Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/692605 / KG ZA 25-987
Vonnis in kort geding van 2 december 2025
in de zaak van
[de moeder] te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. R.G. Groen te Den Haag,
tegen:
[de vader] te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen worden in het navolgende respectievelijk de moeder en de vader genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de op 18 november 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij de moeder bijgestaan door haar advocaat, de vader (zonder advocaat), maar vergezeld van zijn dochter [naam 1] , en [naam 2] van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) zijn verschenen.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] (verder: [minderjarige] ).
De moeder heeft de Indonesische nationaliteit en de vader de Nederlandse.
Bij beschikking van 25 januari 2017 van deze rechtbank is de moeder geheel geschorst in de uitoefening van het gezag en is de vader met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast.
De moeder heeft op 25 maart 2025 een verzoek tot gezamenlijk gezag en vaststelling van een omgangs- c.q. zorgregeling bij deze rechtbank ingediend, dat onder zaak- en rekestnummer C/09/682349 FA RK 25-2189 in behandeling is.
3. Het geschil
De moeder vordert – zakelijk weergegeven – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te bepalen dat [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel in het kader van een omgangsregeling voorlopig bij de moeder zal zijn als volgt:
gedurende de eerste drie maanden: tweemaal per week voor de duur van drie uur;
na ommekomst van voornoemde drie maanden: gedurende een periode van drie maanden twee dagen per week van 10:00 uur tot 18:00 uur;
na ommekomst van voornoemde tweede termijn van drie maanden: eenmaal per twee weken een weekend van vrijdag 16:00 uur tot zondag 16:00 uur.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. Sinds juni 2024 heeft de moeder geen enkel contact meer met [minderjarige] . Ondanks meerdere pogingen om met de vader in gesprek te komen om de omgang tussen haar en [minderjarige] te hervatten, is dit niet gelukt. Nu [minderjarige] bovendien ziek is, maakt de moeder zich ernstige zorgen en wil ze graag weer contact met haar dochter.
De vader voert verweer. Tijdens de zitting heeft hij aangegeven altijd open te hebben gestaan voor contact tussen de moeder en [minderjarige] . In het verleden heeft er ook daadwerkelijk contact plaatsgevonden. Inmiddels is dit contact beëindigd omdat de moeder er, volgens de vader, zelf voor heeft gekozen weg te gaan en geen contact meer op te nemen. Op dit moment ervaart [minderjarige] volgens de vader zodanig veel weerstand bij het zien van de moeder dat omgang, naar zijn oordeel, niet in haar belang is.
4. De beoordeling van het geschil
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Partijen hebben tot juni 2024 een knipperlichtrelatie gehad. In die periode heeft de moeder [minderjarige] regelmatig gezien, ongeveer eens in de drie weken bracht zij een weekend door bij [minderjarige] en de vader. Sinds het uiteengaan van partijen is de moeder niet meer bij [minderjarige] en de vader geweest.
[minderjarige] is ziek geboren en ernstig lichamelijk en geestelijk beperkt. De vader zorgt al haar hele leven voor haar. Hij ontvangt hierbij geen ondersteuning van derden en [minderjarige] gaat evenmin naar een gespecialiseerde dagopvang. De vader en [minderjarige] zijn daardoor feitelijk 24 uur per dag, zeven dagen in de week samen.
De vader heeft ter zitting benadrukt dat [minderjarige] geen contact wil met de moeder. Hij heeft daarbij gewezen op de geagiteerde en afwijzende reactie van [minderjarige] op het zien van haar moeder ter zitting.
De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij zich zorgen maakt over de manier waarop de vader de volledige zorg voor [minderjarige] op zich neemt. Volgens de moeder vertrouwt de vader vrijwel niemand, waardoor hij niet openstaat voor hulp van buitenaf. Dit baart de moeder zorgen. Zij vreest dat, mocht er iets met de vader gebeuren zonder dat iemand daarvan op de hoogte is, er ook wat met [minderjarige] gebeurt, omdat zij dan alleen is. Juist daarom acht de moeder het van groot belang dat een omgangsregeling wordt opgestart, zodat [minderjarige] aan contact met de moeder kan wennen.
De Raad heeft tijdens de zitting het volgende geadviseerd. De situatie rondom [minderjarige] is op dit moment onvoldoende helder. Vaststaat dat zij nergens in behandeling is en dat er geen hulpverlening betrokken is. Ook is het onduidelijk op welk (denk)niveau [minderjarige] functioneert en wat zij aankan. De Raad acht het daarom noodzakelijk dat een onafhankelijke professional binnen het gezin gaat meekijken. Op die manier kan worden beoordeeld welke mogelijkheden er zijn met betrekking tot de omgang tussen de moeder en [minderjarige] , maar ook welke begeleiding of hulpverlening voor [minderjarige] geregeld kan worden.
De Raad adviseert om op dit moment geen omgangsregeling vast te leggen. In plaats daarvan acht de Raad het wenselijk om, vooruitlopend op de bodemprocedure, een raadsonderzoek te gelasten, zodat in kaart kan worden gebracht welke mogelijkheden er zijn ten aanzien van eventuele omgang tussen [minderjarige] en de moeder.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Zij sluit zich aan bij het advies van de Raad. Op dit moment is het niet in het belang van [minderjarige] om een omgangsregeling vast te leggen. Eerst moet de gehele situatie rondom [minderjarige] en de ouders in kaart worden gebracht. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om vooruitlopend op de door de moeder gestarte bodemprocedure over het gezag en een eventuele omgangs- c.q. zorgregeling, de Raad te verzoeken om onderzoek te doen, zodat het daaruit voortvloeiende advies betrokken kan worden bij de beoordeling van de verzoeken in die bodemprocedure. Meer in het bijzonder verzoekt de voorzieningenrechter de Raad om de rechtbank te adviseren over de volgende vragen:
Is vaststelling van een omgangs-/zorgregeling met de moeder in het belang van [minderjarige] ? Zo ja, welke omgangs-/zorgregeling is in haar belang?
Is (nadere) hulpverlening voor de vader, de moeder en/of [minderjarige] noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
Bestaat bij gezamenlijk gezag het onaanvaardbare risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen en/of is afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk?
De Raad moet hierover advies uitbrengen in de door de moeder aangespannen bodemprocedure. Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat deze procedure is geregistreerd onder zaak- en rekestnummer C/09/682349 FA RK 25-2189. Partijen wordt, gelet op het voorgaande, opgedragen een kopie van dit vonnis in te brengen in de bodemprocedure.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van de moeder zal worden afgewezen.
Nu partijen ex-partners zijn worden de kosten van deze procedure gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het in 4.7. omschreven doel en daarover aan de rechtbank ten behoeve van de bodemprocedure tussen partijen, met kenmerk C/09/682349 FA RK 25-2189, aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier daartoe een afschrift van de processtukken in dit kort geding aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
gelast partijen een kopie van dit vonnis in te brengen in de aanhangige bodemprocedure;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde;
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-Van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
LV