] op zondagmiddag naar [plaats] te brengen. Bovendien, zo voert de moeder aan, is het een keuze van de vader geweest om zo ver weg te gaan wonen.
De rechtbank is van oordeel dat het halen en brengen tijdens de omgangsweekenden door de vader moet worden gedaan. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de moeder veruit het grootste deel van de zorgtaken voor [minderjarige] op zich neemt. De moeder heeft op zitting uitgelegd welke praktische problemen het met zich zou brengen als zij [minderjarige] zou moeten brengen of halen en dat deze taak bovenop de taken komt die zij in haar eentje heeft bij de zorg voor drie kinderen. Daarbij komt dat de vader heeft gezegd dat hij [minderjarige] op vrijdag uit zijn werk ophaalt en op zondag terugbrengt zonder dat dit hem praktische problemen oplevert.
De rechtbank zal de omgangsregeling vastleggen zoals door de ouders is afgesproken.
De rechtbank merkt daarbij op dat deze regeling ook betekent dat van de vader mag worden verlangd dat hij [minderjarige] op zaterdag naar voetbal brengt als dat aan de orde is en dat hij ook zijn verantwoordelijkheid neemt om [minderjarige] op zaterdag of zondag naar activiteiten te brengen die [minderjarige] gepland heeft en die belangrijk voor hem zijn.
Kerstdagen en oud- en nieuw
De vader verzoekt een verdeling van de kerstdagen en oud- en nieuw. Volgens de vader is het in het belang van [minderjarige] om zo'n belangrijke feestdag met zijn vader en zijn gezin door te kunnen brengen. De vader legt zich erbij neer dat [minderjarige] op eerste kerstdag bij de moeder is, maar wil het tijdstip dat [minderjarige] op tweede kerstdag naar hem komt, vervroegen naar 10.00 uur.
De moeder stelt dat [minderjarige] eraan gewend is om deze feestdagen thuis met de moeder en zijn broers te vieren en dat het niet in zijn belang is dat hierin nu verandering komt. De broers zijn erg hecht met elkaar en zij zullen elkaar missen op deze dagen. Subsidiair kan de moeder zich erin vinden als [minderjarige] op tweede kerstdag vanaf de middag bij de vader verblijft. De moeder merkt op dat zij en haar familie altijd eerste kerstdag vieren en op tweede kerstdag ook altijd een kerstontbijt hebben en dat zij wil dat de situatie blijft zoals die nu is.
Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat [minderjarige] al meerdere jaren op tweede kerstdag vanaf 14.00 uur bij de vader is. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is als hij een van de kerstdagen met zijn vader kan doorbrengen en daar heeft [minderjarige] ook recht op. De rechtbank zal bepalen dat de omgang op tweede kerstdag zal beginnen om 10.00 uur.
Voor wat betreft oud en nieuw begrijpt de rechtbank dat [minderjarige] het leuk vindt om deze feestdag met zijn broers te vieren, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft hij er hiernaast recht op en belang bij dat hij deze dagen ook in het gezin met zijn vader kan vieren. De rechtbank zal daarom bepalen dat het vieren van oud en nieuw om en om zal worden verdeeld tussen de ouders en zal bepalen dat [minderjarige] in de oneven jaren bij de moeder en in de even jaren bij de vader zal zijn. Daarbij is bepalend het jaartal van 31 december bepalend. 31 December 2025 is dus oud en nieuw in een oneven jaar.
Zomervakantie
De vader heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] in de zomervakantie, in overleg tussen partijen, drie weken aaneengesloten bij de vader verblijft.
De moeder heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] de eerste helft van de zomervakantie standaard bij de moeder is en het tweede deel van de vakantie standaard bij de vader is.
Zoals ter zitting is besproken lopen de schoolvakanties in de regio’s waar respectievelijk de vader en de moeder wonen niet gelijk. Dat brengt mee dat een verdeling waarbij [minderjarige] drie aaneengesloten weken bij iedere ouders is, niet zonder meer mogelijk is omdat beide ouders ook nog andere kinderen hebben en zij als gezin op vakantie willen gaan.
De rechtbank ziet hierin aanleiding te bepalen dat de ouders de zomervakantie in onderling overleg bij helfte dienen te verdelen, waarbij het uitgangspunt is dat beide ouders tenminste twee weken aaneengesloten met hun gezin inclusief [minderjarige] op vakantie kunnen gaan.
De rechtbank gaat ervan uit dat het traject ouderschapsbemiddeling waarnaar de ouders bij deze beschikking worden verwezen, behulpzaam zal zijn om het overleg over de verdeling van de zomervakantie tussen de ouders constructief te laten verlopen.
Studiedagen en verjaardag [minderjarige]
De vader heeft er op zitting mee ingestemd dat [minderjarige] zijn verjaardag ieder jaar bij de moeder zal vieren. De rechtbank zal dit vastleggen. Dit betekent dat de ouders hiermee zo nodig rekening moeten houden bij de verdeling van de zomervakantie.
Ten aanzien van de studiedagen zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] de studiedagen grenzend aan een omgangsweekend bij de vader zal doorbrengen. De rest van de studiedagen dienen de ouders in onderling overleg te verdelen.
Meivakantie
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder om de meivakantie bij helfte te verdelen toe. Partijen zullen in onderling overleg per jaar afspraken moeten maken over de vraag of [minderjarige] in de eerste of in de tweede bij zijn vader is.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek wordt slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De rechtbank stelt voorop dat uitgangspunt van de wetgever is dat het in het belang van het kind is dat het gezag zo mogelijk gezamenlijk door beide ouders wordt uitgeoefend en dat slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat één van de ouders met het gezag is belast.
Standpunt vader
Volgens de vader is er geen sprake van een van de (afwijzings)gronden genoemd in artikel 1:253c lid 2 BW. De vader voegt daar aan toe dat het feit dat de communicatie tussen partijen niet (altijd) goed verloopt volgens vaste rechtspraak niet zonder meer met zich brengt dat het verzoek om gezamenlijk ouderlijk gezag wordt afgewezen. De vader staat er nog steeds voor open om in overleg nadere afspraken over [minderjarige] te maken. Volgens de vader is er absoluut geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] door het gezamenlijk ouderlijk gezag klem of verloren raakt tussen de ouders of afwijzing anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
Standpunt moeder
Volgens de moeder is er tussen haar en de vader geen sprake van een situatie waarin uitsluitend een goede communicatie ontbreekt. De moeder en de vader hebben nauwelijks contact en als er contact is inzake de uitvoering van de omgangsregeling, dan verzanden de moeder en de vader altijd in discussies en komt er niets van de grond. De moeder is daarom van mening dat het niet in het belang van [minderjarige] is als de vader tevens het gezag uitoefent. Het verleden heeft volgens de moeder laten zien dat vader geen stabiele factor is in het leven van [minderjarige] . De moeder is van mening dat zij en de vader nog niet op een punt staan dat zij in staat kunnen worden geacht om constructief beslissingen te nemen over de minderjarige en daarin gezamenlijk een knoop te kunnen doorhakken. De moeder vreest daarom dat [minderjarige] klem zal geraken tussen zijn ouders.
Aanhouden
De rechtbank zal een beslissing ten aanzien van het gezag aanhouden. De rechtbank wil de resultaten van het traject ouderschapsbemiddeling dat de ouders gaan volgen afwachten voordat er een beslissing over het gezag wordt genomen.
Verwijzing ouderschapsbemiddeling
Gelet op de dynamiek tussen de ouders en de wijze van communiceren, is op de zitting met de ouders gesproken over een hulpverleningstraject om zo de situatie in het belang van [minderjarige] te verbeteren.
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
De rechtbank zal een beslissing ten aanzien van het gezag en de informatieregeling aanhouden in afwachting van de resultaten van dit traject. De rechtbank ziet aanleiding om een voorlopige informatieregeling vast te stellen die gedurende het traject alvast kan worden uitgevoerd.
Voorlopige informatieregeling
De rechtbank zal een voorlopige informatieregeling vastleggen in afwachting van de beslissing over het al dan niet toekennen van het gezamenlijk gezag. De moeder is op grond van 1:377b BW verplicht de vader op de hoogte te houden omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind. Op grond daarvan en omdat het in het belang van [minderjarige] is, zal de rechtbank bepalen dat de moeder de vader voorlopig maandelijks informeert over het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] . Zo is de vader goed op de hoogte van wat er speelt in het leven van [minderjarige] en kan hij daarop tijdens de omgang met [minderjarige] inspelen. Na afloop van het traject zal de rechtbank een beslissing nemen over het gezag en in dat licht kan dan worden bezien welke informatieregeling het meest in het belang van [minderjarige] is.
Proceskosten
Nu de procedure zal worden aangehouden voor wat betreft een beslissing over het gezag en de informatieregeling zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de proceskosten ook aanhouden.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ,
één keer per 14 dagen (in de even weken) van vrijdag 18.00 uur t/m zondag 18.00 uur bij de vader zal zijn, waarbij de vader het halen en brengen van [minderjarige] voor zijn rekening neemt;
bepaalt dat [minderjarige] ieder jaar op tweede kerstdag vanaf 10 uur en in de even jaren, waarbij het jaartal van 31 december bepalend is, met oud en nieuw bij de vader zal zijn;
bepaalt dat [minderjarige] bij de vader is op studiedagen die aansluiten op een omgangsweekend dat hij bij de vader doorbrengt en dat de ouders de overige studiedagen in onderling overleg verdelen;
bepaalt dat de ouders de zomervakantie in onderling overleg bij helfte dienen te verdelen, waarbij het uitgangspunt is dat beide ouders tenminste twee weken aaneengesloten met hun gezin inclusief [minderjarige] op vakantie kunnen;
bepaalt dat [minderjarige] zijn verjaardag ( [datum] ) bij de moeder doorbrengt;
bepaalt dat [minderjarige] in de meivakantie één week bij de vader is en één week bij de moeder;
bepaalt dat de moeder voorlopig maandelijks, de vader per e-mail op de hoogte stelt
omtrent gewichtige aangelegenheden aangaande de minderjarige waarbij de moeder in ieder geval betrekt de medische situatie, de schoolsituatie en/of opvang en lichamelijke ontwikkeling;
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] , (de vader)
wonende te [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats 1] , [gemeente] ,
en
[de moeder] , (de moeder)
wonende te [adres 2] , [postcode 2] [woonplaats 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat partijen de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
bepaalt dat de moeder met ingang van heden de vader voorlopig maandelijks per e-mail informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] en verklaart deze informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de informatieregeling en de proceskosten aan tot 15 juni 2026 pro forma.