RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23597
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en
(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).
Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening (met zaaknummer NL25.23598), op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A.F.D. van den Broek. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Zij heeft op 30 juni 2022 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
Eiseres heeft aan haar asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres heeft Nigeria verlaten vanwege de onveilige situatie in dat land. De directe aanleiding voor haar vertrek was dat haar broer aanwezig was bij een demonstratie waarbij geweld werd gebruikt tegen burgers. Zelf is eiseres in Nigeria mishandeld door haar tante. Daarnaast is zij verkracht door de zoon van haar huurbaas en aangerand door twee andere mannen uit haar omgeving. Verder heeft zij, als christen, te maken gehad met discriminatie. Zij vreest ook voor de Fulani herders, die de middelen van bestaan en de gemeenschap bedreigen, en om slachtoffer te worden van illegale orgaanhandel. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiseres opnieuw te worden blootgesteld aan geweld.
Het bestreden besluit
Verweerder heeft de volgende relevante elementen vastgesteld en beoordeeld:
identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
problemen vanwege haar broer die bij een demonstratie was;
3. problemen met Fulani herders;
4. discriminatie en beperkingen als christen.
Verweerder heeft de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres (het eerste element) geloofwaardig geacht. De problemen vanwege haar broer (het tweede element) heeft verweerder ongeloofwaardig geacht. Ten aanzien van het derde element heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Nigeria te vrezen heeft voor ernstige schade door de Fulani herders. Ten aanzien van het vierde element heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geloofwaardig is dat eiseres als christen enige discriminatie heeft ervaren, maar dat niet geloofwaardig is dat die discriminatie zo ernstig was dat eiseres geen bestaan kon opbouwen. Eiseres heeft volgens verweerder ook niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Nigeria wel discriminatie zal ervaren die zo ernstig is dat zij geen bestaan kan opbouwen. Over de overige gebeurtenissen, waaronder de gendergerelateerde geweldsincidenten, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat die – hoewel die niet zijn aangemerkt als element – geloofwaardig zijn, maar dat niet aannemelijk is dat zij bij terugkeer naar Nigeria wederom slachtoffer zal worden van deze mannen.
Gelet op het voorgaande doet er zich volgens verweerder geen asielgrond voor als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarom, en omdat eiseres volgens verweerder kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Aan eiseres is geen terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd, omdat zij rechtmatig verblijf heeft als gevolg van de bevriezing van de gevolgen van het beëindigen van de facultatief geboden tijdelijke bescherming (op grond van Richtlijn 2001/55/EG).
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden.
Problemen met Fulani herders
4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat zij bij terugkeer geen risico loopt van de zijde van de Fulani herders. Dat zij zelf niet eerder problemen heeft gehad met de Fulani herders en dat haar moeder nog in hetzelfde gebied woont, maakt volgens eiseres niet dat zij geen risico loopt. Eiseres heeft uitgebreid verklaard over de onveilige situatie die door de Fulani herders werd veroorzaakt en die verklaringen worden ondersteund door landeninformatie, zo stelt eiseres.
De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van eiseres naar voren komt dat zij in Nigeria zelf nooit problemen heeft ondervonden van de Fulani herders. Wel heeft zij verklaard dat haar ouders, die boer zijn, enige problemen van de Fulani herders hebben ondervonden, in die zin dat hun gewassen werden vernield (p. 17 en 21 nader gehoor). Verweerder heeft er echter terecht op gewezen dat eiseres al vanaf 2016 (en eigenlijk al eerder) niet meer bij haar ouders in het plattelandsdorp Erah woonde, maar in de stad Ekpoma en zelf niets te maken had met landbouw. Gelet hierop en nu uit het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van januari 2023 (p. 14) blijkt dat de Fulani herders het vooral voorzien hebben op boeren, stelt verweerder terecht dat niet aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer naar haar laatste woonplaats in Nigeria (Ekpoma) een reëel risico loopt op geweld door de Fulani herders. Voor zover zou worden aangenomen dat eiseres moet terugkeren naar het dorp van haar moeder, heeft verweerder er terecht op gewezen dat de moeder van eiseres daar nog steeds woont en daaruit terecht afgeleid dat de problemen met de Fulani herders daar niet zo groot zijn dat het te onveilig is om daar te wonen. Daarbij komt dat eiseres niet heeft verklaard dat haar moeder ooit slachtoffer is geworden van fysiek geweld van de Fulani herders. Verder geldt dat in het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van januari 2023 weliswaar is vermeld dat er sprake is van toenemend geweld tussen de Fulani herders en boeren, maar dat daaruit niet blijkt dat de geweldtoepassing door de Fulani herders van dien aard en frequentie is dat alle boeren in Nigeria in het algemeen, of in het gebied rondom Erah in het bijzonder, een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van geweld door de Fulani herders.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van geweld van de Fulani herders. De beroepsgrond slaagt niet.
Problemen vanwege religie
5. Eiseres voert aan dat niet is gebleken dat dat het beleid in paragraaf C2/3.2.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is toegepast. Dat had wel gemoeten, nu eiseres heeft verklaard dat zij tot een religieuze minderheid behoort en problemen heeft gehad vanwege haar geloofsovertuiging.
Paragraaf C2/3.2.5.1 van de Vc gaat over vervolging vanwege godsdienst. Daarin is onder meer bepaald dat als een vreemdeling zich gedwongen voelt om zijn geloof terughoudend uit te oefenen vanwege de risico’s die hij anders loopt, sprake kan zijn van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiseres is – net als 48% van de Nigerianen (zie p. 46 van het Algemeen Ambtsbericht Nigeria 2023) – christen. Eiseres is tijdens het nader gehoor bevraagd over haar ervaringen als christen in het dorp Erah en in de stad Ekpoma (p. 20 en 21 nader gehoor). Over Ekpoma heeft eiseres verklaard dat ‘je daar niet echt problemen hebt als christen’. Over Erah heeft eiseres verklaard dat zij daar wel haat heeft ervaren. Gevraagd naar de wijze waarop zij haat heeft ervaren, heeft eiseres verklaard dat de gewassen van haar ouders zijn vernield. Met deze verklaring verwijst eiseres opnieuw naar de problemen met de Fulani herders. Uit het Algemeen Ambtsbericht Nigeria (p. 14) volgt echter dat de Fulani herders het niet specifiek hebben voorzien op christenen, maar op boeren die verschillende etnische/religieuze achtergronden hebben. Uit de verklaringen van eiseres blijkt verder niet dat zij in Nigeria zelf concrete problemen heeft ondervonden bij het uiten van haar religie en ook niet dat zij, om problemen te voorkomen, terughoudendheid heeft moeten betrachten bij het uitoefenen van haar religie. Er zijn door eiseres verder geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit blijkt dat zij na terugkeer naar Nigeria wel problemen zal ondervinden of terughoudendheid zal moeten betrachten bij de uiting van haar geloof.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder in het bestreden besluit, waarin wel degelijk een beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van paragraaf C2/3.2.5.1 van de Vc, terecht het standpunt ingenomen dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat zij bij terugkeer naar Nigeria een gegronde vrees heeft voor vervolging op grond van haar christelijke geloof. De beroepsgrond slaagt niet.
Gendergerelateerd geweld
6. Eiseres voert aan dat verweerder niet in overeenstemming met het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) heeft beoordeeld. Nu niet is betwist dat eiseres gendergerelateerd geweld heeft ervaren in Nigeria, had verweerder moeten beoordelen of eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt om opnieuw blootgesteld te worden aan gendergerelateerd geweld. Dat heeft verweerder ten onrechte nagelaten, terwijl uit de verklaringen van eiseres duidelijk volgt dat zij dit risico loopt.
Eiseres heeft verklaard dat zij in Nigeria slachtoffer is geworden van meerdere gendergerelateerde geweldsincidenten, waaronder verkrachting door de zoon van de huurbaas en twee aanrandingen door andere mannen. Verweerder heeft deze incidenten niet aangemerkt als apart element, maar – wat hiervan ook zij – verweerder heeft ten aanzien van deze incidenten vervolgens wel een geloofwaardigheidsbeoordeling en risico-inschatting verricht. Alle incidenten zijn door verweerder geloofd, maar verweerder leidt hieruit niet af dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt om opnieuw blootgesteld te worden aan gendergerelateerd geweld. Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder dus wel degelijk op dit punt een risico-inschatting verricht.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat die risico-inschatting ten onrechte in haar nadeel is uitgevallen. Verweerder heeft terecht gesteld dat de gendergerelateerde incidenten waar eiseres – spijtig genoeg – slachtoffer van is geworden lang vóór haar vertrek uit Nigeria hebben plaatsgevonden en dat eiseres na die incidenten nooit meer contact heeft gehad met de desbetreffende mannen. Gelet hierop stelt verweerder terecht dat niet aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer een gegronde vrees heeft of een reëel risico loopt om opnieuw slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld door de desbetreffende mannen. Verder geldt dat eiseres geen landeninformatie heeft aangedragen waaruit blijkt dat vrouwen in het algemeen, en alleenstaande christelijke vrouwen in het bijzonder, in Nigeria een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld. Hoewel uit het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van januari 2023 (p. 63-64), blijkt dat gendergerelateerd geweld veel voorkomt (vooral binnen de familie), blijkt daaruit niet dat dit op zo grote schaal plaatsvindt dat elke (alleenstaande christelijke) vrouw in Nigeria een verhoogd risico loopt op gendergerelateerd geweld.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Nigeria, als alleenstaande christelijke vrouw, een gegronde vrees heeft of een reëel risico loopt om opnieuw slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld. Dit standpunt is ook niet in strijd met het Verdrag van Istanbul. Uit (artikelen 60 en 61 van) dat Verdrag volgt dat een vrouw ten aanzien van wie is vastgesteld dat zij een gegronde vrees heeft voor gendergerelateerd geweld de vluchtelingenstatus moet worden toegekend en in overeenstemming met het beginsel van non-refoulement moet worden behandeld. Zoals uit het voorgaande volgt, heeft verweerder terecht gesteld dat eiseres die gegronde vrees bij terugkeer niet heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom asielgronden
7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat in hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er zich geen asielgrond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw voordoet. Hetgeen meer of overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft daarom terecht toepassing gegeven aan artikel 31, eerste lid, van de Vw, waarin staat dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond indien er zich geen asielgrond voordoet.
Kennelijke ongegrondheid
8. Verweerder heeft daarnaast besloten een ‘kennelijkheidsgrond’ toe te passen, te weten: artikel 30b, eerste lid, aanhef onder e, van de Vw. Daarin is bepaald dat verweerder een asielaanvraag kan afwijzen als kennelijk ongegrond indien de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een asielvergunning.
Eiseres bestrijdt dat deze ‘kennelijkheidsgrond’ zich voordoet. De rechtbank volgt eiseres in dit standpunt. Dit legt zij hierna uit.
Eiseres heeft tijdens het nader gehoor (in eerste instantie) verzwegen dat zij van 2018 tot 2021 in Maleisië heeft verbleven. Hoewel verweerder dit eiseres terecht kwalijk neemt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geoordeeld dat hierdoor de verklaringen van eiseres alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of zij in aanmerking komt voor asiel. Nog daargelaten dat dit verzwijgen slechts de geloofwaardigheid van het tweede element (waarvan het overigens maar de vraag is of dit terecht als een element is aangemerkt) raakt, overweegt de rechtbank dat verweerder een aanzienlijk deel van de verklaringen van eiseres heeft geloofd. Zo heeft verweerder, naast de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres, geloofwaardig geacht dat eiseres enige discriminatie heeft ondervonden, dat zij is verkracht door de zoon van de huurbaas, dat zij twee keer is aangerand, dat zij door haar tante is mishandeld en dat zij bijna is ontvoerd. Gelet hierop heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de ‘kennelijkheidsgrond’ van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw zich voordoet. Er is immers geen sprake van dat het asielrelaas, als gevolg van het feit dat eiseres haar verblijf in Maleisië heeft verzwegen, evident ongeloofwaardig is.
Gelet hierop en nu er in het bestreden besluit verder geen andere ‘kennelijkheidsgrond’ is tegengeworpen, heeft verweerder de asielaanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is, gelet op wat er onder 8. tot en met 8.3. is overwogen, gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 30b, eerste lid, van de Vw.
10. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Gelet op wat er is overwogen onder 7, ziet de rechtbank wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien. Zij doet dit door de asielaanvraag van eiseres af te wijzen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Voor het opleggen van een terugkeerbesluit bestaat geen aanleiding, nu verweerder reeds bij besluit van 10 juli 2025 een terugkeerbesluit, met een vertrektermijn van vier weken, heeft opgelegd. De rechtbank wijst er verder nog op dat vanwege de afwijzing van de asielaanvraag als ongegrond en de behandeling van de asielaanvraag in de verlengde procedure, de termijn voor het indienen van hoger beroep ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw vier weken bedraagt.
11. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- wijst de asielaanvraag af als ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.