ECLI:NL:RBDHA:2025:26507

ECLI:NL:RBDHA:2025:26507, Rechtbank Den Haag, 16-10-2025, C/09/659500 / FA RK 24-115

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-10-2025
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer C/09/659500 / FA RK 24-115
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Echtscheiding met nevenvoorzieningen, hoofdverblijfplaats, zorgregeling, kinderalimentatie, bijdrage kosten studie en levensonderhoud jong-meerderjarige, voortgezet gebruik echtelijke woning, afwijzing verzoeken verdeling huwelijksgoederengemeenschap vanwege strijd met goede procesorde

Uitspraak

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 4 januari 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat voorheen: mr. J.I. van Leeuwen te Den Haag,

advocaat nu: mr. M.E. Kreber te Zoetermeer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat voorheen: mr. M. Schreuders te Den Haag,

advocaat: mr. M.C. Carli-Lodder te Den Haag.

Procedure en procesbeslissingen

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

De rechtbank heeft voorts nog de volgende stukken ontvangen, maar niet in het dossier gevoegd:

Van de zijde van de vrouw is bezwaar gemaakt tegen de door de man op 8 september 2025 ingediende aanvullende verzoeken. De rechtbank heeft op zitting dat bezwaar toegewezen en als volgt uitgelegd.

De tiendagentermijn als bedoeld in artikel 7.8 van het Procesreglement Scheiding, verstreek op maandag 8 september 2025. In de laatste processtukken vóór het naderen van deze tiendagentermijn, ingediend door partijen in het najaar van 2024 – bijna een jaar geleden –, hebben partijen met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime ieder uitsluitend verzocht om de verdeling vast te stellen conform een nader in te dienen voorstel. Eerst op de laatste dag van de tiendagentermijn heeft de man zijn verzoeken geconcretiseerd. Het betreft verzoeken met betrekking tot de verdeling van vele vermogensbestanddelen, waaronder de aandelen in de onderneming van partijen, de echtelijke woning en een aandeel in een nalatenschap aan de zijde van de vrouw, en bovendien nog een aantal verrekenvorderingen. Dat zijn noch feitelijk noch juridisch eenvoudig te doorgronden verzoeken.

De rechtbank is van oordeel dat deze verzoeken zijn gedaan in strijd met de goede procesorde. Partijen hebben er recht op dat door de rechtbank uitspraak wordt gedaan op basis van een duidelijk debat, waarbij de standpunten helder zijn en nader kunnen worden besproken op een mondelinge behandeling waarvoor zowel partijen als de rechtbank zich goed kunnen voorbereiden. Door het op een dermate laat moment indienen van de aanvullende/geconcretiseerde verzoeken, hebben de wederpartij en de rechtbank zich niet goed kunnen voorbereiden op het debat. Daarbij betrekt de rechtbank dat de oproepbrief voor deze zitting is verzonden op 7 augustus 2025 en dat op 13 augustus 2025 bij deze rechtbank een kort geding zitting plaatsgevonden waarbij ook financiële aspecten tussen partijen aan de orde zijn geweest. Het dossier heeft bij de advocaten dus niet stil gelegen en de zittingsdatum was ruim van tevoren bekend. Dat zijdens de vrouw nog een verweerschrift is ingediend op de aanvullende/geconcretiseerde verzoeken maakt dit niet anders. Dat verweerschrift is op een dermate korte termijn voor de zitting binnen gekomen dat de rechtbank daar geen kennis meer van heeft kunnen nemen.

De rechtbank heeft wel kennisgenomen van de door beide partijen op 8 september overgelegde bijlagen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de zitting deze stukken toe te lichten en de rechtbank aan te geven in welk kader deze stukken van belang zijn.

De rechtbank laat de stukken van beide partijen die vanaf 15 september 2025 zijn ingediend buiten beschouwing, omdat deze in een dermate laat stadium zijn overgelegd dat de rechtbank daar geen kennis meer van heeft kunnen nemen.

Op 18 september 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Door de advocaat van de vrouw is op de zitting de machtiging namens de jong-meerderjarige [de jong-meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats] , overgelegd.

Feiten

- met [de jong-meerderjarige 1] op in onderling overleg tussen hem en [de jong-meerderjarige 1] te bepalen momenten;

- met [de minderjarige] op zijn dagopvang, waarbij de frequentie en duur van de contactmomenten in onderling overleg tussen de man en de betrokken hulpverleners bij de dagopvang zal worden bepaald;

- Deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 maart 2025 – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 15 februari 2024 – voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang inhoudende dat:

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt, na aanvulling/wijziging, de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert – onder referte ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding – verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken en verzoekt zelfstandig, na aanvulling, de echtscheiding uit te spreken en de volgende nevenvoorzieningen:

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De vrouw voert verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Door de ouders is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid beide ouders niet-ontvankelijk te verklaren in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).

Het is de rechtbank, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, voldoende gebleken dat het op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank zal partijen daarom ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.

De vrouw en de man hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Beide echtgenoten verzoeken de echtscheiding, zodat de rechtbank de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond zal toewijzen

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] heeft de man geen verweer gevoerd. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich daartegen verzet.

Ten aanzien van de zorgregeling overweegt de rechtbank het volgende.

[de minderjarige] is een zorgkind met een ernstige stoornis op het autismespectrum. Hij heeft een mentale ontwikkeling van een kind van nog geen vier jaar oud. Hij maakt gebruik van dagopvang bij Ipse de Bruggen.

Bij voorlopige voorzieningen van 15 februari 2024 is bepaald dat [de minderjarige] voorlopig contact met de man zal hebben op zijn dagopvang, waarbij de frequentie en de duur van de contactmomenten in onderling overleg tussen de man en de betrokken hulpverleners bij de dagopvang zal worden bepaald.

Daarna zijn partijen in een vaststellingsovereenkomst van 26 april 2024 een regeling overeengekomen waarbij de man iedere vrijdag van 15.00 uur tot 17.00 uur met [de minderjarige] samen is, waarbij de man [de minderjarige] bij Ipse de Bruggen ophaalt en hem daarna naar huis brengt.

Gebleken is dat er sinds december 2024 geen contact meer is geweest tussen de man en [de minderjarige] .

De vrouw stelt dat het door alle spanningen rondom de echtscheiding de laatste tijd niet goed gaat met [de minderjarige] . Momenteel gaat [de minderjarige] drie dagen in plaats van vijf dagen per week naar Ipse de Bruggen. De vrouw moet [de minderjarige] regelmatig eerder ophalen vanwege agressieve uitbarstingen richting personeelsleden. Voorheen werd [de minderjarige] met taxivervoer opgehaald en gebracht maar dat is vanwege zijn recente agressieve gedrag niet meer mogelijk, zodat de vrouw dit nu zelf doet. Er moet een medisch onderzoek komen om te kijken wat er precies aan de hand is met [de minderjarige] . Hij heeft ook last van epilepsieaanvallen. Op dit moment kan er volgens de vrouw geen sprake zijn van contact tussen [de minderjarige] en de man. De vrouw heeft eind december 2023 melding gedaan van huiselijk geweld door de man, waarna de man door de politie uit huis is gehaald. De man is veroordeeld voor poging tot mishandeling van de vrouw en de kinderen. De man ging altijd op een hardhandige en respectloze manier met [de minderjarige] om. De dochter van partijen zou hebben gezien dat de man [de minderjarige] in de auto, bij het terugbrengen naar huis, agressief heeft benaderd. De vrouw maakt zich ernstig zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] bij de man. De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat er wat haar betreft wel sprake kan zijn van begeleide omgang.

De man stelt dat hij ten onrechte is beschuldigd van huiselijk geweld en dat hij daarvoor ook ten onrechte strafrechtelijk is vervolgd en veroordeeld. Volgens de man is er geen contra-indicatie voor contact met [de minderjarige] . De regeling zoals afgesproken in de vaststellingsovereenkomst kan wat hem betreft worden vastgesteld door de rechtbank. Voor [de minderjarige] zal het niet te bevatten zijn dat hij al zo lang geen contact heeft gehad met zijn vader. De man had een hechte band met [de minderjarige] .

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat bij de huidige stand van zaken geen mogelijkheid voor het vastleggen van een onbegeleide zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] . De man is blijkens de aantekening mondeling vonnis van 13 juni 2024, overgelegd als productie 13 door de vrouw, strafrechtelijk veroordeeld voor poging zware mishandeling van de vrouw, bedreiging en mishandeling meermalen gepleegd, ten aanzien van in ieder geval de vrouw en de dochter van partijen. De man heeft een taakstraf en een contactverbod met de vrouw opgelegd gekregen. Gelet op deze onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat er geen sprake is geweest van huiselijk geweld. Partijen maken elkaar over en weer zeer ernstige verwijten, zowel wat betreft hun gedrag als wat betreft financiële wanpraktijken. Voorts is van belang dat partijen geen enkel contact hebben met elkaar (wat ook niet kan gelet op het contactverbod) en de man evenmin contact heeft met de inmiddels meerderjarige kinderen van partijen zodat ook zij geen rol kunnen spelen bij onbegeleid contact. Het is immers, gelet op de kwetsbaarheid van [de minderjarige] , noodzakelijk dat er overleg kan zijn over hoe het met hem gaat. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een onbegeleide zorgregeling niet in het belang van [de minderjarige] . Omdat er op dit moment geen mogelijkheden zijn voor begeleid contact, wijst de rechtbank het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling af.

Kinderalimentatie / bijdrage kosten studie en levensonderhoud jong-meerderjarige

Behoefte

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte in 2025 voor [de minderjarige] en [de jong-meerderjarige 1] € 990,- per kind per maand bedraagt.

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte over de ouders moet worden verdeeld.

Draagkracht vrouw

De vrouw stelt dat zij geen inkomen heeft. Zij leefde van het PGB waar zij recht op heeft voor [de minderjarige] . De man heeft dit volgens de vrouw stopgezet.

Volgens de man geniet de vrouw inkomsten uit verhuur van het pand aan de [straatnaam] van vermoedelijk € 3.100,- per maand, heeft de vrouw in 2025 een eigen onderneming ‘ [bedrijfsnaam 1] ’ opgericht en heeft de vrouw recht op een PGB uitkering voor [de minderjarige] .

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen ontvingen een PGB ten behoeve van [de minderjarige] . Dit is door de man in juni stopgezet. Op de zitting is gebleken dat de PGB uitkering inmiddels opnieuw is aangevraagd door de vrouw, maar nog niet is toegekend. Wat de exacte hoogte van het PGB was of zal zijn, is onduidelijk gebleven, net als de vraag uit welke componenten het PGB bestaat en dus welk deel als inkomen voor de vrouw beschouwd zou kunnen worden. De rechtbank houdt het er daarom op dat de vrouw uit het PGB van [de minderjarige] kan voorzien in een minimum inkomen voor zichzelf en stelt dat ambtshalve op € 1.500 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Anders dan de man zal de rechtbank geen rekening houden met huurinkomsten aan de zijde van de vrouw. De door de man ingediende producties 65 en 66, die deze stelling zouden moeten onderbouwen, betreffen slechts een niet nader onderbouwde indicatie. Ook is niet gebleken dat de vrouw inkomsten heeft uit een onderneming. De vrouw ontvangt wel kindgebonden budget. De rechtbank houdt geen rekening met de kinderbijslag, conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen. Dat de vrouw dubbele kinderbijslag ontvangt maakt dit niet anders, omdat de extra kinderbijslag bedoeld is om te voorzien in de aanvullende kosten van [de minderjarige] die samenhangen met zijn beperking; met deze kosten is bij het vaststellen van de behoefte van [de minderjarige] geen rekening gehouden.

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank aan de zijde van de vrouw zal uitgaan van een draagkracht van € 126,- per maand. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening.

Draagkracht man

De man is bestuurder van zijn eigen onderneming [bedrijfsnaam 2] BV. De man dient zijn recente loonstroken van januari tot en met augustus 2025 in waaruit blijkt dat hij een bruto salaris van € 4.321,- per maand verdient, wat neerkomt op een fiscaal jaarloon van € 44.803,-. Volgens de man verdient hij niet meer dan uit deze financiële stukken blijkt. Partijen hebben de afgelopen jaren op veel te grote voet geleefd, waardoor er aanzienlijke schulden in de rekening-courant verhouding met de onderneming zijn ontstaan. De man is bezig deze schulden af te lossen.

De vrouw stelt dat de man meer inkomsten heeft dan hij op papier laat zien. Daarvoor verwijst de vrouw naar de in de voorlopige voorzieningen overgelegde bankafschriften, waarin grote opnamen van de zakelijke rekening naar de privérekening te zien zijn. Verder stelt de vrouw dat de man regelmatig contante betalingen ontvangt, wat blijkt uit verklaringen van klanten van de man, die de vrouw heeft overgelegd als producties 24a, 24b en 24c. De man rijdt in een dure auto en koopt dure kleding. De man zet naar believen zijn financiële gegevens in elkaar, net hoe het hem uitkomt. Omdat de man zijn financiële gegevens achterhoudt, is zijn draagkracht niet te bepalen. Daarom moet er volgens de vrouw van uit worden gegaan dat de man de volledige behoefte van de kinderen kan betalen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nog daargelaten dat de rechtbank in deze procedure niet over de in de voorlopige voorzieningen overgelegde bankafschriften beschikt, kan de rechtbank enkel op basis van hoge privé opnames niet vaststellen dat de man daadwerkelijk over een hoger inkomen beschikt. Partijen zijn het erover eens dat zij altijd op zeer grote voet hebben geleefd. Dat kon volgens de man dankzij de enorme hoge opnames in de rekening-courant. Dat blijkt ook uit de door de man overgelegde jaarstukken. Weliswaar voert de vrouw aan dat die jaarstukken niet juist zijn, maar in het kader van de alimentatie heeft de rechtbank geen concrete onderbouwing van de stelling van de vrouw dat de man substantieel meer inkomen heeft dan hij op papier stelt te hebben. Dat de man in een dure auto rijdt, was ook al zo ten tijde van het huwelijk van partijen en deze wordt gefinancierd vanuit de onderneming. Verklaringen van derden over een luxe levensstijl van de man zijn doorgaans niet objectief, zodat de rechtbank deze niet doorslaggevend acht voor de beslissing. Voor zover de vrouw haar stellingen in dit verband nader heeft willen onderbouwen met de op 16 september 2025 overgelegde stukken, heeft de rechtbank, zoals hiervoor al is gebleken, geoordeeld dat deze buiten beschouwing blijven.

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank voor de berekening van de draagkracht van de man zal uitgaan van een bruto salaris van € 4.321,- per maand, blijkend uit zijn salarisspecificaties van januari tot en met augustus 2025. Daarvan uitgaand en rekening houdend met een vakantietoeslag van 8% en de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 3.477,- per maand.

Anders dan de man zal de rechtbank geen rekening houden met de aflossing van schulden. Dat partijen de hoog opgelopen rekening-courant schuld moeten aflossen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgewenteld op de (jong-meerderjarige) kinderen. Bovendien moet gelet op de overwaarde in de echtelijke woning worden aangenomen dat in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vermogen resteert, waaruit de schulden dan geheel of ten dele kunnen worden afgelost.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)] hanteren.

De draagkracht van de man bedraagt volgens bovenstaande formule:

70% x [3.477 – (1.043,10 + 1.310)] = afgerond € 787,- per maand.

Gezamenlijke draagkracht

De gezamenlijke draagkracht van de ouders bedraagt € 913,- per maand (787 + 126). Deze gezamenlijke draagkracht is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen van € 990,- per kind per maand (totaal € 1.980,-) te voorzien. Het tekort bedraagt € 1.067,- per maand (1.980 – 913). De rechtbank komt niet toe aan een draagkrachtvergelijking.

Zorgkorting

Nu er geen contact is tussen de man en de kinderen en er geen zorgregeling wordt vastgesteld, zal de rechtbank geen forfaitaire zorgkorting toepassen. Overigens zou de man, ook indien wel sprake was van een zorgkorting, gelet op het tekort wel zijn volledige draagkracht dienen aan te wenden.

Ingangsdatum

In redelijkheid zal de rechtbank de ingangsdatum vaststellen op de datum van de beschikking.

Conclusie

Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de door de man met ingang van heden te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] en de te betalen bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud ten behoeve van [de jong-meerderjarige 1] , vaststellen op € 787,- per maand, wat neerkomt op afgerond € 394,- per kind per maand. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.

Aanhechten berekening

De door de rechtbank gemaakte berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Partneralimentatie

De rechtbank zal geen behoefte van de vrouw vaststellen, nu hiervoor duidelijk is geworden dat de draagkracht van de man de beperkende factor is. Om dezelfde reden gaat de rechtbank niet in op het primaire verweer van de man dat het gestelde grievende gedrag van de vrouw reden is om geen partneralimentatie vast te stellen. Nu de man onvoldoende draagkracht heeft om zijn aandeel in de kosten van de kinderen volledig te voldoen, heeft de man evenmin draagkracht om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Om die reden zal de rechtbank het verzoek tot vaststelling partneralimentatie afwijzen. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de echtelijke woning voor minimaal vijf jaar na de inschrijving van de echtscheiding, althans een zodanige tijd als de rechtbank juist acht. De vrouw verzoekt dit omdat zij de zorg heeft voor drie kinderen, waarvan de jongste een extreme vorm van autisme heeft. Na alles wat de vrouw en de kinderen met de man hebben meegemaakt, waaronder een gewapende overval in de woning waarbij spullen van de man zijn meegenomen, hebben de vrouw en de kinderen voorlopig behoefte aan rust. Er is sprake van een krappe woningmarkt. De vrouw vraagt daarom de rechtbank in deze bijzondere situatie om haar minimaal vijf jaar de tijd te gunnen om andere woonruimte te zoeken of om uit te zoeken of zij de echtelijke woning, na de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, zou kunnen overnemen.

De man kan instemmen met een voortgezet gebruik door de vrouw van de echtelijke woning voor zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De man heeft ook op de zitting toegezegd dat hij de lasten van de echtelijke woning zal blijven betalen. De man wil wel dat de vrouw medewerking zal verlenen aan de verkoop van de woning binnen afzienbare termijn. Zolang de woning niet verkocht is, kunnen de vrouw en de kinderen in de woning blijven wonen.

De rechtbank zal bepalen dat de vrouw het voortgezet gebruik van de woning krijgt voor de duur van zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dit verzoek is op de wet gegrond en hier kan de man mee instemmen. Voor het overige zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen bij gebrek aan wettelijke grondslag.

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap

De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is opgenomen ten aanzien van de te late concretisering van de verzoeken met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank heeft vanwege strijd met de goede procesorde geoordeeld dat aan deze verzoeken voorbij wordt gegaan.

Dat betekent dat de rechtbank de verzoeken met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen over en weer zal afwijzen als onvoldoende concreet onderbouwd.

Onverdeeld laten echtelijke woning

De vrouw heeft tijdig verzocht om de woning onverdeeld te laten. Dit verzoek, gebaseerd op artikel 3:178 lid 3 BW kan echter niet slagen omdat de rechtbank in deze procedure niet de (wijze van) verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vaststelt. Bij de te maken afweging tussen het belang van de vrouw om met de kinderen in de echtelijke woning te blijven wonen en het belang van de man om de woning te verdelen, moet de vermogenspositie van partijen worden betrokken. De vermogenspositie van partijen is op dit moment nog volstrekt onhelder. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.

Proceskosten

Nu het een familierechtelijke kwestie betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt uit de echtscheiding tussen de man en de vrouw, gehuwd op 28 februari 2004 te Den Haag;

*

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum 3] 2008 te [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

*

bepaalt de door de man met ingang van heden te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] op € 394,- per maand;

*

bepaalt de door de man met ingang van heden te betalen bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud ten behoeve van de jong-meerderjarige [de jong-meerderjarige 1] ( [de jong-meerderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats] , op € 394,- per maand;

*

bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

*

verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.P. Bas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?