Gezagsuitoefening
Beschikking op het op [geboortedatum 2] 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Ahmadi in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres
advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci in Rijswijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarigen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben zich in een gesprek met de kinderrechter uitgelaten over het verzoek.
Op 10 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat, de vader bijgestaan door zijn advocaat en F. Roos namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Verzoek en verweer
De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Vervangende toestemming verhuizing
Standpunten ouders
De moeder kan de situatie als alleenstaande moeder met drie kinderen niet meer aan en zoekt de steun van haar nieuwe partner die zij nu ongeveer 1,5 jaar kent. Hij heeft een baan en een woning in [plaats 1] . De moeder stelt haar verhuizing echter wel uit tot de oudste kinderen naar de middelbare school gaan (na de zomer 2026). Zij heeft aangegeven dat als de kinderen in [plaats 2] moeten blijven, zij dat zal aanvaarden, dat zij sowieso naar [plaats 1] zal verhuizen en dat zij mogelijk een nieuw verzoek tot vervangende toestemming zal doen als later blijkt dat het niet goed gaat met de kinderen.
De vader heeft toegelicht dat hij zijn toestemming alleen heeft geweigerd omdat hij heeft begrepen dat de kinderen niet willen verhuizen. Voor hemzelf geldt dat hij weinig vertrouwen heeft in bestendigheid van de nieuwe relatie van de moeder. Als de vader meer vertrouwen zou hebben gehad in deze relatie zou hij wel hebben ingestemd. De vader blijft ook bij een verhuizing naar [plaats 1] bereid om de bestaande zorgregeling na te komen.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a eerste lid BW kunnen op verzoek van de ouders geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Uit vaste jurisprudentie – zoals Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901 – volgt dat bij de beslissing over vervangende toestemming voor de verhuizing van de kinderen alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen en tegen elkaar af worden gewogen.
Oordeel rechtbank
De rechtbank is er op basis van de stukken, het verhandelde ter zitting en de kindgesprekken van overtuigd dat de moeder, zoals zij ook ter zitting heeft gesteld, hoe dan ook naar [plaats 1] zal verhuizen. Het gebruikelijke kader, waarbij gekeken wordt naar de noodzaak van de verhuizing, de voorbereiding en bijvoorbeeld de bestendigheid van de nieuwe relatie in kwestie acht de rechtbank in dit licht niet richtinggevend. De rechtbank staat thans voor de afweging of het belang van de kinderen met zich brengt dat zij met hun moeder meegaan of dat zij in [plaats 2] blijven en feitelijk hoofdverblijf zullen krijgen bij hun vader.
Over deze belangenafweging overweegt de rechtbank, mede gelet op de kindgesprekken, als volgt.
Wat de jongste, [de minderjarige 3] , betreft ziet de rechtbank geen factoren die in de voornoemde afweging de doorslag geven, anders dan dat het naar het oordeel van de rechtbank in de rede ligt dat voor hem dezelfde beslissing zal gelden als voor zijn oudere zussen. [de minderjarige 3] is jong en flexibel genoeg om zich aan te passen aan zowel de situatie dat hij in [plaats 2] bij zijn vader zou blijven, danwel de situatie dat hij met zijn moeder naar [plaats 1] zou verhuizen.
Wat de tweeling, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , betreft neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de meisjes kennelijk het liefste zouden willen dat alles bij het oude blijft, te weten dat zij doordeweeks bij hun moeder in [plaats 2] wonen en in het weekend bij hun vader. Zowel de aanpassing van een verhuizing naar een nieuwe stad, uit de vertrouwde omgeving en de nieuwe partner van hun moeder, als een grotendeels verblijf bij vader met zijn nieuwe partner lijken de zusjes als mogelijkheden te aanvaarden. De rechtbank heeft overigens de indruk dat de stem van de kinderen in dit gezin weinig gewicht in de schaal legt.
Een complicerende factor is de uitermate zorgelijke psychische situatie van [de minderjarige 2] . Vanuit de school van [de minderjarige 2] zijn zorgen gemeld bij Veilig Thuis, waarna hulpverlening is opgestart. Inmiddels zijn Family Supporters en opvoedondersteuning in beeld. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat bij [de minderjarige 2] de gewenste stabiele mentale basis voor een verhuizing naar een nieuwe omgeving, of ingrijpende wijziging in de opvoedsituatie door een grotendeels verblijf bij vader met nieuwe partner, ontbreekt. De rechtbank constateert in dit verband dat beide ouders ten aanzien van de problematiek van [de minderjarige 2] min of meer op dezelfde lijn zitten en dat zij zich in deze moeilijke situatie als betrokken ouders uiten.
De rechtbank constateert echter ook dat de grote zorgen rondom [de minderjarige 2] de moeder er niet van weerhouden om de stap tot verhuizen te nemen, en de zorgen de vader er niet toe brengen om in het belang van de kinderen zich over zijn weerzin tegen de moeder heen te zetten en samen met de moeder de hulpverlening van de grond te krijgen. Dit betekent dat de rechtbank voorbij gaat aan de zorgen rondom [de minderjarige 2] . Immers, beide ouders blijken, ook ter zitting, niet bereid om in het belang van [de minderjarige 2] concessies te doen. Of de rechtbank de vervangende toestemming geeft of niet, voor [de minderjarige 2] blijft het een zorgelijke situatie.
De rechtbank komt tot de slotsom. De rechtbank overweegt dat de zorgregeling zoals die nu bestaat bij verhuizing naar [plaats 1] gehandhaafd zou kunnen blijven. De moeder houdt de zorg voor de kinderen doordeweeks en de vader, met de hulp van zijn nieuwe partner, in de weekenden. Voor de rechtbank weegt het handhaven van de bestaande zorgrelatie met de ouders zwaarder dan het handhaven van de woonlocatie. In de hoop dat de relatie van de moeder bestendig blijkt – waarvan na de zomer van 2026 wel meer zou kunnen worden uitgegaan – moet moeder met steun van haar partner meer rust hebben voor de zorg voor de kinderen. De rechtbank zal de vervangende toestemming daarom verlenen.
De rechtbank overweegt ten overvloede dat dit de ouders niet van de verplichting ontslaat om samen te bezien hoe zij in het belang van de kinderen, en vooral [de minderjarige 2] , hulpverlening zoals opvoedondersteuning en ouderschapsbemiddeling kunnen starten. De problematiek van [de minderjarige 2] trekt immers een grote wissel op haar vermogen om de verhuizing op een goede manier te verwerken.
Vervangende toestemming inschrijving school
De moeder verzoekt daarnaast om vervangende toestemming om de kinderen in te schrijven op de ‘ [basisschool] ’ in [plaats 1] . Deze school ligt dicht bij de woning van haar partner en de kinderen kunnen daar instromen. De vader voert verweer.
De vader is het niet eens met de verhuizing naar [plaats 1] , en kan daarom geen toestemming verlenen voor de inschrijvingen.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder ten aanzien van [de minderjarige 3] toewijzen. Nu de toestemming tot verhuizing pas wordt verleend vanaf de zomervakantie 2026, zal de rechtbank vervangende toestemming verlenen om [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] in te schrijven op een (middelbare) school in [plaats 1] .
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de moeder vervangende toestemming – welke toestemming van de vader vervangt – om met de minderjarigen:
vanaf de zomervakantie 2026 naar [plaats 1] te verhuizen;
*
verleent de moeder vervangende toestemming – welke toestemming van de vader vervangt – om [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] in te schrijven op een (middelbare) school in [plaats 1] , en [de minderjarige 3] in te schrijven op [basisschool] aan het [adres 2] ;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.