RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/693579 / JE RK 25-1820
Datum uitspraak: 12 december 2025
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
hierna tezamen te noemen: de ouders,
samenwonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 oktober 2025.
Op 12 december 2025 is de zaak met gesloten deuren ter zitting behandeld in de vorm van een gecombineerde behandeling van zowel het onderhavige verzoek als de strafzaken bij de kantonrechter tegen zowel de vader (met parketnummer 09-197254-25) als [minderjarige] (met parketnummer 09-197242-25) wegens verdenking van overtreding van de Leerplichtwet . In de strafzaken is ter zitting mondeling uitspraak gedaan, waarvan een aantekening mondeling vonnis is gemaakt.
Bij de behandeling waren aanwezig:
[minderjarige] ;
[naam 1] , namens de Raad;
[naam 2] en [naam 3] , namens de gecertificeerde instelling;
[naam 4] , leerplichtambtenaar, als toehoorder;
mr. K. Bontenbal, officier van justitie, als toehoorder.
2. De feiten
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare informatie kan afleiden zijn de vader en de moeder belast met het ouderlijk gezag.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad motiveert het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt. De Raad heeft ernstige zorgen over een bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Sinds het schooljaar van 2023-2024 is er sprake van veel ongeoorloofd schoolverzuim. De Raad is bezorgd over de niet fysiek verklaarbare vermoeidheidsklachten en buikpijn van [minderjarige] . Ondanks de inzet van de school, leerplicht, vrijwillige hulpverlening en gesprekken met de ouders, is het niet gelukt om de schoolgang te verbeteren. De school heeft moeite contact te leggen met de ouders. Daarnaast heeft de Raad zorgen dat [minderjarige] zich thuis niet fijn/onveilig voelt vanwege ruzies met de ouders, waarbij geschreeuwd, gescholden en soms geslagen wordt. De Raad ziet een patroon waarin ouders ambivalent staan tegenover hulpverlening. Enerzijds hebben zij aangegeven open te staan voor hulpverlening, maar a nderzijds komt hulpverlening niet van de grond als die wordt ingezet en geven de ouders bij de Raad aan geen hulp nodig te hebben. Verder is de Raad bezorgd over de gemoedstoestand van [minderjarige] en of zij zich vrij kan uiten en haar (seksuele) identiteit kan ontwikkelen. Ondanks dat ouders ontkennen dat zij [minderjarige] willen uithuwelijken aan een man, gaan deze geruchten wel rond. De Raad kan zich voorstellen dat dit zorgt voor teruggetrokken gedrag van [minderjarige] . De Raad is bezorgd dat [minderjarige] mogelijk klem zit tussen haar traditionele Bulgaarse afkomst en de Nederlandse maatschappij. Mede vanwege de gespannen situatie lukt het ouders ook niet goed om [minderjarige] te ondersteunen bij haar schoolgang. Tijdens de zitting heeft de Raad aangevuld dat er na een moeilijke periode in het gezin een positieve ontwikkeling zichtbaar is. De Raad denkt dat het schoolverzuim een combinatie van factoren is geweest en is van mening dat een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar noodzakelijk is om passende hulpverlening voor [minderjarige] en intensieve systemische hulpverlening voor het gezin in te zetten.
4. De standpunten
De ouders zullen het verzoek aanvaarden en de beslissing van de kinderrechter opvolgen, maar zijn van mening dat een ondertoezichtstelling niet nodig is. [minderjarige] luistert goed naar haar ouders, gaat beter naar school en er zijn geen conflicten meer. De sfeer binnen het gezin is verbeterd. Daarnaast geven de ouders aan dat zij [minderjarige] nooit zullen laten trouwen tegen haar wil in.
Desgevraagd heeft de gecertificeerde instelling twijfels geuit over de noodzakelijkheid van een ondertoezichtstelling. Er wordt door zowel [minderjarige] , de ouders als de leerplichtambtenaar een positieve ontwikkeling binnen het gezin gezien. De gecertificeerde instelling denk dat de druk van een ondertoezichtstelling, ook naast het drukke schema van de ouders, weerstand kan opwekken. Er zijn wel zorgen over [minderjarige] , het advies van de gecertificeerde instelling is om in te zetten op een coach, een vertrouwenspersoon en het stabiliseren van de schoolsituatie. Dit kan gebeuren vanuit de jeugdreclassering. Eventueel kan de jeugdbescherming een stap zetten als er weer zorgen komen over de thuissituatie.
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde gronden voor ondertoezichtstelling niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Het is duidelijk dat er sprake is geweest van een moeilijke periode voor zowel [minderjarige] als de ouders. De zorgen over de schoolgang van [minderjarige] en de gezinsdynamiek zijn in de afgelopen periode echter aanzienlijk afgenomen. In het kader van de gecombineerde leerplichtzitting is besloten dat begeleiding zal worden geboden door een jeugdreclasseerder die [minderjarige] zal ondersteunen in haar schoolgang en dat een coach zal worden ingeschakeld waarmee [minderjarige] een vertrouwensband kan opbouwen. De kinderrechter heeft vertrouwen in de effectiviteit van deze hulpverlening en acht deze voldoende om de bestaande zorgen weg te nemen. Gezien de verbeterde situatie, het inzicht van de ouders in de problematiek en hun intentie om de voortgang te waarborgen, is de kinderrechter van oordeel dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging die een ondertoezichtstelling rechtvaardigt. Dit betekent dat het verzoek zal worden afgewezen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025 door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Grondel - van Casand als griffier, en op schrift gesteld op 5 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.