Kinderalimentatie
Beschikking op het op 21 augustus 2024 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.H.C. Houben te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden (voorheen: mr. L.E. de Jong).
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-bericht van de vader van 23 oktober 2025, met bijlagen;
- het F9-bericht van de moeder van 27 oktober 2025, met bijlagen.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Op 6 november 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Door de moeder zijn pleitaantekeningen overgelegd.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vader strekt ertoe, met wijziging in zoverre van de beschikkingen van 11 september 2017 en 3 januari 2018, te bepalen:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt te bepalen:
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ;
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2008 te [geboorteplaats] ;
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen belast.
- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij de moeder.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 11 september 2017 is een door de vader aan de moeder te betalen bijdrage aan kinderalimentatie vastgesteld van € 200,- per kind per maand.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 3 januari 2018 is een omgangsregeling vastgesteld, waarbij de kinderen bij de vader zijn:
één weekend per twee weken van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur, waarbij de vader de kinderen bij de moeder ophaalt en weer terugbrengt;
gedurende de laatste drie weken van de zomervakantie.
Beoordeling
Gezag en zorgregeling
De vader heeft op de zitting zijn verzoeken om hem gezamenlijk met de moeder met het gezag over [de minderjarige 2] te belasten en om een zorgregeling tussen hem en [de minderjarige 2] vast te stellen, ingetrokken. Hoewel de vader graag meer betrokken wil zijn in het leven van de kinderen en er onderling afspraken waren gemaakt, heeft de onderhavige procedure een averechts effect gehad op de relatie met zijn dochters. Hij heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat hij hoopt dat dit de rust zal doen wederkeren en dat de deur voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] altijd bij hem openstaat, zowel nu als in de toekomst.
Aangezien de vader zijn verzoeken heeft ingetrokken, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.
Informatieregeling
De vader heeft ook verzocht om de vaststelling van een informatie- en consultatieregeling. De moeder heeft hiermee in beginsel ingestemd. Op de zitting is echter gebleken dat de moeder het niet ziet zitten om de vader te consulteren als het gaat om beslissingen over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Naar haar mening is de communicatie tussen de ouders hiervoor te slecht. Zij is wel bereid om de vader één keer in de drie maanden een e-mail te sturen, met daarin informatie over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , hun ontwikkeling, belangrijke gebeurtenissen, et cetera. De rechtbank zal de moeder hierin volgen. De moeder neemt al lange tijd de beslissingen over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] alleen en de ouders zijn niet in staat om onderling te overleggen of af te stemmen over beslissingen voor de kinderen. De rechtbank zal daarom bepalen dat er enkel een informatieregeling zal gelden, waarbij de moeder de vader eens per kwartaal via de e-mail over de kinderen informeert.
Kinderalimentatie
Wijziging van omstandigheden
Een rechterlijke beslissing of overeenkomst inzake alimentatie kan worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijke bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 BW).
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vader heeft sindsdien een nieuwe relatie gekregen, waaruit op [geboortedatum 3] 2023 een kind is geboren: [de minderjarige 3] . De moeder is een geregistreerd partnerschap aangegaan, dat recentelijk door de rechtbank is ontbonden. De ontbinding is voor zover bekend nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Hierbij geldt in het algemeen dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijzing van de bijdrage met ingang van een datum gelegen vóór zijn uitspraak behoedzaam gebruik moet maken. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van wat in overeenstemming met de behoefte aan levensonderhoud al is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering
De rechtbank zal de kinderalimentatie, anders dan door beide ouders betoogd, wijzigen met ingang van 1 januari 2025. Naar oordeel van de rechtbank is dit een redelijke datum, gelet op het moment van indienen van het verzoek door de vader en de kosten voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] die de moeder in deze periode heeft gemaakt. Daar komt bij dat de moeder op 1 januari 2025 in ieder geval feitelijk niet meer samenwoonde met haar nieuwe partner, zodat hij feitelijk ook niet langer bijdroeg aan de kosten van de kinderen. De ingangsdatum sluit daarom naar oordeel van de rechtbank goed aan bij de wijzigingen die zich in de situatie van partijen hebben voorgedaan.
Samenloop
Er is sprake van samenloop van onderhoudsplichtigen. Partijen zijn beiden onderhoudsplichtig voor hun kinderen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De vader is daarnaast met zijn partner onderhoudsplichtig voor de in 2023 geboren [de minderjarige 3] . De onderhoudsplicht voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is van gelijke rang als die voor [de minderjarige 3] . Bij een samenloop moet de rechtbank beoordelen of de man in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. De rechtbank zal voor de verdeling van de kosten de nieuwe methode bij samengestelde gezinnen toepassen, zoals ook door partijen is gedaan. Daarbij wordt de zuivere draagkracht van de man per gezin berekend, in plaats van zijn afgeleide draagkracht op basis van de drie kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Dit wordt ook wel de ‘verhoudingenmethode’ genoemd. Voor zover de man een tekort heeft om in het totaal van de aandelen van de kinderen te kunnen voorzien, wordt dit naar rato van dit tekort over de drie aandelen omgeslagen.
De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van berekening leidt tot een rechtvaardigere uitkomst. Een andere verdeling van de draagkracht van de man, waarbij de draagkracht eerst over de kinderen wordt verdeeld en er daarna pas een draagkrachtvergelijking met de vrouw plaatsvindt, zou betekenen dat de vrouw naar verhouding een groter deel van de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor haar rekening moet nemen, terwijl de man onderhoudsplichtig is voor drie kinderen en hij onvoldoende draagkracht heeft om de hierna berekende aandelen te voldoen.
Behoefte [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
Bij het overeenkomen van de kinderalimentatie in 2018, is de behoefte van de kinderen niet berekend. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen op dat moment € 983,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2025 is de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tezamen dan € 1.261,- per maand.
Behoefte [de minderjarige 3]
Omdat de vader ook onderhoudsplichtig is voor [de minderjarige 3] , zal de rechtbank ook zijn behoefte berekenen. Voor het bepalen van de behoefte van [de minderjarige 3] moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de man en zijn partner worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man en zijn partner samen, inclusief eventueel kindgebonden budget. De rechtbank neemt daarbij het jaar 2023 als uitgangspunt, omdat [de minderjarige 3] in dat jaar is geboren.
Voor het berekenen van het inkomen van de man in 2023 te berekenen, gaat de rechtbank uit van zijn gemiddelde winst uit onderneming over 2021 tot en met 2023, zoals blijkt uit de jaarrekening 2021 (€ 53.041,-), 2022 (€ 57.103,-) en 2023 (€ 49.548,-). De gemiddelde winst is dan € 53.230,- per jaar. De rechtbank berekent het NBI van de vader op € 3.295,- per maand.
Aan de zijde van de partner van de vader gaat de rechtbank uit van haar jaarinkomen over 2023, te weten: € 26.086,-. De rechtbank berekent haar NBI op € 2.001,- per maand.
Het NBGI van de vader en zijn partner bedraagt dan in beginsel € 5.296,- per maand. Zij hebben bij dit bedrag geen recht op een kindgebonden budget. Hiervan moet echter de bijdrage die de man in 2023 betaalde voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] worden afgetrokken, omdat dat immers niet beschikbaar was voor [de minderjarige 3] . De geïndexeerde bijdrage van de vader voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] was in 2023 € 454,- per maand. Er resteert dan een NBGI van € 4.842,- per maand. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2023 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 685,- per maand voor [de minderjarige 3] . Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [de minderjarige 3] € 775,- per maand.
Draagkracht vader
Voor de berekening van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van dezelfde gegevens als voor de berekening van de behoefte van [de minderjarige 3] , te weten: de gemiddelde winst uit onderneming over 2021 tot en met 2023. In de eerste helft van 2025 is de vader in loondienst geweest, maar zijn dienstverband is per mei 2025 weer geëindigd. Omdat zijn inkomen uit loondienst nagenoeg hetzelfde is als de gemiddelde winst van € 53.230,- per jaar, acht de rechtbank het redelijk om dit als uitgangspunt te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de moeder betoogd, enkel uit te gaan van de winst over 2022.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2025 op € 3.433,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.433 – (1.030 + 1.310)] = € 765,- per maand.
Draagkracht moeder
Ten aanzien van de draagkracht van de moeder heeft de vader gesteld dat aan haar zijde sprake is van een verdiencapaciteit. De rechtbank zal dit standpunt (deels) volgen. De moeder werkt op dit moment 28 uur per week. Nu de kinderen op een leeftijd zijn dat zij ook goed alleen thuis kunnen zijn, mag naar oordeel van de rechtbank van haar worden verwacht dat zij haar werkuren uitbreidt. Anders dan door de vader betoogd, acht de rechtbank een werkweek van 32 uur daarbij redelijk.
Het inkomen van de moeder bij een werkweek van 28 uur bedraagt € 2.095,- per maand, zo volgt uit haar loonstrook over oktober 2025. Geëxtrapoleerd naar 32 uur is het inkomen van de moeder € 2.395,- per maand. De rechtbank neemt dit bedrag als uitgangspunt voor de berekening van haar NBI en draagkracht. De rechtbank houdt verder rekening met vakantiegeld van 8% per jaar, een (geëxtrapoleerd) pensioenafdracht van € 210,- per maand en een WGA-premie van € 9,- per maand.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025, inclusief kindgebonden budget, op € 3.168,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [3.168 – (950 + 1.310)] = € 636,- per maand.
Draagkracht nieuwe partner van de vader
Voor de berekening van de draagkracht van de nieuwe partner van de vader gaat de rechtbank uit van een bruto maandloon van € 1.811,-. De rechtbank houdt daarbij rekening met een vakantietoeslag van 8% en een pensioenbijdrage van € 130,- per maand. Op basis hiervan berekent de rechtbank het NBI op € 1.753,- per maand.
Bij een NBI tot € 1.875,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2025) een minimale draagkracht van € 25,- per maand voor één kind. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de nieuwe partner van de man in aanmerking nemen.
Verdeling van de kosten
Aan de kant van de vader is sprake van samenloop van onderhoudsverplichtingen. De rechtbank zal beoordelen of de man in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. Daarbij moet de rechtbank rekening houden met de bijdragen die de andere onderhoudsplichtigen moeten voldoen. Om het aandeel van de vader vast te stellen, vergelijkt de rechtbank de draagkracht van de vader met de draagkracht van de moeder, omdat zij samen onderhoudsplichtig zijn voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Omdat de vader en zijn nieuwe partner onderhoudsplichtig zijn voor [de minderjarige 3] zal de rechtbank de draagkracht van de vader vergelijken met die van zijn partner, om zijn aandeel in de kosten van [de minderjarige 3] vast te stellen.
De rechtbank zal, zoals hiervoor omschreven, de draagkrachtvergelijking zo vormgeven dat er twee afzonderlijke en los van elkaar staande berekeningen worden gemaakt voor de twee gezinnen van de man.
Draagkrachtvergelijking tussen de vader en de moeder
De man en de vrouw hebben een gezamenlijke draagkracht van € 1.401,- per maand (€ 636 + € 765). Dit is voldoende om in de gezamenlijke behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 1.261,- per maand te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 765 / 1.401 * 1.261 = € 689,- per maand
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 636 / 1.401 * 1.261 = € 572,- per maand
Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] komt een gedeelte van € 689,- voor rekening van de vader.
Draagkrachtvergelijking tussen de vader en zijn huidige partner
De man en zijn partner hebben een gezamenlijke draagkracht van € 790,- per maand
(€ 765 + € 25). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 3] van € 765,- per maand te voorzien. De rechtbank zal daarom net als hiervoor een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte van [de minderjarige 3] naar rato van ieders draagkracht wordt verdeeld.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 765 / 790 * 765 = € 741,-
Het eigen aandeel van de partner bedraagt: 25 / 790 * 765 = € 24,-
Draagkrachtvergelijking conform de verhoudingenmethode
De totale eigen aandelen van de man bedragen € 1.430,- per maand (€ 689 + € 741). Ten opzichte van de draagkracht van de man heeft de man daarmee een tekort van € 665,- per maand (€ 1.430 – € 765). De draagkracht van de man moet daarom worden berekend naar rato van de berekende aandelen. Dat leidt tot de volgende verdeling.
De man draagt bij:
Voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] : € 689 / € 1.430 * € 765 = € 369,-
voor [de minderjarige 3] : € 741 / € 1.430 * € 765 = € 396,-
Dat leidt ertoe dat ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een tekort bestaat van € 320,- per maand (€ 1.261 – (€ 369 + € 572)).
Gelet op het voorgaande moet de vader voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] € 369,- per maand bijdragen en voor [de minderjarige 3] € 396,- per maand.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de vader op dit moment geen contact heeft met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , maar hiertoe wel de wens heeft, geldt een percentage van 5. De zorgkorting bedraagt dan in beginsel € 63 per maand ((5% van € 1.261,-).
Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting (€ 320,- ten opzichte van € 63,-), vervalt de zorgkorting van de vader. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
Het aandeel van de vader in de kosten bedraagt daarom € 369,- per maand. De rechtbank zal dit bedrag vaststellen. Gelet op het consumptieve karakter van kinderalimentatie zal de rechtbank ambtshalve bepalen dat op de moeder geen terugbetalingsverplichting rust ten aanzien van de reeds sinds 1 januari 2025 door de vader betaalde alimentatie.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 11 september 2017 –:
bepaalt de door de vader met ingang van 1 januari 2025 te betalen bijdrage ter voorziening in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2008 te [geboorteplaats] ;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ;
op € 369,- per maand;
bepaalt dat op de moeder geen terugbetalingsverplichting rust ten aanzien van de reeds sinds 1 januari 2025 door de vader betaalde alimentatie;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 december 2025