[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [naam 1]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
Eiser heeft op 7 juni 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 31 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de waarnemer van de gemachtigde van eiser: mr. B. Manawi, A.K. Umar als tolk en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.
Op 1 augustus 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen op de uitspraak van de meervoudige kamer van 8 januari 2025. Verweerder heeft een reactie ingediend. Partijen hebben niet om een nadere zitting gevraagd. De rechtbank heeft het onderzoek op 14 augustus 2025 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Ghanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1972. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij bij een terugkeer naar Ghana vreest te worden vermoord door familieleden vanwege zijn biseksuele gerichtheid. Eiser heeft in 2021 seksueel contact gehad met [naam 2]. Zijn familie is daar achter gekomen rond de tijd dat eiser stamhoofd werd van zijn dorp. Zijn familieleden willen geen stamhoofd met deze seksuele gerichtheid. Eiser heeft voor zijn vertrek uit Ghana een relatie gekregen met [naam 3].
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder vindt eisers seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd die dit asielmotief volledig onderbouwen. Verweerder heeft daarom getoetst of eiser dit asielmotief op een andere manier voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Dit is volgens verweerder niet het geval. Eiser heeft volgens verweerder niet samenhangend en aannemelijk verklaard. De verklaringen van eiser gaan hoofdzakelijk over seksuele handelingen in plaats van over zijn gevoelens en gedachtes. Ook verklaart eiser inconsistent over het moment waarop hij ontdekte dat hij biseksueel is. Tevens zijn volgens verweerder de verklaringen van eiser over [naam 3] summier, net als eisers verklaringen over zijn relaties met [naam 2] en [naam 3]. Dat eiser enige kennis heeft van LHBTI-organisaties in Ghana en basale kennis over de situatie in Nederland is volgens verweerder onvoldoende om zijn andere summiere, tegenstrijdige en oppervlakkige verklaringen te compenseren. Bovendien verklaart eiser ongerijmd over hoe zijn familie achter zijn geaardheid is gekomen en de vrees die hierdoor is ontstaan is gebaseerd op aannames. Eiser heeft, tot slot, ook nog maanden na de vermeende bedreiging zonder problemen in Ghana kunnen leven. Verweerder heeft op grond van het voorgaande de geaardheid van eiser en de daarmee samenhangende problemen niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade op grond van zijn geloofwaardig geachte identiteit, nationaliteit en herkomst. Hij is immers afkomstig is uit Ghana, een veilig land van herkomst. Om die reden heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert ten eerste aan dat al hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte zijn seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig vindt. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met eisers referentiekader. Eiser heeft uitgelegd dat in Ghana de nadruk ligt op seksuele handelingen in plaats van diepgaande gevoelens. Daarnaast heeft eiser wel degelijk verklaard wat hem in zijn partners heeft aangetrokken. Verweerder heeft daarom de lat voor eiser te hoog gelegd. Het gaat er bij de beoordeling van eisers relaas om dat verklaringen in zijn algemeenheid begrijpelijk en geloofwaardig zijn en niet moet gekeken worden naar de kleine misverstanden. Verweerder is te streng over de verwarring van eiser over een jaartal. Daarbij motiveert verweerder niet waarom de verwarring van eiser over een jaartal in verband staat met de persoonlijke beleving van de seksuele gerichtheid van eiser. Ook heeft eiser in zijn correcties & aanvullingen verklaard dat via [naam 2] zijn familie van zijn seksuele gerichtheid op de hoogte is gekomen. Verweerder gaat niet in op het gevaar dat deze seksuele handelingen in Ghana oplevert. Tevens is de kennis van eiser over de situatie voor LHBTI-ers in Ghana en Nederland onvoldoende meegewogen in de beoordeling van zijn relaas. Evenals dat ten onrechte door verweerder wordt gesteld dat zijn vrees is gebaseerd op aannames. Verweerder kan eiser niet tegenwerpen dat hij nog een periode in Ghana heeft gewoond, want hij is ondergedoken en was dus niet vindbaar.
Ten onrechte heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, waardoor verweerder eiser ten onrechte een vertrektermijn heeft onthouden en hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Herhaald en ingelast
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele verwijzing naar hetgeen eerder door hem is aangevoerd in de zienswijze, onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Dit kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
Referentiekader
6. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. Uit de stukken die eiser met zijn zienswijze heeft overgelegd, blijkt onvoldoende dat voor Ghanezen de nadruk ligt op seksuele handelingen in plaats van diepgaande gevoelens, zoals eiser stelt. Uit het stuk kan worden opgemaakt dat Ghanezen ‘stilzwijgend over hun homoseksualiteit spreken tegen familie en vrienden’, maar niet dat zij met name over seksuele handelingen praten. Verweerder mocht dus van eiser verwachten dat hij, ondanks zijn referentiekader, inzichtelijk kan maken wat zijn gedachten en/of gevoelens aangaande zijn seksuele gerichtheid zijn.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
7. Verweerder moet op grond van werkinstructie 2019/17 de door eiser gestelde biseksuele seksuele gerichtheid in ieder geval aan de hand van de volgende vier thema’s beoordelen:
privéleven;
huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti-groepen;
contact met lhbti’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie; en
discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst.
Het zwaartepunt ligt bij het persoonlijke, authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen. Als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar lhbti-gerichtheid niet wordt geaccepteerd en misschien zelfs strafbaar is, mag van een vreemdeling worden verwacht dat hij inzicht kan geven in een denkproces over wat het betekent om anders te zijn dan de maatschappij of wet verlangt en hoe hij daar invulling aan geeft.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht vinden dat eisers gestelde seksuele gerichtheid niet geloofwaardig is, omdat eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Verweerder mocht vinden dat eiser hoofdzakelijk over seksuele handelingen heeft verklaard terwijl verweerder expliciet naar de gevoelens en de beleving van eiser ten aanzien van zijn geaardheid heeft gevraagd. Het enige wat eiser heeft verklaard over zijn gevoelens is dat hij zich blij voelde wanneer hij iemand ontmoette die ook biseksuele activiteiten onderneemt. Verweerder mocht dit onvoldoende vinden. Het gebrek aan deze verklaringen over gevoelens en belevingen kan niet enkel worden toegewezen aan het referentiekader en de culturele achtergrond van eiser. Zoals hiervoor onder 7. is overwogen, mocht verweerder van eiser verwachten dat hij inzichtelijk kan maken wat zijn gedachten en gevoelens zijn met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid. Ook mocht verweerder vinden dat eiser inconsistent heeft verklaard over wanneer hij ontdekte biseksueel te zijn. Eiser heeft eerst verklaard zijn biseksualiteit te hebben ontdekt in het jaar 2023, daarna in 2022 en weer later in 2021. Ondanks het feit dat eiser laaggeschoold is, mag verweerder van hem verwachten dat hij consistent kan verklaren over het jaar waarin hij zijn biseksualiteit ontdekte. De ontdekking biseksueel te zijn is immers belangrijk in een land waarin dat taboe is en eiser is er vrij recent achter gekomen. Verweerder mocht verder vinden dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn relaties met [naam 2] en [naam 3]. Voor een eerste relatie met een man die volgens eiser twee jaar heeft geduurd mocht verweerder de enkele verklaringen van eiser dat hij blijdschap voelde als hij met [naam 2] weg was, te summier vinden. Ook de verklaringen over [naam 3] en de relatie van eiser met [naam 3] geven geen inzicht in de gevoelens van eiser. De verklaringen van eiser blijven gericht op de seksuele omgang zonder dat eiser inzicht geeft in wat hij op emotioneel vlak ervaarde. Eiser verklaart wederom alleen dat hij blij werd als hij met [naam 3] was en wanneer de hoormedewerker vraagt wat hem dan blij maakte, refereert eiser wederom naar seksuele handelingen door te verklaren dat hij dan flashbacks kreeg naar de seks.
De rechtbank overweegt dat verweerder de kennis van eiser over de positie van LHBTI’ers in Ghana evenals in Nederland voldoende heeft meegewogen in zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers gestelde seksuele gerichtheid. Eiser heeft verklaard dat hij enige kennis heeft over LHBTI-organisaties in Ghana en hij heeft laten blijken enige basale kennis te hebben over de situatie in Nederland. Verweerder mocht hierover vinden dat het gaat over algemene informatie en dat eiser hieraan geen persoonlijke betekenis heeft gekoppeld, zodat verweerder daarom deze kennis niet zwaarder had hoeven wegen ten opzichte van de summiere, tegenstrijdige en oppervlakkige verklaringen van eiser.
Verweerder mocht het verder bevreemdend vinden dat eiser tijdens het gehoor geen verklaring kon geven voor de manier waarop zijn familieleden achter zijn seksuele gerichtheid zouden zijn gekomen. Dat eiser in de correcties & aanvullingen heeft aangegeven dat [naam 2] ervoor heeft gezorgd dat de ouders van eiser achter zijn seksuele gerichtheid zijn gekomen, mag verweerder eiser tegenwerpen omdat het iets heel anders is dan wat eiser hierover tijdens het gehoor heeft verklaard. Verweerder mocht ook vinden dat eisers gestelde vrees alleen is gebaseerd op aannames omdat uit zijn verklaringen niet blijkt waarom hij ervan uitging dat zijn familieleden hem kwaad wilden doen. De enkele verklaring via het broertje van eiser uit de derde hand mocht verweerder onvoldoende vinden.
Tot slot heeft verweerder bij zijn beoordeling mogen betrekken dat eiser nog maanden na de vermeende bedreiging zonder problemen als gesteld homoseksueel in Ghana heeft kunnen leven. Verweerder mocht ook vinden dat eisers verklaring dat hij ondergedoken zat in zijn eigen huis afbreuk doet aan eisers gestelde problemen met zijn familie wegens zijn seksuele gerichtheid.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom de seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn geacht.
Kennelijk ongegrond
9. Als een land als veilig land van herkomst is aangewezen, dan bestaat het algemeen rechtsvermoeden dat vreemdelingen uit het land – in dit geval Ghana – geen bescherming nodig hebben. Ten aanzien van Ghana hanteert verweerder twee uitzonderingsgroepen voor wie dit algemeen rechtsvermoeden niet geldt: LHBTIQ+ en journalisten.
10. De rechtbank heeft op 8 januari 2025 geoordeeld dat het uitzonderen van groepen zich niet verdraagt met de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) heeft in het arrest van 1 augustus 2025 hetzelfde geoordeeld.
Verweerder heeft zich naar aanleiding het arrest van het Hof van Justitie op het standpunt gesteld dat er geen grondslag bestaat om de aanvraag van eiser kennelijk ongegrond te verklaren. Ook bestaat volgens verweerder geen grondslag om eiser een vertrektermijn te onthouden of om een inreisverbod uit te vaardigen.
11. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op wat is overwogen onder rechtsoverwegingen 10 en 10.1, ten onrechte de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond is afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd voor zover daarbij de aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond en als gevolg daarvan een vertrektermijn aan eiser is onthouden en een inreisverbod is opgelegd.
12. De rechtbank ziet daarbij aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. Gelet op het feit dat in rechtsoverwegingen 8. tot en met 8.5 is vastgesteld dat verweerder het asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden, blijft echter staan dat de aanvraag van eiser als ongegrond moet worden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 30b van de Vw 2000 en het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.
14. Gelet op overwegingen 8. tot en met 8.5 en 12 zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de asielaanvraag van eiser af te wijzen als ongegrond. Deze uitspraak geldt ook als terugkeerbesluit. Omdat verweerder – buiten de kennelijke ongegrondheid – geen andere gronden heeft gegeven waarom eiser een vertrektermijn kon worden onthouden, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de vertrektermijn vier weken bedraagt en dat deze aanvangt met ingang van de dag na verzending van deze uitspraak. Omdat Ghana het herkomstland van eiser is, moet hij daarheen vertrekken.
15. Omdat het bestreden besluit – waar het terugkeerbesluit een onderdeel van is – is vernietigd, komt daarmee ook de grondslag voor het bij dat besluit opgelegde inreisverbod te vervallen en wordt dit vernietigd. Nu eiser geen vertrektermijn kan worden onthouden, bestaat geen mogelijkheid meer een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000 op te leggen.
16. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting een wegingsfactor 1).
18. Omdat er op het beroep is beslist bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af. Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de gemaakte proceskosten voor het verzoek om een voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.