uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S. Igdeli),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 december 2024 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
De rechtbank heeft beroep, samen met de voorlopige voorziening, op 3 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Is er sprake van een motiveringsgebrek?
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit om zijn aanvraag niet in behandeling te nemen in stand blijft. Hieronder wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek op 9 september 2024 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
4. Eiser stelt dat de minister in zijn besluit niet heeft gereageerd op zijn verklaring over de mishandeling in Bulgarije. Zijn ervaringen komen overeen met hetgeen wordt gerapporteerd over de behandeling van asielzoekers in Bulgarije. De minister had dit moeten betrekken in zijn beslissing.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een motiveringsgebrek. De minister is in zijn overwegingen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel gemotiveerd ingegaan op de feiten en omstandigheden die eiser heeft aangevoerd. Hij is daarbij tot een andere conclusie gekomen dan eiser en heeft overwogen dat eiser bij de Bulgaarse autoriteiten kan klagen over hetgeen hem is overkomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije?
5. Eiser betoogt dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije. Uit recente informatie die niet is betrokken in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt dat er systematische tekortkomingen zijn in de opvangvoorzieningen in Bulgarije. Er is sprake van overbevolking, geweld en een gebrek aan noodzakelijke voorzieningen en er worden aan de Turks-Bulgaarse grens pushbacks uitgevoerd. Hieruit blijkt dat Bulgarije zich niet houdt aan de Europese richtlijnen. Eiser is mishandeld en heeft 20 dagen in detentie gezeten onder erbarmelijke omstandigheden die niet voldoen aan de internationale standaarden. De taalbarrière en het gebrek aan juridische ondersteuning maken het voor eiser onmogelijk om hierover te klagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Het kan dan ook niet worden uitgesloten dat eiser na zijn overdracht in een situatie terechtkomt die in strijd is met artikel 4 Handvest EU en artikel 3 van het EVRM.
De minister stelt zich op het standpunt dat voor Bulgarije wel kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit blijkt uit meerdere uitspraken van de Afdeling. De omstandigheden in detentie en de opvangcentra, waaronder de toegang tot medische hulp zoals die blijken uit AIDA rapport en het document van Vluchtelingenwerk zijn hierin betrokken. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van systeemgerelateerde tekortkomingen in Bulgarije. Eiser is daar niet in geslaagd. Uit de aangehaalde citaten en de verklaringen van eiser dat hij is mishandeld blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asielsysteem in Bulgarije en/of dat hierover niet kan worden geklaagd bij de Bulgaarse autoriteiten. Eiser heeft ook niet geprobeerd te klagen. Er zijn geen aanknopingspunten dat Dublinterugkeerders in Bulgarije geen toegang hebben tot opvang. De Bulgaarse autoriteiten hebben met het claimakkoord toegezegd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen.
In haar uitspraak van 27 juni 2024 gaat de Afdeling uitvoerig in op het gestelde in het AIDA rapport over 2023. De hierin genoemde omstandigheden, waaronder de mogelijkheid om niet-kwetsbare Dublinclaimanten na hun overdracht uit te sluiten van opvang, leiden niet tot de conclusie dat de asielprocedure in Bulgarije fundamentele systeemfouten bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawo. Hierbij hecht Afdeling waarde aan het feit dat tegen de uitsluiting van opvangvoorzieningen van Dublinclaimanten een rechtsmiddel openstaat en dat niet op voorhand kan worden aangenomen dat de Bulgaarse autoriteiten eiser niet zouden willen of kunnen helpen. De Afdeling heeft recent en bij herhaling bevestigd, voor het laatst op 3 februari 2025, dat voor Bulgarije kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De rechtbank volgt de minister in haar standpunt en oordeelt dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet tot een andere de conclusie leidt. De aangehaalde documentatie van Medical Volunteers en het UNHCR is van latere datum dan de uitspraak van 27 juni 2024. De omstandigheden waarover in die documenten is gerapporteerd zijn echter niet anders of erger dan de informatie waar de Afdeling vanuit is gegaan en onderbouwen dus niet de stelling dat er sprake is van systeemgerelateerde tekortkomingen in de Bulgaarse opvangvoorzieningen. Ook hetgeen eiser heeft aangevoerd over wat hij heeft meegemaakt verandert dit beeld niet. Eiser had hierover kunnen klagen bij de Bulgaarse autoriteiten, maar heeft dit niet gedaan. Dat hij juridische bijstand had verwacht tijdens zijn detentie, maakt niet dat hij die ook had moeten krijgen. De Procedurerichtlijn verplicht Bulgarije niet tot het verlenen van kosteloze rechtsbijstand in de bestuurlijke fase. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister de asielaanvraag onverplicht moeten behandelen?
6. Eiser stelt dat de minister, gelet op zijn bijzondere individuele omstandigheden toepassing had moet geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser kampt met medische problemen waarvoor hij hulp nodig heeft. Hij is kortademig en heeft last van zijn been. De hulp die hij daarvoor nodig heeft kan hij, zo blijkt uit het rapport van Medical Volunteers, in Bulgarije niet krijgen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij de asielaanvraag van eisers niet vrijwillig aan zich hoefde te trekken. De minister heeft overwogen dat eiser zijn klachten niet met medische documenten heeft onderbouwd en er geen aanwijzingen zijn dat Nederland het meest geschikte land is om zijn klachten te behandelen. Uit het rapport van Medical Volunteers blijkt, anders dan eiser stelt, dat in de opvangcentra in Bulgarije medische basiszorg beschikbaar is. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat en waarom zijn klachten in Bulgarije niet behandeld kunnen worden en sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser tot een onevenredige hardheid zou leiden. Eiser is daar niet in geslaagd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van der Lee, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.