RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaaknummer: C/09/659037 / HA ZA 24-5
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van
[eiseres] te [woonplaats 1] ,
in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] ,
eiseres,
advocaat: mr. W.J.M. [eiseres] ,
tegen
[gedaagde] te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: voorheen mr. P.F. Schepel, thans zonder advocaat.
Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. Waar gaat deze zaak over?
[gedaagde] is de voormalig executeur in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster). In 2021 is [gedaagde] bij beschikking van de kantonrechter als executeur ontslagen en is [eiseres] als opvolgend executeur in de nalatenschap benoemd. In onderhavige procedure vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om jegens haar rekening en verantwoording af te leggen van zijn beheer van de nalatenschap, onder meer door het overleggen van bankafschriften en een onderbouwd overzicht van de vermogensmutaties van de nalatenschap. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiseres] . De rechtbank concludeert dat [gedaagde] onvoldoende inzicht heeft verschaft in het beheer van de nalatenschap en veroordeelt hem om alsnog rekening en verantwoording af te leggen.
2. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 25 april 2023, met producties 1 tot en met 11;
- het incidenteel vonnis van 25 oktober 2023 van de rechtbank Overijssel, waarin de zaak is verwezen naar deze rechtbank; - de conclusie van antwoord van 14 februari 2024, met producties 1 en 2;
- de brief van 26 juli 2024 van mr. Schepel, met productie 3.
Op 29 juli 2024 is de zaak mondeling behandeld.
Na de mondelinge behandeling is de zaak verwezen naar de rol van 28 augustus 2024 voor het nemen van een akte door [eiseres] om nader te specificeren welke informatie zij in het kader van de rekening en verantwoording nog van [gedaagde] verlangde. Op 28 augustus 2024 heeft [eiseres] een akte na mondelinge behandeling, tevens wijziging van eis genomen.
Vervolgens is de zaak op verzoek van partijen verwezen naar de parkeerrol om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te beproeven.
Op de rol van 1 oktober 2025 heeft [eiseres] verzocht de zaak op de continuatierol te plaatsen van 15 oktober 2025 en heeft zij een akte wijziging van eis met productie 12 ingediend.
De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van 15 oktober 2025 voor het nemen van een antwoordakte aan de zijde van [gedaagde] .
De advocaat van [gedaagde] heeft zich onttrokken. Er heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld.
[eiseres] heeft vervolgens verzocht om vonnis te wijzen, naar aanleiding waarvan een datum voor vonnis is bepaald.
3. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Op [dag] 2008 is mevrouw [erflaatster] (hierna: "erflaatster") te [plaats] overleden. In de periode voor haar overlijden was erflaatster ongehuwd. Bij testament van 26 augustus 2005 heeft erflaatster tot haar erfgenamen benoemd haar zus [naam 1] (hierna: " [naam 1] ") en haar voormalige buurkinderen [gedaagde] en zijn broer. De erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
Erflaatster heeft in haar testament [gedaagde] tot executeur benoemd. [gedaagde] heeft deze benoeming aanvaard.
De nalatenschap van erflaatster bestaat onder meer uit het tegoed op een bankrekening bij ING Bank (hierna: ING) met bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] , het tegoed op een bankrekening bij ABN AMRO Bank (hierna: ABN AMRO) met bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] en een pand in [plaats] . Dit pand (bestaande uit verschillende ruimtes) wordt verhuurd aan verschillende huurders.
Op 29 maart 2020 is [naam 1] overleden.
Bij beschikking van 8 maart 2021 heeft de rechtbank Overijssel – op verzoek van de executeur van de nalatenschap van [naam 1] – met ingang van diezelfde datum [gedaagde] ontslagen als executeur van de nalatenschap van erflaatster en [eiseres] met ingang van 8 maart 2021 benoemd als (opvolgend) executeur van deze nalatenschap. In rechtsoverweging 3.5 overweegt de rechtbank:
"Bij gebreke van elk verweer moet het er naar het oordeel van de rechtbank op grond van de feiten en hetgeen [naam 2] (aanvulling rechtbank: executeur in de nalatenschap van [naam 1] ) heeft aangevoerd voor worden gehouden dat [gedaagde] disfunctioneert als executeur en in die hoedanigheid zijn wettelijke plichten als vervat in de artikelen 4:146 en 4:148 BW, als ook vermeld in het testament van [erflaatster] , niet nakomt. Voor zover verweer geacht moet worden te zijn uitgebleven in verband met de gezondheidstoestand van [gedaagde] , ziet de rechtbank daarin een aanwijzing te meer voor het vorenstaande. Met het niet nakomen van genoemde plichten is sprake van gewichtige redenen die het ontslag van [gedaagde] rechtvaardigen. De rechtbank zal daartoe dan ook beslissen."
Bij brief van 22 juni 2021 heeft [eiseres] [gedaagde] verzocht en voor zover rechtens nodig gesommeerd om binnen veertien dagen de gehele administratie betreffende de nalatenschap van erflaatster af te geven en alle overige relevante informatie ten aanzien van de nalatenschap te delen. [eiseres] heeft ook verzocht om overlegging van de boedelbeschrijving per datum overlijden van erflaatster en om rekening en verantwoording af te leggen over de periode dat [gedaagde] de nalatenschap heeft beheerd.
Bij brief van 5 augustus 2021 heeft [eiseres] [gedaagde] nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen na dagtekening te voldoen aan zijn wettelijke plicht om informatie te verstrekken over de nalatenschap van erflaatster vanaf [dag] 2008 en het door hem sinds die datum gevoerde beheer alsmede om rekening en verantwoording af te leggen.
Op 26 juli 2022 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [eiseres] in het kader van de rekening en verantwoording. Ondanks berichten over en weer is het niet tot een vervolggesprek gekomen. Bij brief van 22 februari 2023 heeft [eiseres] aan [gedaagde] aangekondigd dat zij onderhavige procedure zal starten.
4. Het geschil
[eiseres] vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis, althans een andere in goede justitie te bepalen termijn, aan [eiseres] rekening en verantwoording af te leggen van zijn beheer van de nalatenschap van erflaatster door:
a. te overleggen de nog ontbrekende bankafschriften van het ING bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] , zoals opgesomd onder randnummer 7 van de akte wijziging van eis en
b. primair te overleggen een onderbouwd overzicht van de vermogensmutaties betreffende de periode [dag] 2008 tot 8 juni 2021 waardoor inzichtelijk wordt welke inkomsten in de nalatenschap zijn ontvangen, welke kosten en uitgaven ten laste van de nalatenschap zijn gebracht en welke uitkeringen - als voorschot - aan de erfgenamen zijn gedaan;
c. subsidiair te overleggen een overzicht van de vermogensmutaties met onderbouwing betreffende de periode [dag] 2008 tot 8 juni 2021 waardoor inzichtelijk wordt welke inkomsten in de nalatenschap zijn ontvangen, welke kosten en uitgaven ten laste van de nalatenschap zijn gebracht en welke uitkeringen - als voorschot - aan de erfgenamen zijn gedaan alsmede een onderbouwde toelichting op de vermogensmutaties in de perioden waarvan de bankafschriften ontbreken, zoals opgesomd onder randnummer 7, waarbij de huurinkomsten worden betrokken;
d. meer subsidiair te overleggen een onderbouwde toelichting op de vermogensmutaties in de perioden waarvan de bankafschriften ontbreken, zoals opgesomd onder randnummer 7, waarbij de huurinkomsten worden betrokken;
e. het een en ander met veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom aan de nalatenschap van [erflaatster] vast te stellen op een bedrag van € 500,-per dag voor iedere dag of dagdeel dat gedaagde niet voldoet aan de tegen hem uit te spreken hoofdveroordeling, met een maximum van € 50.000,-;
II. [gedaagde] veroordeelt om aan de nalatenschap van erflaatster te vergoeden de daadwerkelijk gemaakte kosten ten behoeve van onderhavige procedure aan de zijde van [eiseres] van € 17.732,80, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met het in dezen betaalde griffierecht en de explootkosten van de deurwaarder, alsmede in de nakosten, vermeerderd met verschuldigde wettelijke rente over deze proceskosten ingaande de vijftiende dag na het ten deze te de dag van volledige betaling.
[eiseres] legt aan haar vordering, samengevat, ten grondslag dat [gedaagde] tot op heden geen (deugdelijke) rekening en verantwoording heeft afgelegd jegens [eiseres] als opvolgend executeur over dat wat hij als executeur van de nalatenschap van erflaatster heeft gedaan. [gedaagde] heeft weliswaar (pas bij de conclusie van antwoord) afschriften van de bankrekeningen van erflaatster overgelegd, maar hij heeft geen onderbouwde toelichting gegeven op de mutaties op de bankrekeningen, zodat niet duidelijk is waaraan de gelden van de nalatenschap gedurende zijn beheer zijn besteed. Daarbij komt dat een aantal bankafschriften ontbreekt. Dit klemt te meer nu er onverklaarbare tekorten zijn in de nalatenschap, aldus [eiseres] . [gedaagde] dient de benodigde informatie alsnog te overleggen. Onderhavige procedure had voorkomen kunnen worden indien [gedaagde] eerder rekening en verantwoording had afgelegd. Nu hij dit heeft nagelaten, meent [eiseres] dat [gedaagde] in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten moet worden veroordeeld.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiseres] . [gedaagde] erkent dat hij als voormalig executeur gehouden is om rekening en verantwoording af te leggen, maar er moet volgens hem wel rekening worden gehouden met het feit dat hij geen professionele executeur is. [gedaagde] heeft bij de conclusie van antwoord het grootste gedeelte van de bankafschriften van beide bankrekeningen overgelegd. Hij stelt niet te beschikken over alle (dag)afschriften van de bankrekeningen. Indien de rechtbank aanleiding ziet om [gedaagde] in de proceskosten te veroordelen, verzoekt hij deze te begroten conform het liquidatietarief. Voor een veroordeling in de daadwerkelijke kosten is volgens [gedaagde] geen aanleiding.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat een executeur wiens bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëindigd, op grond van artikel 4:151 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht is aan degene die na hem tot het beheer bevoegd is, rekening en verantwoording af te leggen op de wijze als voor bewindvoerders is bepaald (art. 4:161 BW). Tussen partijen is niet in geschil dat de bevoegdheid van [gedaagde] als executeur tot beheer van de nalatenschap van erflaatster is geëindigd en dat [eiseres] als gevolg daarvan bevoegd is geworden tot dat beheer. [gedaagde] moest dus het beheer van de nalatenschap overdragen en inzichtelijk maken wat hij als executeur tot dan toe ten behoeve van de nalatenschap had gedaan.
De wijze waarop rekening en verantwoording moet worden afgelegd is in de wet niet uitgewerkt en ook niet in alle gevallen gelijk. De inhoud van hetgeen als rekening en verantwoording mag worden verlangd, wordt telkens bepaald door de aard van de rechtsverhouding welke verplicht tot het zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen en de omstandigheden van het gegeven geval (HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561).
De verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording houdt in ieder geval in dat de executeur inzicht moet geven in de wijze waarop hij zijn werkzaamheden als executeur heeft verricht en dat hij een onderbouwd en gedocumenteerd overzicht dient te verschaffen van de mutaties in het beheerde vermogen. In dat verband moet hij ook alle redelijke vragen over zijn werkzaamheden beantwoorden.
Tijdens de mondelinge behandeling is met [eiseres] en de (voormalige) advocaat van [gedaagde] - [gedaagde] was zelf niet bij de mondelinge behandeling aanwezig - besproken dat van [gedaagde] als executeur meer wordt verwacht dan alleen de afgifte van de bij de conclusie van antwoord overgelegde bankafschriften, en welke stukken en informatie [gedaagde] nog zou moeten geven om aan zijn verplichtingen te voldoen. [eiseres] is vervolgens in de gelegenheid gesteld om bij akte nader te concretiseren welke informatie zij in het kader van de rekening en verantwoording nog van [gedaagde] nodig heeft.
Dit heeft [eiseres] gedaan in de aktes wijziging van eis van respectievelijk augustus 2024 en september 2025. Uit deze aktes blijkt dat [eiseres] inmiddels over alle bankafschriften van de bankrekening bij de ABN AMRO beschikt, maar dat van de bankrekening bij de ING nog een aantal bankafschriften ontbreekt. Het gaat om de bankafschriften met volgnummers:
- 2, 4 en 11 tot en met 15 over 2009;
- 3, 4, 7, en 12 tot en met het laatste afschrift over 2010;
- 1 tot en met 4 en 6 tot en met 8 over 2011.
[eiseres] vordert dat [gedaagde] voornoemde afschriften alsnog overlegt, althans een onderbouwde toelichting geeft met betrekking tot de mutaties in de perioden waarvan de bankafschriften ontbreken. [eiseres] wijst er in dit verband op dat er onverklaarbare dalingen zichtbaar zijn op het banksaldo. Zo is het saldo tussen 2 augustus 2010 (bankafschrift met volgnummer 1) en 28 februari 2011 (bankafschrift met volgnummer 5) met ruim € 17.500,- gedaald, terwijl er in de voorgaande periode als gevolg van maandelijkse huurinkomsten (voortkomend uit de verhuur van het pand in [plaats] ) steeds sprake was van vermogensaanwas. Tussen 28 februari 2011 en 9 mei 2011 (bankafschrift met volgnummer 9) was eveneens sprake van een aanzienlijke saldodaling van ongeveer
€ 1.800,-, terwijl er in deze periode ook huurinkomsten waren. [gedaagde] dient hierover opheldering te verschaffen, aldus [eiseres] .
Daarnaast vordert [eiseres] dat [gedaagde] een onderbouwd overzicht overlegt van de overige vermogensmutaties over de periode van [dag] 2008 (datum overlijden erflaatster) tot 8 juni 2021, waarin hij inzichtelijk maakt welke inkomsten in de nalatenschap zijn ontvangen, welke kosten en uitgaven ten laste van de nalatenschap zijn gebracht en welke uitkeringen (reeds) aan de erfgenamen zijn gedaan. Tot op heden ontbreekt een dergelijk overzicht, waardoor voor [eiseres] niet controleerbaar is hoe de gelden zijn besteed.
Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] tot nu toe geen toereikende rekening en verantwoording heeft afgelegd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat er van de zijde van [gedaagde] geen reactie meer is gekomen op de aktes van eiswijziging. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat er (nog steeds) bankafschriften ontbreken en dat zij geen (gedocumenteerde) onderbouwing heeft ontvangen van de mutaties op de bankrekeningen van erflaatster in de periode dat [gedaagde] het beheer hierover voerde. Dit brengt met zich dat [gedaagde] niet de inzage heeft verschaft in het beheer van de nalatenschap waartoe hij was gehouden. De rechtbank zal [gedaagde] daarom veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen.
De rechtbank zal in dit verband bepalen dat [gedaagde] de door [eiseres] gespecificeerde bankafschriften, voor zover hij deze nog in zijn bezit heeft, aan [eiseres] moet verstrekken. Indien [gedaagde] niet over de bankafschriften beschikt, dient hij in ieder geval een onderbouwde toelichting te geven op de vermogensmutaties in de perioden waarop de ontbrekende afschriften zien, waarbij hij ook de in die perioden ontvangen huurinkomsten moet betrekken.
Verder zal de rechtbank bepalen dat [gedaagde] een onderbouwd overzicht van de mutaties in het vermogen van de nalatenschap aan [eiseres] moet verschaffen over de periode vanaf [dag] 2008 (overlijden erflaatster) tot 8 maart 2021 (de datum waarop [gedaagde] is ontslagen als executeur van de nalatenschap). In het overzicht dient [gedaagde] inzichtelijk te maken welke inkomsten in de nalatenschap zijn ontvangen, welke kosten en uitgaven ten laste van de nalatenschap zijn gebracht en welke uitkeringen aan de erfgenamen zijn gedaan.
Voor zover [gedaagde] zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt heeft gesteld dat hij in ieder geval tot aan het overlijden van [naam 1] rekening en verantwoording heeft afgelegd omdat er regelmatig overleg plaatsvond tussen [gedaagde] , zijn broer en [naam 1] over de financiën, overweegt de rechtbank dat – voor zover dit al het geval is – hiermee geen rekening en verantwoording is afgelegd jegens de opvolgend executeur.
In de omstandigheid dat [gedaagde] , hoewel hij hiertoe ruimschoots gelegenheid heeft gehad, nog steeds niet heeft voldaan aan zijn wettelijke plicht om rekening en verantwoording af te leggen en hij ook niet heeft gereageerd op de aktes van eiswijziging, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat [gedaagde] dwangsommen verbeurt indien hij niet binnen de in het dictum bepaalde termijn rekening en verantwoording heeft afgelegd. De hoogte van de dwangsom zal worden bepaald op € 250,- per dag, met een maximum van € 10.000,-.
De proceskosten
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gebruikelijk is om de proceskosten te begroten aan de hand van (forfaitaire) bedragen die zijn neergelegd in het liquidatietarief van de rechtbanken. Alleen als sprake is van misbruik van procesrecht of evident onnodig procederen worden de daadwerkelijk gemaakte proceskosten vergoed. Daarvan is in dit geval geen sprake. De proceskosten van [eiseres] worden daarom (aan de hand van het liquidatietarief) begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
129,85
- griffierecht
€
314,00
- salaris advocaat
€
1.228,00
(2 punt × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.849,85
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals uitgewerkt in de beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om binnen zestig dagen na betekening van dit vonnis rekening en verantwoording af te leggen aan [eiseres] , door aan [eiseres] te overleggen:
a. de bankafschriften van de bankrekening van erflaatster bij de ING Bank nummer [rekeningnummer 1] met volgnummers:
- 2, 4 en 11 tot en met 15 over 2009;
- 3, 4, 7, 12 tot en met het laatste afschrift over 2010;
- 1 tot en met 4 en 6 tot en met 8 over 2011;
dan wel – indien hij niet over deze bankafschriften beschikt – een onderbouwde toelichting op de vermogensmutaties in de perioden waarop de ontbrekende afschriften zien, waarbij hij ook de in die perioden ontvangen huurinkomsten betrekt;
een onderbouwd overzicht van de mutaties in het vermogen van de nalatenschap over de periode van [dag] 2008 tot 8 maart 2021, waarbij [gedaagde] inzichtelijk moet maken welke inkomsten in de nalatenschap zijn ontvangen, welke kosten en uitgaven ten laste van de nalatenschap zijn gebracht en welke uitkeringen aan de erfgenamen zijn gedaan;
bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet geheel of tijdig aan de veroordeling onder 6.1 is voldaan, met een maximum van € 10.000,-;
veroordeelt [gedaagde] de proceskosten van € 1.849,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
3474