Wijziging alimentatie
Beschikking op het op 30 april 2024 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A.J. Hendriks te Maasdijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. Hoste te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift van 10 september 2024 van de vrouw;
de brief met bijlagen van 23 april 2025 van de man;
het F9-formulier met bijlagen van 6 mei 2025 van de vrouw;
het F9-formulier met bijlagen van 8 mei 2025 van de man.
Op 16 mei 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Beide partijen hebben pleitnotities overgelegd.
Op de zitting hebben partijen voorwaardelijke afspraken gemaakt, vastgelegd in het proces-verbaal van 16 mei 2025. Als partijen op 11 juli 2025 om wat voor reden ook geen uitvoering hadden gegeven aan deze afspraken, kwamen deze te vervallen en zou de rechtbank uitspraak doen. Op 11 juli 2025 heeft de advocaat van de vrouw de rechtbank bericht dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan de afspraken.
Feiten
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2009 tot [datum 2] 2019.
Bij beschikking van deze rechtbank van 13 maart 2018 is als voorlopige voorziening een door de man te betalen partneralimentatie van € 4.097,- bruto per maand vastgesteld.
Bij beschikking van deze rechtbank van € 14 mei 2018 is de voorlopige voorziening gewijzigd naar een door de man te betalen partneralimentatie van € 2.654,- bruto per maand.
Bij beschikking van deze rechtbank van 10 januari 2019 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is een door de man te betalen partneralimentatie vastgesteld van € 1.888,- bruto per maand.
Bij beschikking van 27 mei 2020 van het gerechtshof Den Haag is de beschikking van deze rechtbank van 10 januari 2019 ten aanzien van de partneralimentatie vernietigd en is een door de man te betalen partneralimentatie van € 161,- bruto per maand vastgesteld.
Bij beschikking van deze rechtbank van 3 augustus 2021 is de partneralimentatie gewijzigd en is bepaald dat de man:
o van [datum 2] 2019 tot en met 31 december 2019 € 6.476,- per maand dient te betalen;
o van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 € 6.638,- per maand dient te betalen; en
o per 1 januari 2021 € 6.837,- per maand dient te betalen.
Het gerechtshof Den Haag heeft de beschikking van 3 augustus 2021 op 14 december 2022 bekrachtigd.
Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen partneralimentatie sinds 1 januari 2025 € 8.148,- per maand.
Verzoek en verweer
De man verzoekt:
de beschikking wijziging voorlopige voorzieningen van 14 mei 2018 van deze rechtbank te wijzigen, in die zin dat de te betalen bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 21 februari 2018 op nihil wordt gesteld;
de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 14 december 2022 te wijzigen, in die zin dat de te betalen bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van [datum 2] 2019 op nihil wordt gesteld;
te bepalen dat indien de man enig bedrag heeft betaald uit hoofde van de onderhoudsverplichting zoals in voornoemde beschikkingen is bepaald, de vrouw dit als onverschuldigd betaald dient terug te betalen aan de man,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De man verzoekt de partneralimentatie met terugwerkende kracht op nihil te bepalen. Hij doet dit ook voor de bij voorlopige voorziening vastgestelde partneralimentatie. Omdat de wettelijke criteria voor wijziging van een voorlopige voorziening anders zijn dan die voor wijziging van partneralimentatie na het huwelijk, zal de rechtbank deze apart beoordelen.
Wijziging voorlopige voorziening 14 mei 2018
Artikel 824 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat een voorlopige voorziening kan worden gewijzigd als de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het geven van de beschikking van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het moet gaan om zodanige wijzigingen of onjuiste of onvolledige gegevens dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.
De vrouw heeft naar voren gebracht dat een verzoek tot wijziging van een voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan als deze voorlopige voorziening nog van kracht is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt niet juist en is een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen niet aan een bepaalde termijn gebonden. Wel kan het tijdsverloop een rol spelen in de weging van belangen die maken of de voorziening wel of niet in stand kan blijven.
De man vindt dat de rechtbank er in de beschikking onterecht van uit is gegaan dat hij zich als DGA van [de onderneming] B.V. (hierna: de onderneming) een bedrag van € 50.000,- aan salaris kon laten uitkeren. In dit kader wijst de man erop dat de onderneming volgens de jaarrekeningen van 2017 en 2018 een verlies heeft geleden.
Naar het oordeel van de rechtbank is in de beschikking van 14 mei 2018 niet uitgegaan van onjuiste gegevens. De rechtbank heeft in de beschikking overwogen dat de onderneming in 2017 veel vastgoed heeft verkocht, met een verkoopopbrengst van € 991.000,- (na aflossing van hypotheken). Volgens de jaarrekening 2017 is vervolgens voor € 666.622,- in nieuw vastgoed geïnvesteerd. Wat met de overige € 324.378,- is gedaan, is niet goed terug te vinden in de jaarrekening. Met zo’n positief resultaat, is niet goed verklaarbaar dat de onderneming verlies leed. Bovendien is in de jaarrekening van 2017 een “dotatie onverdeelde winst” van € 80.316,- opgenomen, wat een uitkering aan de man (of in ieder geval de mogelijkheid daartoe) doet vermoeden.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank ook achteraf bezien dat de man in staat moet zijn geweest om zichzelf als DGA een salaris van € 50.000,- uit te laten keren, zonder dat dit de stabiliteit van de onderneming in gevaar bracht. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat in de beschikking van 14 mei 2018 niet is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, waardoor de voorziening niet in stand kan blijven. Dit verzoek van de man wordt daarom afgewezen.
Wijziging beschikking gerechtshof 14 december 2022
Onjuiste of onvolledige gegevens
Artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een rechterlijke uitspraak waarin partneralimentatie is vastgesteld kan worden gewijzigd als zij van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Het gerechtshof heeft in de beschikking van 14 december 2022 geoordeeld dat de man zijn inkomens-en vermogenspositie niet, althans niet voldoende, inzichtelijk heeft gemaakt. Zo had de man geen aanslagen inkomstenbelasting overgelegd en geen duidelijkheid verschaft over de aan- en verkoop van onroerend goed in Nederland en [land] en zijn huurinkomsten uit onroerend goed. Het gerechtshof heeft dit voor rekening van de man laten komen en geconcludeerd dat de man volledig kon voorzien in de behoefte van de vrouw. Daarmee staat vast dat in de uitspraak van 14 december 2022 van onvolledige gegevens is uitgegaan.
Het is vervolgens aan de man om in deze procedure aan te tonen dat de beschikking van 14 december 2022 niet aan de wettelijke maatstaven beantwoordde. De rechtbank concludeert dat de man daar niet in is geslaagd en legt dat hierna verder uit. De rechtbank gaat daarbij in op de door de man naar voren gebrachte standpunten over (i) de behoefte van de vrouw en (ii) de draagkracht van de man.
( i) De behoefte van de vrouw
De man betwist in deze procedure opnieuw de door de vrouw in 2019 gestelde behoefte. Hij gaat daarbij in op de door de vrouw opgestelde behoeftelijst. De rechtbank constateert dat dit een herhaling is van de discussie die in 2020 bij het gerechtshof is gevoerd. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 42 uit de beschikking van het gerechtshof van 27 mei 2020. Partijen leefden in goede welstand en hadden een hoge levensstandaard voordat zij uit elkaar gingen. Het gaat daarbij niet om de vraag of het ook voor minder kan, maar om de vraag wat partijen tijdens hun huwelijk gewend waren. De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van het gerechtshof op dit punt.
De man is er dus niet in geslaagd om aan te tonen dat de door het gerechtshof gehanteerde behoefte van de vrouw niet aan de wettelijke maatstaven beantwoordde.
( ii) De draagkracht van de man
De man heeft in deze procedure zijn aangiftes inkomstenbelasting van 2016 tot en met 2022 en de aanslagen inkomstenbelasting van 2017 tot en met 2022 overgelegd. Ook heeft hij van de onderneming de jaarrekeningen van 2016 tot en met 2022 en de aangiftes vennootschapsbelasting 2016 tot en met 2022 overgelegd. Uit deze stukken volgt volgens de man dat de onderneming slechts enkele jaren beperkt winst heeft gemaakt en dat de man weinig inkomen had.
De rechtbank constateert echter dat de door de man ingediende stukken geen realistisch beeld van de financiële positie van de man geven. Dit blijkt onder meer uit het volgende.
Omdat de man geen realistisch beeld van zijn financiële positie geeft, kan de rechtbank zijn draagkracht niet beoordelen. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat de beschikking van 14 december 2022 in dat opzicht niet aan de wettelijke maatstaven beantwoordde.
Wijziging van omstandigheden
Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een rechterlijke uitspraak waarin partneralimentatie is vastgesteld kan worden gewijzigd als zij door een wijziging in omstandigheden niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
De man stelt dat de vrouw meer is gaan verdienen en dat zij via een marktplaats account van haar dochter parfum verkoopt. De aanvullende behoefte van de vrouw zou daardoor zijn afgenomen. De vrouw heeft echter met recente salarisstroken laten zien dat zij niet relevant meer is gaan verdienen en betwist dat zij inkomsten uit de verkoop van parfum via marktplaats heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man ook niet geloofwaardig naar voren gebracht dat de vrouw inkomsten uit de verkoop van parfum via marktplaats heeft. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat de omstandigheden sinds de beschikking van 14 december 2022 zijn gewijzigd, waardoor de beschikking niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Conclusie
De conclusie is dat de alimentatie, zoals die is vastgesteld in de beschikking van de rechtbank van 3 augustus 2021 en in de beschikking van het gerechtshof van 14 december 2022 is bekrachtigd, in stand blijft.
Proceskosten
In iedere alimentatieprocedure wordt van partijen verwacht dat zij inzicht geven in hun financiële positie. In deze zaak geldt dat temeer, nu partijen al veel procedures hebben gevoerd waarin de man is tegengeworpen dat hij niet aan die verplichting voldeed. Toch heeft de man in deze procedure wederom geen goed inzicht in zijn financiële positie gegeven. Dit past bij het bredere beeld dat de vrouw naar voren heeft gebracht. De vrouw heeft een whatsapp bericht van de man aan de vrouw overgelegd, waarin de man zegt dat hij al zijn panden heeft verkocht en in [land] met ‘2.5 miljoen zakgeld’ rust. Ook heeft de vrouw whatsapp conversatie tussen de man en zijn zoon overgelegd. Daarin zegt de man onder andere: “Alimentatie hoef ik niet te betalen omdat ik nu in [land] woont.. alles is van mijn naam afgehaald”. Uit die conversatie blijkt ook dat de man zijn zoon op enig moment directeur van de onderneming heeft gemaakt, met het doel om aan zijn alimentatieplicht te ontkomen. De rechtbank rekent dit de man zwaar aan. Daarom zal de rechtbank hem in de proceskosten veroordelen.
De proceskosten van de vrouw worden begroot op:
Totaal: € 1.800,-
Beslissing
De rechtbank:
*
wijst de verzoeken af;
*
veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw begroot op € 1.800,-, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.
te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de man niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking wordt betekend, dan moet de man ook de kosten van betekening betalen;