ECLI:NL:RBDHA:2025:26387

ECLI:NL:RBDHA:2025:26387, Rechtbank Den Haag, 15-10-2025, C/09/691620 / KG ZA 25-915

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-10-2025
Datum publicatie 12-01-2026
Zaaknummer C/09/691620 / KG ZA 25-915
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Civiel recht, kort geding, overheidszaak, verbintenissenrecht Procedure over onder meer de vraag of eiser, die gedetineerd is, moet worden toegelaten tot een penitentiair programma, althans of de Staat moet worden bevolen om de detentie van eiser met onmiddellijke ingang te schorsen en gedetineerde in vrijheid te stellen. Volgt niet-ontvankelijkverklaring van eiser.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/691620 / KG ZA 25-915

Vonnis in kort geding van 15 oktober 2025

in de zaak van

[eiser] gedetineerd in de PI [plaats 1],

eiser,

advocaat mr. D.W.E. Urbanus te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M. Beekes te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 24 september 2025 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de op 1 oktober 2025 gehouden mondelinge behandeling.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

[eiser] is bij arrest van 6 december 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het arrest) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden vanwege kort weergegeven diefstal met geweldpleging in vereniging (artikel 312 lid 1 en 2, onder 2 Wetboek van Strafrecht). Het hof heeft in het arrest met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn van de strafzaak van [eiser] overwogen dat het uitgangspunt is dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Omdat [eiser] op 29 mei 2019 hoger beroep heeft ingesteld, heeft het hof vastgesteld dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer drieënhalf jaar. Het hof heeft gelet op de ernst van de feiten een gevangenisstraf van 28 maanden in beginsel een passende straf geacht, maar gelet op de termijnoverschrijding is een aftrek van vier maanden toegepast, zodat het hof is uitgekomen op een gevangenisstraf van 24 maanden (met aftrek van voorarrest). In het arrest staat verder nog vermeld:

“Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.”

[eiser] heeft cassatie tegen het arrest ingesteld. Ten tijde van deze cassatieprocedure heeft [eiser], die werkzaam is als als sociaal werker, nog overeenkomsten van opdracht gesloten met verschillende opdrachtgevers. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep bij arrest van 8 juli 2025 niet-ontvankelijk verklaard.

[eiser] heeft het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB) op 23 juli 2025 verzocht zichzelf te mogen melden voor de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. Het CJIB heeft dit verzoek afgewezen omdat [eiser] is veroordeeld voor een strafbaar feit waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar staat, zodat sprake is van een uitsluitingsgrond voor de zelfmeldprocedure.

[eiser] is op 12 augustus 2025 aangehouden en gedetineerd. Hij is eerst gedetineerd in het Justitieel Centrum [plaats 1], waar hij in het arrestantencomplex verblijft. [eiser] heeft op 19 augustus 2025 een verzoek tot overplaatsing naar de PI [plaats 2] gedaan. Dit verzoek is op 29 augustus 2025 gehonoreerd. [eiser] is bericht dat hij geplaatst zal worden op het moment dat een cel beschikbaar is en dat hij tot die tijd op een wachtlijst staat. Ter zitting is gebleken dat er op 10 oktober 2025 voor [eiser] plaats is in de PI [plaats 2].

Op 2 september 2025 heeft [eiser] de selectiefunctionaris verzocht om zo spoedig mogelijk te worden toegelaten voor deelname aan het Penitentiair Programma (hierna: PP). De selectiefunctionaris heeft bij brief van 30 september 2025 het verzoek van [eiser] afgewezen. De selectiefunctionaris heeft toegelicht dat op basis van de huidige wet- en regelgeving alleen gedetineerden met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van minstens zes maanden en hoogstens een jaar in aanmerking komen voor deelname aan een PP. Omdat [eiser] is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, komt hij niet voor een PP in aanmerking. [eiser] heeft het recht een beroepschrift in te dienen tegen de beslissing. Dit beroepschrift moet uiterlijk op de zevende dag na de datum waarop [eiser] kennis heeft gekregen van de beslissing bij de Raad voor Strafrechtstoepassing & Jeugdbescherming (hierna: RSJ) worden ingediend.

3. Het geschil

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. de Staat te bevelen [eiser] met ingang van 9 februari 2026, althans per de datum waarop [eiser] daarvoor in aanmerking komt, toe te laten tot een Penitentiair Programma tot het einde van de gevangenisstraf;

subsidiair

II. de Staat te bevelen de detentie van [eiser] met onmiddellijke ingang te schorsen en [eiser] met onmiddellijke ingang in vrijheid te stellen;

meer subsidiair

III. de Staat te bevelen [eiser] over te plaatsen naar een penitentiaire inrichting om daar zijn gevangenisstraf te ondergaan;

primair, subsidiair en meer subsidiair

IV. aan de veroordeling van het gevorderde onder I, II en III een dwangsom te verbinden ter hoogte van € 2.500,-, te vermeerderen met een bedrag van € 500,- voor iedere dag dat de Staat nalaat aan de veroordeling te voldoen, met een maximum beloop van € 100.000,-, althans een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;

in alle gevallen de Staat te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen het salaris en de verschotten van de advocaat van [eiser].

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.

In de strafzaak van [eiser] in hoger beroep is sprake geweest van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer drieënhalf jaar. Zou daarvan geen sprake zijn geweest, dan zou er voor [eiser] op grond van het oude artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet de mogelijkheid van het PP zijn. De onrechtmatige termijnoverschrijding dient door de Staat gecorrigeerd te worden door [eiser] alsnog toe te laten tot het PP per 9 februari 2026. Het hof is er ook vanuit gegaan dat [eiser] voor het PP in aanmerking komt. In het arrest staat vermeld dat tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een PP, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet. De Staat is gehouden hier gevolg aan te geven door hem op termijn toe te laten tot het PP.

Voor de subsidiaire vordering heeft [eiser] aangevoerd dat hij als zelfstandige werkzaam is in het sociaal domein. Vanwege zijn detentie loopt hij aanzienlijke inkomsten mis. Ook vreest [eiser] ervoor dat de overeenkomsten die hij heeft gesloten met zijn opdrachtgevers opgezegd zullen worden en dat zijn relatie met hen beschadigd zal raken. [eiser] heeft een zwaarwegend belang bij onmiddellijke (tijdelijke) opheffing van detentie om zijn zakelijke belangen veilig te stellen.

Voor het meer subsidiair gevorderde heeft [eiser] aangevoerd dat zijn verzoek tot overplaatsing al op 29 augustus 2025 is toegekend, maar dat hij vanwege capaciteitsgebrek ten onrechte wordt vastgehouden in het arrestantencomplex, waardoor hij onder meer een gebrek aan verlofmogelijkheden heeft. De Staat is gehouden hem over te plaatsen.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen van [eiser] gegeven.

Vordering tot toelating PP

De Staat voert aan dat [eiser] in zijn primaire vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat [eiser] tegen de afwijzende beslissing van de selectiefunctionaris in beroep kan bij de beroepscommissie van de RSJ. De voorzieningenrechter volgt dit verweer van de Staat.

In de beslissing van de selectiefunctionaris van 30 september 2025 is uitdrukkelijk bepaald dat daartegen beroep openstaat bij de RSJ. Volgens vaste jurisprudentie is de beroepsprocedure bij de RSJ een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, die op grond van het stelsel van gesloten rechtsmiddelen de weg naar de burgerlijke rechter uitsluit. Er is geen aanleiding om te betwijfelen dat de RSJ de conclusies die [eiser] verbindt aan de termijnoverschrijding van zijn strafzaak aan het recht (en zo nodig het overgangsrecht) zal toetsen. De Staat heeft ter zitting met verwijzing naar een uitspraak van de RSJ overigens ook geïllustreerd dat de RSJ toetst aan het overgangsrecht behorende bij de Wet straffen en beschermen (waarmee de regeling voor deelname aan het PP is gewijzigd). Ook kan [eiser] in de procedure bij de RSJ zijn standpunt naar voren brengen dat het hof in zijn arrest (zie het citaat onder 2.1 van dit vonnis) een overweging heeft opgenomen waarin verwezen wordt naar het PP, en zijn, [eiser], perceptie dat het Hof daarmee heeft beoogd dat in dit geval zou moeten worden afgeweken van het nu geldende recht.

Dat niet te verwachten is dat de RSJ tijdig kan beslissen op het beroep van [eiser], is niet aannemelijk. [eiser] wenst deel te nemen aan het PP per 9 februari 2026. Gerekend vanaf de datum van dit vonnis is dat pas over bijna vier maanden. De Staat heeft aangevoerd dat de RSJ een beroep zo nodig binnen een versneld regime kan behandelen als dat in het voorliggende geval verlangd wordt. Dat een reguliere beroepsprocedure maanden zou kunnen duren, zoals [eiser] ter zitting heeft aangevoerd, is – wat daarvan ook zij – in dit geval niet doorslaggevend. Ook heeft de Staat erop gewezen dat de selectiefunctionaris doorgaans pas acht weken voor het moment waarop een gedetineerde in aanmerking komt voor deelname aan het PP, het verzoek daartoe krijgt voorgelegd. Ook in die gevallen kan, aldus de Staat, nog tijdig worden beslist. Het is dan ook aan [eiser] om bij de RSJ gemotiveerd te verzoeken om zijn beroep met de benodigde voortvarendheid te behandelen. Vooralsnog is er daarom voor deze voorzieningenrechter geen taak weggelegd.

Vordering tot schorsing detentie en onmiddellijke invrijheidsstelling

Ook voor wat de vordering tot schorsing van de detentie en onmiddellijke invrijheidsstelling heeft de Staat aangevoerd dat [eiser] daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De voorzieningenrechter volgt ook dit verweer. Op grond van de wet bestaat de mogelijkheid om een verzoek tot strafonderbreking te doen. Zakelijke omstandigheden kunnen een grond vormen voor strafonderbreking (artikel 38 Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: Rtvi)). Het is vervolgens aan de minister om op een dergelijk verzoek te beslissen (artikel 39 Rtvi). Tegen die beslissing kan zo nodig beroep worden ingesteld bij de beroepscommissie van de RSJ (artikel 72 lid 2 Penitentiaire beginselenwet). [eiser] heeft nog geen verzoek gedaan tot strafonderbreking in verband met het behartigen van zijn zakelijke belangen. Dat hij de kans op succes klein acht, betekent vanzelfsprekend niet dat daarom de gang naar de voorzieningenrechter beschikbaar zou zijn. [eiser] moet de wettelijk voorgeschreven rechtsingang volgen. Bij deze stand van zaken is hij ook niet-ontvankelijk in zijn subsidiaire vordering.

Vordering bevel tot overplaatsing naar een PI

Tot slot komt ook het meer subsidiair gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking. Ter zitting is gebleken dat er per 10 oktober 2025 voor [eiser] plaats is in de PI [plaats 2], de PI waar hij eerder overplaatsing naar had aangevraagd. [eiser] stond aanvankelijk als derde op de wachtlijst, maar de Staat heeft toegelicht dat er inmiddels een concrete plek voor [eiser] is gereserveerd. Om die reden heeft [eiser] geen belang meer bij zijn vordering, zodat deze zal worden afgewezen.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 714,00

- salaris advocaat € 1.107,00

- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 1.999,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn primaire en subsidiaire vordering;

wijst het meer subsidiair gevorderde af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.

ddg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?