ECLI:NL:RBDHA:2025:26408

ECLI:NL:RBDHA:2025:26408, Rechtbank Den Haag, 17-12-2025, C/09/687204 / KG ZA 25-603

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer C/09/687204 / KG ZA 25-603
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Civiel recht, kort geding, verbintenissenrecht Procedure tussen voormalige echtgenomen over de medewerking aan verkoop van een woning en showroom.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/687204 / KG ZA 25-603

Vonnis in kort geding van 17 december 2025

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.F. Mandos te Den Haag,

tegen:

[gedaagde] te [woonplaats] ,

gedaagde,

in persoon verschenen.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 oktober 2025 met producties 1 tot en met 5;

- het verweerschrift van 23 oktober 2025 met producties 1 tot en met 4;

- de op 29 oktober 2025 gehouden mondelinge behandeling. De procedure is vervolgens pro forma aangehouden tot 8 november 2025 in verband met schikkingsonderhandelingen.

Nadat (de griffie van) de rechtbank diverse malen heeft gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot de schikkingsonderhandelingen, heeft mr. Mandos bij brief van 27 november 2025 de rechtbank bericht dat partijen niet tot een overeenkomst zijn gekomen. Hij heeft verzocht vonnis te wijzen. De griffie van de rechtbank heeft de brief van mr. Mandos aan [gedaagde] doorgestuurd en meegedeeld dat op 17 december 2025 of zoveel eerder als mogelijk is, vonnis zal worden gewezen. Ook mr. Mandos is geïnformeerd over de vonnisdatum. Nadien is op vrijdag 12 december 2025 nog een e-mailbericht met bijlage van [gedaagde] bij de rechtbank ingekomen, maar de kortgedingrechter laat dit bericht overeenkomstig artikel 12.6 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken buiten beschouwing nu niet gebleken is dat [eiser] ermee heeft ingestemd dat dit bericht alsnog ter kennis van de kortgedingrechter wordt gebracht. Dit heeft de griffie partijen reeds laten weten.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn eigenaar van onder meer een woning aan [adres 1] te [plaats] (hierna ook: de woning) en een showroom aan de [adres 2] te [plaats] (hierna ook: de showroom).

Bij beschikking van 20 februari 2024 van deze rechtbank is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De rechtbank heeft in deze beschikking de door partijen getroffen onderlinge regelingen, zoals neergelegd in onder meer een echtscheidingsconvenant en een vaststellingsovereenkomst opgenomen. Partijen zijn in de echtscheidingsprocedure ieder bijgestaan door een advocaat. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de openbare registers. In het echtscheidingsconvenant is in artikel 3 het volgende bepaald:

Artikel 3 Woning

In het vermogen van partijen bevindt zich een nieuwbouwwoning te [plaats] “in ontwikkeling” waarop een aanzienlijke hypotheek rust. Partijen hebben de wens dat het eigendom van deze woning aan de man wordt toebedeeld en dat hij de hypotheek overneemt.”

Partijen zijn wijzigingen op het echtscheidingsconvenant overeengekomen, die zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. In artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst zijn onder meer wijzigingen op artikel 3 van het echtscheidingsconvenant opgenomen.

Artikel 8 sub e van de vaststellingsovereenkomst bepaalt onder meer:

“Toegevoegd wordt een artikel 3.2 met de tekst: “Met betrekking tot de verdeling van de nieuwbouwwoning van partijen aan de [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats] nemen zij het volgende in aanmerking:

(…)

De man heeft inmiddels van de bank begrepen dat op basis van zijn huidige financiële gegevens het niet mogelijk is om de hypotheek over te sluiten en de vrouw derhalve te doen ontslaan uit de hoofdelijkheid. Hij heeft hiervoor drie jaar aan goede cijfers nodig en minimaal de tijd tot december 2024.

Aan de hypotheek van de nieuwbouwwoning zijn financiële producten verbonden. Tussen partijen is in geschil wat met deze producten en/of hun financiële waarde dient te gebeuren. Daarbij is het standpunt van de vrouw dat zij voor een polis nog dient te worden gecompenseerd en wel voor een bedrag van de helft van de waarde.”

Artikel 8 sub f van de vaststellingsovereenkomst bepaalt:

“Toegevoegd wordt een artikel 3.3. met de tekst “Onder de overwegingen van artikel 3.2. komen partijen overeen dat het eigendom van de nieuwbouwwoning en alles wat daarvan kan worden afgeleid – te denken valt aan de baten van voornoemde financiële producten – aan de man zal worden toebedeeld en dat deze in ruil daartoe het juridisch eigendom van de showroom uit de onderneming zal overdragen aan de vrouw. Hij zal aan de vrouw daarnaast een bedrag voldoen van EURO 20.000,- als vergoeding voor de periode die zij zal delen in de hoofdelijkheid en ter compensatie van de waarde van de financiële producten verbonden aan de hypotheek. Dit bedrag dient te worden betaald binnen een week na de uitspraak van de Rechtbank Den Haag in de echtscheidingsprocedure. De man zal zich hard maken voor het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijkheid vóór 1 januari 2025. Voor elke maand die de man voor dit ontslag daarna in verzuim blijft, betaalt hij de vrouw EURO 1.000,-.

Voorts zullen alle kosten verbonden aan de woning vanaf datum ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst voor rekening komen van de man. De man is in de onderlinge verhouding dan ook draagplichtig voor betaling van de rente en aflossing van de hypotheekschuld en eventueel andere aan de woning gekoppelde schulden.”

Artikel 8 sub g van de vaststellingsovereenkomst bepaalt:

“Partijen verklaren ten gevolge van het scheiden van hun inkomsten en betaling van kosten ten tijde van het huwelijk, verder niets met elkaar te verrekenen te hebben.”

Artikel 8 sub h van de vaststellingsovereenkomst bepaalt:

“Partijen verklaren verder onderling niets meer te verdelen en verrekenen te hebben, dat al het andere derhalve al is verdeeld, en daarmee dat hun geschil inzake de verdeling van gemeenschappelijk vermogen is afgedaan behoudens abusievelijk overgeslagen.”

Het bedrag van € 20.000,- dat [eiser] op grond van artikel 8 sub f van de vaststellingsovereenkomst aan [gedaagde] moest betalen, heeft hij betaald. [gedaagde] heeft op enig moment geweigerd het document “Wijzigingsformulier opbouwproduct hypotheek” van de Rabobank te ondertekenen. De eigendomsoverdracht van de woning aan [eiser] heeft niet plaatsgevonden. [eiser] heeft daarin reden gezien om de showroom niet aan [gedaagde] over te dragen. Ook heeft [eiser] het maandelijkse verzuimbedrag van € 1.000,- zoals genoemd in artikel 8 sub f van de vaststellingsovereenkomst niet aan [gedaagde] voldaan omdat hij van mening is dat [gedaagde] de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst tegenhoudt door haar medewerking aan de levering van de woning niet te verlenen.

Partijen hebben geprobeerd om uit de ontstane impasse te komen, maar zij zijn daar niet in geslaagd. [notariskantoor] heeft een conceptakte van verdeling opgesteld waarmee de levering van de woning en de showroom geëffectueerd kan worden.

3. Het geschil

[eiser] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis:

[gedaagde] veroordeelt tot het verlenen van medewerking aan de overdracht/levering van het onroerend goed te:

( [postcode 1] ) [plaats] aan [adres 1] ; en

( [postcode 2] ) [plaats] aan de [adres 2]

op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per week voor elke week dat [gedaagde] in gebreke blijft, althans een dwangsom in goede justitie te bepalen,

en/of

te bepalen dat de uitspraak in de plaats zal treden van (een deel van) de akten tot het verrichten van de noodzakelijke rechtshandelingen voor de overdracht van de financiële producten verbonden aan de hypotheek van [adres 1] , de hypotheek en het onroerend goed, zulks in lijn met de bijlagen van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Den Haag van 20 februari 2024.

[gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot van de door [eiser] tot op heden gemaakte kosten waaronder de kosten van deze procedure.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.

Partijen hebben overeenkomsten gesloten die zijn opgenomen in de beschikking van de rechtbank. [gedaagde] weigert haar medewerking te verlenen aan uitvoering van deze in de beschikking opgenomen overeenkomsten doordat zij niet wil meewerken aan de overdracht van de woning aan [eiser] en de overdracht van de showroom aan haarzelf. Zij is echter tot nakoming gehouden en moet dus aan bedoelde overdrachten meewerken. Langer uitstel leidt tot aanzienlijke kosten voor [eiser] die onder meer daarom een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen. [eiser] heeft verder kosten gemaakt en blijft kosten maken nu de uitvoering van de in de beschikking opgenomen overeenkomsten nog steeds niet heeft plaatsgevonden. Daarom is [gedaagde] volgens [eiser] gehouden tot betaling van een voorschot van deze kosten.

[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

Het spoedeisend belang van [eiser] is gegeven nu hij aan zijn vordering ten grondslag legt dat [gedaagde] haar medewerking aan de overdracht van de woning (aan hem) en de showroom (aan haar) op onjuiste gronden niet verleent, waardoor de verdeling en levering nog steeds niet is uitgevoerd en hij ook nog heffingen en belastingen moet dragen voor de showroom.

Ter zitting heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij mogelijk heeft gedwaald bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst omdat haar na het sluiten daarvan gebleken is dat er mogelijk waarde moet worden toegekend aan het rentecontract dat partijen hadden bij de Rabobank. Zij heeft te kennen gegeven dat zij eerst uitgezocht wil hebben of zij op dit punt niet is benadeeld. Hoewel [gedaagde] tijdens de zitting niet geheel duidelijk heeft kunnen maken van welk rentecontract zij de waarde vastgesteld wenst te zien, en ook niet op welke wijze dat gedaan kan worden, is het aannemelijk dat zij doelt op de lopende spaarhypotheek van partijen bij de Rabobank waar een lage rente voor geldt, en welke rente mogelijk toevalt aan [eiser] als hij de woning overneemt en daarvoor een lening afsluit. De vrouw heeft correspondentie overgelegd die zij heeft gevoerd met de financieel adviseur wonen van de Rabobank, die onder meer schrijft dat [gedaagde] lopende spaarhypotheken mag voortzetten voor het eigen deel en dat [gedaagde] , als ze binnen zes maanden zelf een andere woning zou kopen, ook de helft van het rentecontract mag meenemen. Dat zou gunstig kunnen zijn omdat de contractrente (rond 2%) lager is dan de marktrente (rond 4%), zo schrijft de financieel adviseur (correspondentie van 7 november 2024).

De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen grond om uitvoering van de vaststellingsovereenkomst voor wat betreft de overdrachten van de woning en de showroom nog langer uit te stellen. De reden daarvoor is dat partijen in artikel 8 sub f van de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen dat de eigendom van de woning, en alles wat daarvan kan worden afgeleid, zoals de baten van financiële producten, aan [eiser] zal worden toebedeeld. Daarbij is ook uitdrukkelijk vermeld dat [eiser] aan [gedaagde] een vergoeding zal voldoen van € 20.000,- voor de periode die zij zal delen in de hoofdelijkheid en ter compensatie van de waarde van de financiële producten verbonden aan de hypotheek. Het moet er dan ook voorshands voor worden gehouden dat [gedaagde] al is gecompenseerd voor de waarde die is verbonden aan de lopende spaarhypotheek die (mogelijk) door [eiser] kan worden meegenomen. Dat [gedaagde] bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet bekend zou zijn geweest met de spaarhypotheek is niet aannemelijk omdat deze, zo begrijpt de voorzieningenrechter, op naam van beide partijen heeft gestaan. Dat [gedaagde] verder zou hebben gedwaald over de waarde van de spaarhypotheek en als gevolg van de gemaakte afspraak in artikel 8 sub f van de vaststellingsovereenkomst voor meer dan een vierde zou zijn benadeeld (artikel 3:196 Burgerlijk Wetboek) is niet gesteld en ook niet aannemelijk gemaakt. Partijen hebben in de vaststellingsovereenkomst bovendien verklaard dat zij verder onderling niets meer te verdelen en te verrekenen hebben, dat al het andere al is verdeeld, en daarmee dat hun geschil inzake de verdeling van gemeenschappelijk vermogen is afgedaan behoudens “abusievelijk overgeslagen”. Dat partijen abusievelijk een vermogensbestanddeel hebben overgeslagen, is evenmin aannemelijk gemaakt.

Nu partijen afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de woning en de showroom, die zijn opgenomen in de beschikking van deze rechtbank, zal [gedaagde] dan ook worden veroordeeld om na eerste verzoek van [notariskantoor] , of een ander door [eiser] aan te wijzen notariskantoor, binnen één week haar medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan [eiser] en levering van de showroom aan haarzelf door ondertekening van de daartoe benodigde akte(s). Daaraan zal de voorzieningenrechter in lijn met de in de echtscheidingsbeschikking opgenomen overeenkomsten de voorwaarde verbinden dat [gedaagde] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. De voorzieningenrechter zal verder bepalen dat als [gedaagde] haar medewerking daaraan niet tijdig verleent, dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van [gedaagde] onder de voor de levering benodigde akte(s). Omdat [eiser] ter zitting heeft verklaard dat bij de notaris de stukken klaar liggen om de leveringen uit te voeren, en [gedaagde] al eerder het benodigde document van de Rabobank heeft ondertekend, zal hierbij niet worden bepaald dat het vonnis ook in de plaats treedt van aktes voor de overdracht van financiële producten die aan de hypotheek van de woning zijn verbonden. Voor het opleggen van een dwangsom aan de veroordeling tot medewerking van de levering van de onroerende zaken wordt geen aanleiding gevonden omdat met indeplaatsstelling van het vonnis het beoogde doel, te weten levering van de onroerende zaken, ook bereikt kan worden. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

Onduidelijk is verder gebleven of [gedaagde] nog aanspraak maakt op betaling van het maandelijkse verzuimbedrag van € 1.000,-, zoals genoemd in artikel 8 sub f van de vaststellingsovereenkomst. Zij heeft, nu zij in persoon heeft geprocedeerd, op dit punt ook geen reconventionele vordering in kunnen stellen. Maar het komt de voorzieningenrechter voorshands niet onwaarschijnlijk voor dat zij recht heeft op (althans een deel van) de inmiddels verstreken termijnen. In dat verband is mede van belang dat onduidelijk is gebleven op welk moment [eiser] na 1 januari 2025 in staat was [gedaagde] te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld voor de woning en ook wanneer [gedaagde] te kennen heeft gegeven dat zij haar medewerking aan de levering niet wil verlenen (en dus mogelijk zelf in verzuim is geraakt). Zo nodig moeten partijen hierover nog met elkaar in gesprek. Binnen het bestek van dit kort geding kan hierover niet worden beslist.

Het door [eiser] gevorderde voorschot van de door hem gemaakte kosten die verband houden met het uitblijven van de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst, waaronder de kosten van de procedure, zal worden afgewezen. Het antwoord op de vraag vanaf wanneer [eiser] in staat was [gedaagde] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld alsmede of [eiser] maandelijkse termijnen had moeten betalen, en zo ja, over welke periode, is ook in dit verband van belang – en dit kort geding leent zich niet voor een beslissing hierover, zoals hiervoor reeds is overwogen in 4.5 (slot). Bovendien is volgens vaste jurisprudentie ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Daar komt bij dat [eiser] geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.

In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt [gedaagde] om na eerste verzoek van [notariskantoor] , of een ander door [eiser] aan te wijzen notariskantoor, uiterlijk binnen één week haar medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats] aan [eiser] en aan de levering van de showroom aan de [adres 2] te ( [postcode 2] ) [plaats] aan [gedaagde] door ondertekening van de daartoe benodigde akte(s), dit onder de voorwaarde dat [gedaagde] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld;

bepaalt dat als [gedaagde] niet voldoet aan de veroordeling onder 5.1., dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 Burgerlijk Wetboek in de plaats treedt van de benodigde handtekening(en) van [gedaagde] onder de akte(s) waarmee de levering van de woning aan [eiser] en de levering van de showroom aan [gedaagde] mogelijk wordt gemaakt, dit onder de voorwaarde dat [gedaagde] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

ddg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?