RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43698
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. A. Dijcks).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en S. Saleeby als tolk.
Beoordeling door de rechtbank
Procedurerichtlijn
Artikel 17 van de Dublinverordening
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
Opvang
5. Eiseres voert aan dat ten opzichte van Bulgarije niet meer uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ten aanzien van de opvangvoorzieningen verwijst eiseres naar pagina’s 83 tot en met 84 en pagina’s 86 tot en met 88 van het AIDA rapport over Bulgarije van maart 2025, waaruit volgens eiseres blijkt dat de opvangvoorzieningen, voedselbeschikbaarheid en de veiligheid in opvangcentra ernstig tekortschiet. Uit pagina 86 blijkt volgens eiseres dat de opvangfaciliteiten verder verslechteren. Uit pagina 87 volgt dat de Bulgaarse autoriteiten onvoldoende voedsel verstrekken voor asielzoekers, en dat de veiligheidssituatie in opvangcentra erg slecht is. Eiseres stelt dat de situatie in opvangcentra zoals geschetst in het AIDA-rapport overeenkomt met haar persoonlijke ervaringen in Bulgarije. Door de verslechtering in opvangfaciliteiten, kan de minister niet volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2745. Eiseres haalt daarbij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 29 augustus 2025 aan.
6. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De hoogste Nederlandse bestuursrechter heeft in meerdere uitspraken bevestigd dat dit uitgangspunt nog steeds geldig is, laatstelijk nog in de uitspraak van 3 februari 2025 met ECLI:NL:RVS:2025:376.
7. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen tegenover asielzoekers zoals eiseres zal nakomen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.
8. De rechtbank oordeelt dat de gebreken in de opvangvoorzieningen in Bulgarije onvoldoende zijn om tot de conclusie te komen dat ten aanzien van Bulgarije niet meer uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De stelling van eiseres dat uit het AIDA-rapport update 2025 blijkt dat de opvangvoorzieningen zijn verslechterd, kan de rechtbank niet volgen. Uit de door eiseres aangehaalde passages blijkt dat de situatie in de Bulgaarse opvangvoorzieningen over de afgelopen jaren stabiel is, en dat er op bepaalde terreinen pogingen worden gedaan door de Bulgaarse autoriteiten de situatie te verbeteren. Zo is ongedierte al sinds 2013 een probleem in de Bulgaarse opvangcentra, maar zijn de Bulgaarse autoriteiten in 2024 begonnen met ontsmettingswerkzaamheden. Uit pagina 87 van de AIDA-rapportage blijkt dat er geklaagd wordt over de voedselkwaliteit en kwantiteit, maar blijkt niet dat er ten opzichte van eerdere AIDA-rapportages sprake is van een verslechtering. Uit pagina 87 volgt ook dat de Bulgaarse autoriteiten in januari 2025 de beveiliging hebben overgenomen van sommige asielzoekerscentra. Hieruit valt te concluderen dat de Bulgaarse autoriteiten niet onverschillig staan tegenover gebreken in de opvangvoorzieningen. Delen van het rapport die door eiseres zijn aangehaald, lijken blijkens de voetnoot ook te zien op de periode 2015-2022 en betreft ook geen verslechtering ten opzichte van 2023. Het AIDA-rapport toont geen wezenlijk andere situatie aan dan dat van de eerdere rapportages, en daarom mocht de minister verwijzen naar de uitspraken van de hoogste bestuursrechter zoals hiervoor weergegeven. Het beroep van eiseres op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 29 augustus 2025, slaagt niet. De beroepsgrond slaagt niet.
9. De rechtbank is het verder eens met de minister dat van eiseres mag worden verwacht dat zij zich bij voorkomende problemen in de Bulgaarse opvangvoorzieningen of anderszins beklaagt bij de (hogere) Bulgaarse autoriteiten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor haar niet is of dat de Bulgaarse autoriteiten haar niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is. Dat eiseres heeft geprobeerd een klacht in te dienen maar dit niet lukte omdat er geen tolk beschikbaar was, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat klagen geen zin heeft en dat Bulgarije zich ten opzichte van eiseres niet aan zijn internationale verplichtingen houdt.
10. Eiseres voert aan dat Bulgarije niet voldoet aan de Procedurerichtlijn. Eiseres verwijst naar pagina 66 van het AIDA-rapport, waaruit volgt dat de Bulgaarse autoriteiten bij herhaalde asielaanvragen de aanvraag niet ontvankelijk kunnen verklaren nadat ze eiseres schriftelijk hebben gehoord. Echter voldoet de Bulgaarse wetgeving niet aan artikel 42 lid 2 van de Procedurerichtlijn, waarin is voorgeschreven dat er uitzonderingen mogelijk moeten zijn op de bevoegdheid een asielaanvraag uitsluitend schriftelijk te behandelen en af te zien van een mondeling gehoor.
11. De rechtbank volgt eiseres niet. Uit de door eiseres aangehaalde pagina 66 en de Procedurerichtlijn volgt dat Bulgarije, in overeenstemming met de Procedurerichtlijn, bij herhaalde asielaanvragen mag volstaan met het schriftelijk behandelen van de asielaanvraag zonder eiseres nader te horen. De uitzonderingscategorie uit artikel 42, tweede lid, van de Procedurerichtlijn is niet van toepassing op eiseres. De rechtbank volgt de minister voorts in zijn standpunt dat de Bulgaarse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij de aanvraag van eiseres in behandeling zullen nemen.
12. Indien eiseres van mening is dat de Bulgaarse autoriteiten niet in overeenstemming met de Procedurerichtlijn handelen, is het aan haar om daarover te klagen bij de Bulgaarse autoriteiten of de rechtbank. Niet is gebleken dat dit bij voorbaat kansloos of niet mogelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.
13. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17 van de Dublinverordening. Eiseres voert aan dat haar bijzondere individuele omstandigheden moeten leiden tot het oordeel dat haar overdracht aan Bulgarije zal leiden tot onevenredige hardheid. Eiseres heeft verklaard dat zij en haar dochter in Bulgarije geen medische zorg kregen, terwijl zij deze zorg wel nodig hadden.
14. Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in deze verordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt de minister niet snel gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening. Volgens vaste rechtspraak2 is het aan de minister om dit te beoordelen en dient de rechter deze beoordeling terughoudend te toetsen.
15. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij geen toepassing geeft aan de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank volgt minister dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij en/of haar dochter medische zorg nodig heeft. Dat de Bulgaarse autoriteiten haar eerder ten onrechte benodigde zorg zou hebben ontzegd, heeft zij niet onderbouwd en hetgeen eiseres daarover heeft verklaard, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat de minister de aanvraag onverplicht in behandeling moet nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres kan worden overgedragen aan Bulgarije. Eiseres krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
2 ECLI:NL:RVS:2025:2108.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 oktober 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.