RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de Minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15742
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Procesverloop
Bij besluit van 10 december 2024 (het primaire besluit) heeft de minister vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf (meer) heeft op grond van het Unierecht. Het daartegen gemaakte bezwaar is door de minister kennelijk ongegrond verklaard bij besluit van
20 maart 2025 (het bestreden besluit).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Wat vindt de rechtbank?
Waar gaat de rechtbank van uit?
1. Eiser heeft de Poolse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Hij stelt dat hij in 2020 naar Nederland is gekomen en dat hij hier ook heeft gewerkt. Eiser staat in de BRP ingeschreven als ‘registratie niet-ingezetene’. Hij leidt een zwervend bestaan en is meerdere malen in aanraking gekomen met de politie vanwege overlast en recent ook voor het plegen van winkeldiefstal. Hierdoor is twijfel ontstaan of eiser genoeg middelen heeft om van te leven en is onderzocht of eiser voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf.
Standpunten partijen
De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf ingevolge artikel 8.12, lid 1, van het Vb die gelden voor Unieburgers na de vrije termijn van drie maanden en dat eiser dus niet rechtmatig in Nederland verblijft. De minister wijst erop dat eiser dakloos is, geen arbeid verricht en daarmee wordt geacht niet te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Daarbij komt dat eiser meermaals is staande gehouden in verband met het plegen van overlast en dat hij recent is aangehouden in verband met winkeldiefstal. De minister heeft eiser daarom een verwijderingsmaatregel opgelegd, waarbij een belangenafweging is gemaakt. Daarbij heeft de minister geconcludeerd dat het belang van de Nederlandse Staat zwaarder dient te wegen dan het belang van eiser om in Nederland te mogen verblijven.
Eiser wijst erop dat uit artikel 15 en artikel 30 van de Verblijfsrichtlijn volgt dat de verwijderingsmaatregel op zodanige wijze schriftelijk ter kennis van de Unieburger moet worden gebracht dat de Unieburger de inhoud en de gevolgen van deze maatregel kan begrijpen en kan overzien. Eiser stelt dat het bestreden besluit hieraan niet voldoet, nu uit het bestreden besluit niet blijkt hoe hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen zodat hij weer een nieuwe vrije termijn op grond van artikel 6 van de Verblijfs-richtlijn kan krijgen. Het bestreden besluit komt dan de facto neer op een inreisverbod, aldus eiser.
Verwijderingsmaatregel
3.
Uit artikel 15 en artikel 30 van de Verblijfsrichtlijn volgt inderdaad dat de verwijderingsmaatregel op zodanige wijze schriftelijk ter kennis van de Unieburger moet worden gebracht dat de Unieburger de inhoud en de gevolgen van deze maatregel kan begrijpen en kan overzien. De rechtbank stelt in dit verband vast dat in het bestreden besluit door de minister gemotiveerd is overwogen dat en waarom eiser geen rechtmatig verblijf (meer) heeft. Ook stelt de rechtbank vast dat in het bestreden besluit onder de kop ‘Wat betekent dit besluit voor u?’ uitdrukkelijk wordt overwogen dat eiser als gevolg van het eindigen van zijn verblijfsrecht niet meer in Nederland mag zijn, dat hij Nederland binnen één maand moet verlaten, dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn vertrek en dat hij kan worden uitgezet als hij niet zelfstandig vertrekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee de inhoud en gevolgen van de maatregel voldoende duidelijk aan eiser kenbaar gemaakt. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de minister met het bestreden besluit niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 15 en 30 van de Verblijfsrichtlijn.
Met betrekking tot de stelling dat de minister in het bestreden besluit uiteen zou moeten zetten aan welke voorwaarden eiser moet voldoen om een nieuwe vrije termijn op grond van artikel 6 van de Verblijfsrichtlijn te krijgen, overweegt de rechtbank dat de minister hiertoe niet is gehouden, nu het bestreden besluit hierop niet ziet. De vraag of eiser zijn verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd hoeft pas te worden beantwoord en kan ook pas worden beantwoord als eiser ooit terug zou keren. De beroepsgrond faalt.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van M.J. Kambeel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.