Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/692173 / KG ZA 25-957
Vonnis in kort geding van 8 december 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats 1],
eiser,
advocaat mr. T.A. Bouman te Bussum,
tegen:
[gedaagde] te [woonplaats 2],
gedaagde,
advocaat mr. L.T.C.M. Geurts te Den Haag.
Partijen worden in het navolgende respectievelijk de man en de moeder genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties;
- de op 25 november 2025 gehouden mondelinge behandeling.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad welke is geëindigd in 2022.
Tijdens de relatie zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats];
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021.
De man heeft beide kinderen erkend. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over beide kinderen.
3. Het geschil
in conventie
De man vordert, na aanvulling van zijn oorspronkelijke vordering op zitting, – zakelijk weergegeven –:
- een voorlopige omgangsregeling vast te leggen, inhoudende:
dat de man de minderjarige [minderjarige 1] om de week ophaalt op vrijdag om 18.00 uur bij de woning van de moeder en de man [minderjarige 1] op zondag om 17.00 uur weer terugbrengt bij de woning van de moeder, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per keer dat de moeder deze regeling niet naleeft met een maximum van € 5.000,-;
- dat de schoolvakanties als volgt worden verdeeld: in de kerstvakantie verblijft [minderjarige 1] de eerste helft (vanaf de eerste zaterdag van de vakantie tot en met 27 december 2025 om 17.00 uur) bij de moeder en de tweede helft van de kerstvakantie (van 27 december 2025 om 17.00 uur tot de laatste zondag van de vakantie om 17.00 uur) bij de man;
- een DNA-onderzoek te gelasten naar de vraag of de man de biologische vader is van [minderjarige 2], en Verilabs Nederland B.V. als deskundige te benoemen.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Tussen partijen bestaat geen discussie over het vaderschap van de man ten aanzien van [minderjarige 1]. Wel stelt de man dat het onzeker is of hij (ook) de biologische vader is van [minderjarige 2]. In het verleden bestond een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] die goed liep. Deze hield in dat [minderjarige 1] om de week van vrijdag 18.00 uur tot zondag om 17.00 bij de man was. De moeder heeft deze regeling echter eenzijdig stopgezet, omdat zij wenst dat [minderjarige 2] ook bij de omgangsmomenten wordt betrokken in die zin dat de man ook omgang heeft met [minderjarige 2]. De man is het hier niet mee eens. Hij wenst geen omgang met [minderjarige 2] zolang er onzekerheid bestaat over het vaderschap en stelt dat die onzekerheid niet ten koste mag gaan van het contact tussen hem en [minderjarige 1]. Volgens de man is de weigering van de moeder om de omgangsregeling voort te zetten onrechtmatig en disproportioneel. Hij verzoekt dan ook dat de regeling zo snel mogelijk wordt hervat. Als blijkt dat hij wel ook de vader van [minderjarige 2] is, dan wenst de man ook omgang met [minderjarige 2].
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De moeder vordert – zakelijk weergegeven – een voorlopige omgangsregeling inhoudende dat:
de man de minderjarigen [minderjarige 1] én [minderjarige 2] om de week op vrijdag om 18.00 uur bij de woning van de moeder ophaalt en op zondag om 17.00 uur weer terugbrengt;
de minderjarigen [minderjarige 1] én [minderjarige 2] in de kerstvakantie de volgende omgang met de man hebben: de minderjarigen verblijven de eerste helft (vanaf de eerste zaterdag van de vakantie tot en met 27 december 2025 om 17.00 uur) bij de moeder en de tweede helft van de kerstvakantie (van 27 december 2025 om 17.00 uur tot de laatste zondag van de vakantie om 17.00 uur) bij de man.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. Uit de relatie van partijen zijn twee kinderen geboren. De man heeft op enig moment het idee gekregen dat hij niet de biologische vader van [minderjarige 2] is. De moeder betwist dit nadrukkelijk en heeft de man herhaaldelijk aangemoedigd om een DNA-test te doen. De man heeft dit tot nu toe niet gedaan. Volgens de moeder heeft zij de omgang nooit stop gezet, zij heeft slechts als voorwaarde gesteld dat de man ook omgang met [minderjarige 2] moet hebben. De moeder vindt het belangrijk dat beide jongens gelijk worden behandeld en dat er geen onderscheid tussen hen wordt gemaakt. In beginsel kan zij zich vinden in de vordering van de man, maar zij heeft bezwaar tegen het feit dat de man [minderjarige 2] niet bij de omgang wil betrekken.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
Spoedeisendheid
Deze zaak heeft een spoedeisend karakter omdat er op dit moment geen uitvoering wordt gegeven aan de door partijen afgesproken omgangsregeling. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man en de moeder dan ook inhoudelijk behandelen
DNA-onderzoek
Tijdens de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over het uitvoeren van een DNA-onderzoek bij Verilabs. Partijen hebben afgesproken dat zij zo spoedig mogelijk contact zullen opnemen met Verilabs om het DNA-onderzoek te starten, en dat de kosten daarvan door partijen, ieder voor de helft, zullen worden gedragen. De voorzieningenrechter zal overeenkomstig deze afspraak beslissen.
Omgangsregeling
Ten aanzien van de omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en de man ziet de voorzieningenrechter geen reden waarom deze niet kan worden hervat. Het is bovendien een recht van [minderjarige 1] om omgang te hebben met zijn vader en dus in zijn belang. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omgang tussen [minderjarige 1] en de man zo spoedig mogelijk moet worden hervat.
Wat betreft [minderjarige 2] ligt dit anders. Op dit moment acht de voorzieningenrechter het niet in het belang van [minderjarige 2] om omgang met de man te hebben. Ook voor [minderjarige 2] geldt dat hij recht heeft op omgang met zijn vader. Op dit moment is echter nog onzeker of de man ook de vader van [minderjarige 2] is. Aangezien de man heeft aangegeven dat hij, tot is gebleken dat hij de vader van [minderjarige 2] is, geen omgang met [minderjarige 2] wil, is omgang niet in het belang van [minderjarige 2]. Hoewel het standpunt van de moeder begrijpelijk is, moet het voor [minderjarige 2] verwarrend zijn als de omgang nu wordt gestart en later blijkt dat de man niet zijn vader is en de omgang vervolgens weer stopt. Binnen afzienbare tijd zal de zo gewenste duidelijkheid er zijn. Dat betekent dat, indien uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man wél de biologische vader van [minderjarige 2] is, er slechts voor een korte periode geen omgang plaatsvindt.
De voorzieningenrechter zal aldus bepalen dat [minderjarige 1] om de week van vrijdag 18.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft. Deze regeling zal ingaan per 19 december 2025. Voor [minderjarige 2] zal dezelfde regeling gelden onder de voorwaarde dat uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man ook zijn biologische vader is.
Omdat er in afwachting van het DNA-onderzoek geen omgang zal plaatsvinden tussen [minderjarige 2] en de man, zal de voorzieningenrechter voor de kerstvakantie uitsluitend een regeling vaststellen voor [minderjarige 1]. Aangezien beide partijen dezelfde regeling hebben gevorderd, zal deze regeling ten aanzien van [minderjarige 1] worden toegewezen.
Dwangsom
De man heeft een dwangsom aan zijn vordering gekoppeld als stimulans tot nakoming van de omgangsregeling. De voorzieningenrechter ziet op dit moment echter geen aanleiding om een dwangsom op te leggen, omdat hij ervan uitgaat dat de moeder de regeling in het belang van [minderjarige 1] zal nakomen.
Proceskosten
De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanleiding om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure en zal beslissen dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
gelast partijen om een DNA-onderzoek te starten bij Verilabs om te onderzoeken of de man de biologische vader is van [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021, waarbij de kosten bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;
bepaalt dat [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] om de week op vrijdag van 18.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige 1] bij de moeder haalt en brengt;
bepaalt dat [minderjarige 1] in de kerstvakantie de eerste helft (vanaf de eerste zaterdag van de vakantie tot en met 27 december 2025 om 17.00 uur) bij de moeder verblijft en de tweede helft van de kerstvakantie (van 27 december 2025 om 17.00 uur tot de laatste zondag van de vakantie om 17.00 uur) bij de man verblijft;
bepaalt dat op het moment dat blijkt dat de man de biologische vader van [minderjarige 2] is, tussen [minderjarige 2] en de man een omgangsregeling zal gelden waarbij [minderjarige 2] om de week op vrijdag van 18.00 uur tot zondag 17.00 uur (samen met zijn broer [minderjarige 1]) bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige 2] bij de moeder haalt en brengt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. de Klerk en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025.
LV