RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60165
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
Bij besluit van 10 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d: niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn/haar identiteit ennationaliteit;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel niet betwist. Deze gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Zicht op uitzetting
2. Eiser voert aan dat er in het geval van eiser geen zicht op uitzetting is, nu voor hem geen vlucht kan worden geboekt en hij, in afwachting van het beroep op zijn voorlopige voorziening in zijn asielaanvraag, rechtmatig verblijf geniet.
Bij besluit van 5 december 2025, waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond, heeft verweerder de bewaring van eiser op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, met toepassing van artikel 59b, derde lid, van de Vw, met ten hoogste drie maanden verlengd. Eiser verbleef in de te toetsen periode dus in bewaring krachtens artikel 59b van de Vw. De bewaring krachtens deze bepaling is niet gericht op de terugkeer van de vreemdeling naar zijn land van herkomst (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552, onder 3.1 en 3.2), maar op de behandeling van zijn asielaanvraag en een (eventuele) gerechtelijke procedure tegen de afwijzing daarvan. Zicht op uitzetting is daarom geen voorwaarde voor de voortduring van de bewaring van eiser, zodat er geen aanleiding bestaat om het zicht op uitzetting naar Marokko te beoordelen. Verder overweegt de rechtbank dat de verlengde termijn van drie maanden ten tijde van het sluiten van het onderzoek op 17 december 2025 nog niet is verstreken. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond niet.
Lichter middel
3. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat het onttrekkingsgevaar te algemeen is gemotiveerd. Eiser geeft aan dat hij meer ruimte en vrijheid nodig heeft om aan stukken te kunnen komen en een meldplicht zou dit makkelijker maken.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest Mahdi van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320).
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat eiser de gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel niet heeft betwist en dat uit deze niet bestreden gronden, in onderling verband en samenhang bezien, een risico op onttrekking voortvloeit. Dat eiser stelt makkelijker aan stukken te komen als er een meldplicht wordt opgelegd, kan aan dat risico op onttrekking niet afdoen en maakt de bewaring niet onevenredig bezwarend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.