ECLI:NL:RBDHA:2025:26512

ECLI:NL:RBDHA:2025:26512, Rechtbank Den Haag, 08-10-2025, C/09/672163 / FA RK 24-6456

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-10-2025
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer C/09/672163 / FA RK 24-6456
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Echtscheiding met nevenvoorzieningen, partneralimentatie, verdeling huwelijksgoederengemeenschap

Uitspraak

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 9 september 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.A.E. van Poppel te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A. Vijftigschild te Leidschendam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 3 september 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Door de advocaat van de vrouw en van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

Verzoek en verweer

In de procedure met zaak- en rekestnummers C/09/672163 / FA RK 24-6456 en C/09/682982 / FA RK 25-2510

Het verzoek van de vrouw, na aanvulling en wijziging, strekt tot

echtscheiding,

met nevenvoorzieningen tot:

bepaling dat de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 825,- bruto per maand zal voldoen, dan wel een bijdrage die de rechtbank juist acht, met als ingangsdatum 12 juli 2024, dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, dan wel de datum van de beschikking, dan wel een ingangsdatum die de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

vaststelling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap conform het voorstel van de vrouw, waarbij wordt bepaald dat:

a. aan de vrouw wordt toegedeeld:

 de saldi van de op haar naam staande betaal- en spaarrekeningen, onder de verplichting tot vergoeding van de helft van het saldo per peildatum aan de man, maar rekening houdend met de verkoopopbrengst van de woning die partijen reeds hebben verdeeld van € 494.065,96;

 de auto, een Volkswagen Golf, met kenteken [kenteken 1] , onder de verplichting van de man om zijn volledige medewerking te verlenen in het overzetten van de tenaamstelling binnen twee weken na de beschikking;

b. aan de man wordt toegedeeld:

 de saldi van de op zijn naam staande betaal- en spaarrekeningen, onder de verplichting tot vergoeding van de helft van het saldo per peildatum aan de vrouw;

 het saldo van de beleggingsrekening bij BINCK, met nummer eindigend op [nummer 1] ;

 de camper, onder verrekening van de waarde;

 de motor, een Piaggo M64, met kenteken [kenteken 2] , onder verrekening van de waarde;

c. het saldo op de gezamenlijke rekening wordt verdeed, waarna de rekening wordt opgeheven;

d. de brommers, een Kymco Like, met kenteken [kenteken 3] en [kenteken 4] dienen te worden geleverd aan de kinderen, alsmede dat de man zijn volledige medewerking dient te verlenen om de brommers op naam te stellen van het desbetreffende kind en te zorgen dat de brommer die nog in zijn bezit is, inclusief alle sleutels en de bij de brommer behorende papieren, ergens wordt gestald, zodat het desbetreffende kind de brommer op kan halen, zonder dat de man hierbij aanwezig zal zijn;

tot vaststelling en de wijze van betaling dat uit hoofde van de verdeling en finale verrekening door de ene partij aan de andere partij dient te worden voldaan over te gaan, alsmede de termijn waarop de betaling dient te geschieden;

bepaling dat de man afschriften dient te verstrekken van de documenten zoals opgenomen in randnummer 65 van het processtuk aanvullende verzoeken uiterlijk vier weken voorafgaand aan de mondelinge behandeling, althans binnen twee weken na de door de rechtbank genomen beslissing ten aanzien van onderhavig verzoek;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert – onder referte ten aanzien van de echtscheiding en het verzoek van de vrouw onder IV – verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken en verzoekt zelfstandig:

te bepalen dat de saldi van de op naam van de vrouw staande bankrekeningen en spaarrekeningen aan de vrouw kunnen worden toegedeeld met vergoeding van de helft van het saldo per peildatum aan de man, maar niet eerder dan nadat ook de vrouw aan de rechtbank ex artikel 843a Rv een overzicht heeft overgelegd over de periode maart 2024 tot en met 9 september 2024, met het voorbehoud dat uit dit overzicht niet blijkt dat de vrouw van deze rekeningen gelden heeft onttrokken waarmee zij de man heeft benadeeld;

te bepalen dat de Volkswagen Golf aan de vrouw wordt toegedeeld onder de voorwaarde dat de vrouw de helft van de overeengekomen waarde (ad € 20.000,-) aan de man vergoedt;

te bepalen dat de Toyota Aurus met het kenteken [kenteken 5] aan de man wordt toegekend onder de voorwaarde dat de man de helft van de overeengekomen warde (ad € 10.000,-) aan de vrouw vergoedt;

te bepalen dat de saldi van de op naam van de man staande bankrekeningen en spaarrekeningen aan de man kunnen worden toegedeeld met vergoeding van de helft van de saldi per de peildatum aan de vrouw, waarbij ook ten aanzien van de man geldt dat in mindering strekt de opbrengst uit de verkoop van de echtelijke woning ad € 494.065,96;

te bepalen dat de beleggingsrekening bij BINCK bekend onder nummer eindigend op [nummer 1] aan de man wordt toegedeeld;

te bepalen dat de camper aan de man wordt toegedeeld onder verrekening van de helft van de waarde, zoals deze na taxatie zal blijken;

te bepalen dat de man een Piaggo M64 met het kenteken [kenteken 2] aan de man wordt toegedeeld zonder verrekening van de waarde;

te bepalen dat het saldo op de gezamenlijke rekening per de peildatum wordt verdeeld en onder de gehoudenheid van de man en de vrouw tot medewerking aan de opheffing van deze rekening;

te bepalen dat de brommers Kymco Like met de kentekens [kenteken 3] en [kenteken 4] aan de kinderen van partijen worden toegedeeld;

te bepalen dat ook de vrouw gehouden zal zijn om aan de man afschriften te verstrekken van de op naam van de vrouw staande bank- en spaarrekeningen over de periode maart 2025 t/m 9 september 2024 en dat ook de vrouw gehouden zal zijn om deze afschriften uiterlijk vier weken voorafgaand aan de mondelinge behandeling, althans binnen twee weken na een door de rechtbank genomen beslissing ten aanzien van dit verzoek;

te bepalen dat de vrouw inzage verstrekt over de gang van zaken rond de bankrekeningen, zoals door de man onder randnummer 25 is beschreven en te bepalen dat het saldo op deze spaarrekeningen tussen partijen zal worden verdeeld;

te bepalen dat de vrouw de helft van de factuur van Vattenfall (€ 1.250,18) en de helft van de aanslag van de belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (€ 1.967,81) aan de man dient te betalen;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken, en verzoekt aanvullend:

- te bepalen dat de man, naast de reeds eerder verzochte documenten zoals opgenomen in randnummer 65 van het aanvullende verzoekschrift van 28 oktober 2024, de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2024 dient te overleggen;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/683966 / FA RK 25-2980

Het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jong-meerderjarige 3] is ingetrokken.

Beoordeling

Echtscheiding

De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.

Partneralimentatie

Vermeerdering van verzoek

In eerste instantie heeft de vrouw verzocht een partneralimentatie van € 615,- per maand vast te stellen. De vrouw heeft op 24 augustus 2025 haar verzoek vermeerderd tot vaststelling van een partneralimentatie van € 825,- per maand. Hoewel de man in eerste instantie bezwaar heeft gemaakt tegen vermeerdering van dit verzoek omdat het te laat is ingediend, heeft de man bij het overleggen van zijn pleitnota ook een nieuwe alimentatieberekening ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man (kennelijk) voldoende tijd gehad om zich voor te bereiden op het vermeerderde verzoek zodat in dit kader geen sprake is van strijd met de goede procesorde.

Bij het vaststellen van partneralimentatie zijn de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie en de draagkracht van de man voor het betalen daarvan van belang. De rechtbank zal beide aspecten hierna bespreken.

Behoefte

De vrouw heeft haar behoefte op basis van de jaaropgaven 2024 berekend aan de hand van de hofnorm op € 4.207,- per maand in 2025.

De man betwist dat de vrouw een huwelijksgerelateerde behoefte heeft, omdat partijen al jaren ‘als broer en zus’ leefden, en dus ieder van hun eigen inkomen leefden. Ook stelt de man dat, als de huwelijksgerelateerde behoefte moet worden vastgesteld, dat aan de hand van een behoeftelijst moet en niet zonder meer aan de hand van de hofnorm, omdat voor de introductie van de hofnorm ook gebruik werd gemaakt van behoeftelijsten. In dat kader is een golfbeweging in de rechtspraak te zien, zodat niet vanzelfsprekend de hofnorm moet worden gehanteerd.

Naar het oordeel van de rechtbank moet er wel een huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw worden vastgesteld. Niet gebleken is dat partijen van hun eigen inkomen leefden. Uit de stukken is daarentegen wel gebleken dat de Vattenfall rekeningen en de aanslag van de belastingsamenwerking bijvoorbeeld door de man zijn betaald. Daar hoefde de vrouw haar salaris dus niet voor aan te wenden.

De huwelijksgerelateerde behoefte moet naar het oordeel van de rechtbank wel worden vastgesteld aan de hand van de hofnorm. De hofnorm wordt juist gehanteerd om discussies over de huwelijksgerelateerde welstand te voorkomen. De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) bij elkaar hoger zijn dan de kosten van een gezin.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw behoefte aan partneralimentatie en zij mocht die behoefte onderbouwen aan de hand van de hofnorm, zoals zij heeft gedaan.

Aanvullende behoefte

Op de netto behoefte van de vrouw moet haar netto besteedbaar inkomen (gebaseerd op haar huidige inkomen) in mindering worden gebracht.

In dat kader stelt de man dat de vrouw geen aanvullende behoefte heeft omdat zij met haar inkomen van € 53.960,- per jaar in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien. De vrouw verdient ruim vier keer meer dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande en kan bovendien 36 uur per week in plaats van 32 uur per week werken. Daarbij hebben partijen beiden uit de verkoop van de echtelijke woning een aanzienlijke overwaarde gekregen. De vrouw heeft hiermee een eigen woning kunnen kopen en betaalt nu dus geen maandelijkse woonlasten, waardoor zij meer te besteden heeft en dus geen aanvullende behoefte heeft.

De vrouw stelt dat zij al 32 uur per week werkt naast de steun die zij biedt voor de drie dochters van partijen bij de verwerking van hun ervaringen met de man. Bij haar huidige werkgever kan zij niet meer uren gaan werken. De vrouw heeft inderdaad met de verkoopopbrengst een woning kunnen kopen, net als de man.

De rechtbank volgt het verweer van de man dat de vrouw meer zou kunnen werken niet. Desgevraagd heeft de man op de zitting aangegeven dat hij zelf 36 uur per week werkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan van de vrouw – die slechts vier uur per week minder werkt dan de man – niet verwacht worden dat zij meer uur gaan werken. Dat de vrouw geen woonlasten heeft, speelt aan de draagkracht zijde maar niet bij de behoeftigheid van de vrouw. Ook daarin ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de vrouw geen aanvullende behoefte heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw een aanvullende behoefte aan partneralimentatie.

Draagkracht man en partneralimentatie

Voor het geval de rechtbank oordeelt dat wel sprake is van een (aanvullende) behoefte van de vrouw, heeft de man een draagkracht berekening overgelegd. Daarmee rekenend komt de man vervolgens op een te betalen partneralimentatie van € 803,- per maand. Ook de vrouw heeft een berekening overgelegd. Zij komt uit op een partneralimentatie van € 825,- per maand. Uitgaande van het tijdens de zitting besproken oordeel van de rechtbank dat de vrouw een (aanvullende) behoefte heeft, hebben partijen op de zitting afgesproken dat zij het eens zijn over een partneralimentatie van € 814,- per maand.

Ingangsdatum

De vrouw verzoekt als ingangsdatum 12 juli 2024, dan wel de datum van de indiening van het verzoekschrift dan wel de datum van de beschikking.

De rechtbank ziet – nu er geen voorlopige voorziening is gevraagd – geen wettelijke grondslag om de partneralimentatie eerder in te laten gaan dan de datum van de inschrijving van de echtscheiding in de daartoe bestemde registers. De rechtbank zal deze datum als ingangsdatum vaststellen.

Conclusie

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank de door de man, met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw te betalen partneralimentatie zal vaststellen op € 814,- bruto per maand. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 1990 te [plaats] . Het Nederlandse recht kende toen nog als huwelijksgoederenstelsel de algehele gemeenschap van goederen. Niet gesteld of gebleken is dat partijen bij huwelijkse voorwaarden een daarvan afwijkend huwelijksgoederenregime zijn overeengekomen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat er tussen partijen sinds [datum] 1990 sprake is van een gemeenschap van goederen. Deze gemeenschap moet op grond van artikel 1:100 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bij helfte tussen partijen worden verdeeld.

Peildatum

De peildatum voor de bepaling van de omvang van de te verdelen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is 9 september 2024, zijnde de datum waarop de rechtbank het verzoekschrift tot echtscheiding heeft ontvangen. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen bestanddelen geldt in beginsel de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders overeenkomen of tenzij daarvan op basis van de redelijkheid en billijkheid moet worden afgeweken.

Omvang van de huwelijksgoederengemeenschap

Door partijen zijn de volgende vermogensbestanddelen en schulden van de huwelijksgoederengemeenschap naar voren gebracht:

Ad. a, b en c) Verkoopopbrengst gezamenlijke woning, saldi betaal- en spaarrekeningen en beleggingen

De echtelijke woning van partijen is voor de peildatum verkocht en geleverd aan de kopers. De verkoopopbrengst is al gedeeld tussen partijen bij helfte. Ieder heeft een bedrag van € 494.065,96 ontvangen.

De rekeningen op naam van de man zijn als volgt:

De rekeningen op naam van de vrouw zijn als volgt:

De banksaldi op de peildatum van de rekeningen van partijen moeten bij helfte worden verdeeld, waarbij de reeds verdeelde verkoopopbrengst van de woning gecorrigeerd moet worden.

Aan de zijde van de man berekent de rechtbank het totaalsaldo op de peildatum als volgt. Aan de hand van de opsomming van de man in zijn brief van 22 augustus 2025 van de saldi en zijn bankafschriften komt de rechtbank uit op een saldo van € 617.399,20 (6.581,92 + 98.800 + 6.142 + 100.001 + 40.001 + 100.001 + 100.362,68 + 100.001 + 52.026 + 13.433,65). Niet in geschil is verder dat daar nog een bedrag van € 55.975,- bij moet worden opgeteld, nu de man dat heeft onttrokken ter gebruik van de aankoop van zijn nieuwe woning. Van het totaalsaldo van € 673.374,20 moet de verkoopopbrengst van de echtelijke woning van € 494.065,96 in mindering worden gebracht, waarna een totaalsaldo op de peildatum aan de zijde van de man resteert van € 179.308,24.

Aan de zijde van de vrouw berekent de rechtbank het totaalsaldo op de peildatum als volgt. Aan de hand van de opsomming van de saldi van de vrouw in de pleitnota van de man komt de rechtbank op een saldo van € 457.600,44 (455.140,93 + 0,19 + 1.624,28 + 831,68 + 3,36).

Volgens de man was er ook nog een en/of rekening van partijen bij de SNS waar € 32.000,- op stond. Gebleken is dat die rekening voor de peildatum is opgeheven en dat de vrouw het saldo naar een rekening op haar naam heeft overgeboekt. De man stelt dat dit bedrag bij het saldo van de vrouw moet worden opgeteld dan wel dat de vrouw met stukken moet onderbouwen waar het bedrag is gebleven. De vrouw stelt niet meer dan dat dit bedrag is opgegaan aan de gemeenschappelijke huishouding. De vrouw erkent derhalve dat zij het saldo van de en/of rekening naar haar eigen rekening heeft overgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat zij met het bedrag van € 32.000 heeft gedaan, en telt zij daarom, conform het verzoek van de man, het bedrag op bij het saldo van de vrouw, dat daarmee op € 489.600,44 komt.

Daarnaast stelt de man dat de vrouw van de VISA rekening van de man een bedrag van € 10.000,- af heeft gehaald na de peildatum. De vrouw heeft dat bevestigd, zodat de rechtbank hiermee bij de verdeling rekening zal houden.

Ten aanzien van de bankrekening van de vrouw bij de ING met rekeningnummer [nummer 14] , stelt de man dat op deze rekening volgens de belastingaangifte 2023 een bedrag van € 5.686,- stond. De vrouw heeft als saldo op de peildatum € 455.140,93 opgegeven. Het lijkt er volgens de man op dat de vrouw de overwaarde van het huis van € 494.056,96 heeft gestort, maar € 5.686,- daarbij opgeteld resulteert in een saldo van € 499.742,96. De man mist dan een bedrag van € 44.602,03. De man heeft daartoe inzage gevraagd in de bankafschriften van betreffende rekening over de periode maart 2024 tot en met 9 september 2024. De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft bij brief van 24 augustus 2025 als productie 13 bankafschriften overgelegd van maart 2024 tot en met september 2024, waaronder het bankafschrift van de genoemde bankrekening [nummer 14] . De vrouw heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het verzoek om inzage te verstrekken. De man heeft daarmee geen belang meer bij zijn verzoek en de rechtbank zal het verzoek van de man op dit punt in het kader van artikel 843a Rv dan ook afwijzen. Voor zover de man bedoelt te verzoeken om het bedrag van € 44.602,03 bij het vermogen van de vrouw op te tellen, wijst de rechtbank dit verzoek af wegens onvoldoende onderbouwing. Immers kan zonder verdere onderbouwing niet aangenomen worden dat het verschil tussen het saldo op de peildatum enerzijds en de overwaarde van het huis plus het saldo van 2023 anderzijds, meegenomen moet worden in de verdeling.

Verder geeft de man nog aan dat hij vraagtekens heeft bij verschillende afgeschreven bedragen aan de kant van de vrouw. Er wordt vier maal een bedrag afgeschreven aan DSP, in totaal € 5.461,93. Er wordt vaak geld overgemaakt naar de kinderen, totaal € 4.624,-. Aan inkomsten komt er in totaal € 33.475,- binnen, welk bedrag vervolgens in zes maanden alweer van de rekening verdwijnt. Dit lijkt volgens de man op geld wegsluizen in het zicht van de echtscheiding. Het is de rechtbank niet duidelijk wat de man hiermee bedoelt te verzoeken. Voor zover de man er op doelt dat deze bedragen bij het vermogen van de vrouw moeten worden opgeteld, acht de rechtbank dit verzoek onvoldoende onderbouwd. Het is immers niet aan de rechtbank om de vraagtekens en vermoedens van de man te onderzoeken. Het was aan de man om te stellen en te onderbouwen dat diverse betalingen ten onrechte zijn gedaan. Nu de man dat heeft nagelaten, zal de rechtbank deze verzoeken, die zij in de opmerkingen van de man zou moeten lezen, afwijzen.

Verder is niet in geschil dat aan de zijde van de vrouw nog een bedrag moet worden opgeteld vanwege onttrekking voor de aankoop van de nieuwe woning. Uit productie 13, pagina 27 en 28, van de vrouw bij brief van 24 augustus 2025 blijkt dat dit gaat om een bedrag van € 55.000,- (5.000 + 50.000). Daarmee komt het saldo van de vrouw uit op € 554.600,44 (499.600,44+ 55.000). Na aftrek van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning van € 494.065,96 resteert een totaalsaldo op de peildatum aan de zijde van de vrouw van € 60.534,48.

Bij het verrekenen van de saldi op de peildatum moet de man aan de vrouw nog een bedrag van € 59.386,88 doen toekomen (€ 179.308,24 + € 60.534,48 = € 239.842,72 : 2 = € 119.921,36 -/- € 60.534,48). De vrouw heeft zich na de peildatum al een bedrag van € 10.000,- van de rekening van de man toegeëigend, zodat een bedrag van € 49.386,88,-resteert. Verder zal de rechtbank bepalen dat ieder de eigen bankrekening zal voortzetten. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen, met uitzondering van hetgeen hieronder bij de bankrekening van [de jong-meerderjarige 3] is opgenomen.

Ad. d en e) Spaarrekeningen [de jong-meerderjarige 3] en [de jong-meerderjarige 2]

De kinderen van partijen, [de jong-meerderjarige 3] en [de jong-meerderjarige 2] , hebben een spaarrekening op hun naam.

Volgens de vrouw is de rekening van [de jong-meerderjarige 3] op 10 april 2024 beëindigd en heeft de man het toenmalige saldo van € 53.951,16 naar zichzelf overgemaakt. Het grootste deel daarvan, € 50.000, is volgens de vrouw terechtgekomen op de rekening van de man eindigend op [nummer 4] . De vrouw heeft verzocht om inzage in die rekening om te zien wat er met dat bedrag is gebeurd. De man stelt dat dit geld niet van [de jong-meerderjarige 3] was, dat hij het geld naar zijn eigen rekening heeft overgemaakt en dat het daardoor in de gemeenschap is beland en hierbij is verdeeld. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de man gelegen om te voldoen aan het verzoek van de vrouw om aan te tonen waar het bedrag is gebleven, bijvoorbeeld door inzage te geven in de bij- en afschrijvingen van betreffende rekening. De man heeft dit niet gedaan, maar alleen een overzicht van één bladzijde van de rekening gegeven, waaruit blijkt dat er € 50.000 is gestort op 15 april 2024 en dat het saldo op de peildatum € 1.546,08 was, hetgeen, naar de rechtbank opmerkt, overigens niet rijmt met het door de man opgegeven saldo van € 98.800,- per peildatum. Nu de man geen inzicht heeft gegeven in de bij- en afschrijvingen van de rekening terwijl de vrouw dit wel heeft gevraagd, zal de rechtbank, in aanvulling op hetgeen hierboven ten aanzien van de verdeling van de saldi van de bankrekeningen is bepaald, tevens vaststellen dat het bedrag van € 50.000 alsnog tussen partijen moet worden verdeeld in die zin dat de man een bedrag van € 25.000 aan de vrouw moet voldoen.

Op de spaarrekening van [de jong-meerderjarige 2] staat € 42.000,-. Volgens de man hebben partijen afgesproken dat dit bedrag bij helfte tussen partijen moet worden gedeeld, omdat het van partijen is en niet van [de jong-meerderjarige 2] . De vrouw betwist die stelling en stelt dat het geld van [de jong-meerderjarige 2] is. Naar het oordeel van de rechtbank kan de rekening op naam van [de jong-meerderjarige 2] niet in de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap worden betrokken. De rekening staat immers niet op naam van de man of de vrouw. Wat er op de peildatum op de rekening van [de jong-meerderjarige 2] stond, is van haar. Van een afspraak tussen partijen dat dit geld niet van de kinderen is maar van partijen en dus de boedel in moet vloeien, is niet gebleken. De rechtbank zal de verzoeken op dit punt om die reden afwijzen.

Ad. f) Lijfrente / verzekeringen

Partijen zijn het erover eens dat vanuit de Nationale Nederlanden een netto bedrag van € 1.438,27 is uitgekeerd aan de man en dat hij de helft hiervan (zijnde € 719,14) aan de vrouw zal betalen. De rechtbank zal aldus bepalen.

Ten aanzien van de OHRA levensverzekering zijn partijen het erover eens dat die op 27 juni 2024 de einddatum heeft bereikt en dat het opgebouwde kapitaal € 2.241,- bruto bedroeg. Dit bedrag is uitgekeerd aan partijen voor de peildatum en komt dus niet voor verdeling in aanmerking. De rechtbank hoeft hierover geen beslissing te nemen.

Ad. g) Voertuigen

Volkswagen Golf kenteken [kenteken 1]

Partijen zijn het erover eens dat de Volkswagen aan de vrouw kan worden toegedeeld voor een waarde van € 12.000,-, onder verrekening van de helft daarvan (€ 6.000,-) met de man.

Toyota Auris kenteken [kenteken 5]

Partijen zijn het erover eens dat de Toyota aan de man kan worden toegedeeld, maar zij zijn het niet eens over de waarde. Volgens de man moet de Toyota aan hem worden toegedeeld voor een waarde van € 5.961,-, volgens de vrouw voor € 8.450,-. Beide partijen hebben de waarde berekend aan de hand van de ANWB koerslijst, maar met een andere kilometerstand. Op basis van de door de man ingevoerde kilometerstand komt de waarde voor ‘verkoop particulier’ neer op € 7.050,-. De rechtbank zal aansluiten bij deze waarde, zodat de man uit hoofde van toedeling van de Toyota aan hem de helft daarvan (€ 3.525,-) aan de vrouw moet voldoen.

Camper

Partijen zijn het erover eens dat de camper aan de man kan worden toegedeeld, maar niet over de waarde.

De man heeft een taxatierapport van 1 februari 2025 van Nobel taxateurs & schade-experts overgelegd waaruit een waarde van de camper van € 8.500,- volgt.

Volgens de vrouw was het aankoopbedrag op 10 juli 2024 € 15.500,-, waarvan € 13.000,- per bank en het restant vermoedelijk contant is betaald. De vrouw gelooft niet dat de camper nog maar € 8.500,- waard is. Op marktplaats vindt zij vergelijkbare campers tussen de € 14.000,- en € 22.000,-. De waarde moet minstens worden vastgesteld op het aankoopbedrag, dus minstens € 13.000,-. De camper is net voor de peildatum aangeschaft.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen bestanddelen geldt in beginsel de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders overeenkomen of tenzij daarvan op basis van de redelijkheid en billijkheid moet worden afgeweken. Omdat de verdeling nu zal plaatsvinden, en niet ten tijde van de peildatum, acht de rechtbank het redelijk om aan te sluiten bij het meest recente taxatierapport. De camper zal daarom voor € 8.500,- aan de man worden toegedeeld waarbij de man de helft daarvan (€ 4.250,-) aan de vrouw moet voldoen.

Motor, Piaggo M64 kenteken [kenteken 2]

Partijen zijn het erover eens dat de motor aan de man kan worden toegedeeld. Zij zijn het niet eens over de waarde. Beide partijen hebben overzichten van marktplaats overgelegd van vergelijkbare motoren Piaggo M64. Volgens de man is de motor € 2.000,- waard, omdat uit zijn uitdraai van marktplaats een waarde van € 1.750,- tot € 1.950 blijkt. De vrouw komt op marktplaats uit op waarden tussen de € 2.400,-, € 2.999,-, € 3.250,- en € 6.500,-.

De rechtbank zal zoals op de zitting besproken middelen tussen de genoemde schattingen van waarden en de motor aan de man toedelen voor € 2.400,-, waarbij de man de helft daarvan (€ 1.200,-) aan de vrouw moet voldoen.

De rechtbank gaat in dit geval uit van een gemiddelde van de schattingen van de waarde, omdat verdere onderbouwing voor de waarde van de motor ontbreekt.

Brommer Kymco Like kenteken [kenteken 3] en Brommer Kymco Like kenteken [kenteken 4]

Partijen zijn het erover eens dat de brommer Kymco Like met kenteken [kenteken 4] aan de kinderen toekomt. Deze brommer is ook al in het bezit bij de kinderen.

De vrouw heeft haar verzoek ten aanzien van de andere brommer met kenteken [kenteken 3] ingetrokken. De rechtbank hoeft ten aanzien van de brommers geen beslissing te nemen.

Ad. h) Inboedel en (persoonlijke) bezittingen

Partijen hebben beiden aangegeven dat de inboedel in onderling overleg is verdeeld. De rechtbank hoeft hierop geen beslissing te nemen.

Ad. i) Overige lasten

Dierenarts

De man stelt een dierenarts inclusief incasso kosten van € 770,- te hebben voldaan, zodat hij nog € 385,- van de vrouw krijgt. De vrouw heeft daar op de zitting mee ingestemd.

Kosten auto vrouw

De man stelt dat hij nog steeds de wegenbelasting van € 70,- per maand en de verzekering van € 38,- per maand voor de Volkswagen Golf betaalt. Dat komt tot en met september 2025 neer op € 1.404,-. Volgens de man moet de vrouw dit volledig aan de man vergoeden.

Met de vrouw oordeelt de rechtbank dat de man de kosten van de auto op naam van de vrouw niet nader heeft onderbouwd. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat het gaat om een bedrag van € 1.404,-. Daarom zal de rechtbank het verzoek op dit punt afwijzen.

Vattenfall en belastingen

De man heeft aangetoond dat hij de nota van Vattenfall van € 1.250,18 en van de belastingsamenwerking van € 1.967,81 na de peildatum heeft voldaan. Beide partijen zijn voor de helft van deze nota’s draagplichtig. De vrouw is het ermee eens dat zij de helft van deze nota’s nog aan de man moet betalen. De rechtbank zal aldus beslissen.

Proceskosten

Nu het een familierechtelijke kwestie betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

In de procedure met zaak- en rekestnummers C/09/672163 / FA RK 24-6456 en C/09/682982 / FA RK 25-2510

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen de vrouw en de man, gehuwd op [datum] 1990 te [plaats] ;

*

bepaalt dat de man met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een partneralimentatie van € 814,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de onderlinge draagplicht van de daartoe behorende gemeenschapsschulden als volgt vast, onder voorwaarde van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand:

a. de Toyota Auris met kenteken [kenteken 5] voor een waarde van € 7.050,-, onder verrekening van de helft daarvan (€ 3.525,-) met de vrouw;

b. de camper voor een waarde van € 8.500,-, onder verrekening van de helft daarvan (€ 4.250,-) met de vrouw;

c. de motor Piaggo M64 met kenteken [kenteken 2] voor een waarde van € 2.400,-, onder verrekening van de helft daarvan (€ 1.200,-) met de vrouw;

6. bepaalt ten aanzien van de dierenarts nota van € 770,- dat de vrouw de helft daarvan (€ 385,-) aan de man moet voldoen;

7. bepaalt ten aanzien van de nota van Vattenfall van € 1.250,18 dat de vrouw de helft daarvan (€ 625,09) aan de man moet voldoen;

8. bepaalt ten aanzien van de belastingsamenwerking nota van € 1.967,81 dat de vrouw de helft daarvan (€ 983,91) aan de man moet voldoen;

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/683966 / FA RK 25-2980

De rechtbank:

stelt vast dat er niets meer te beslissen valt.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C. Witteman

Griffier

  • mr. R.P. Bas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?