Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 19 december 2024 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M. Wigman in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Kandemir in Dordrecht, voorheen: mr. B.S. van Haeften in ’s-Gravenhage.
Procedure
Bij beschikking van 3 maart 2025 van deze rechtbank is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen in zowel deze procedure als de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/673601, FA RK 24-7174. Verder is iedere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden tot 1 september 2025 pro forma.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
Op 18 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat, de moeder bijgestaan door haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de vader zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat bij de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen en beslist.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De ouders zijn gestart met de uitvoering van de afspraken die gemaakt zijn onder begeleiding van Family Supporters. Op dit moment is er contact tussen [minderjarige] en de vader gedurende vijf tot zes uur per week op woensdag, waarbij de vader naar [plaats 1] komt en [minderjarige] daar ziet. De feitelijke invulling van deze woensdag betekent dat de vader en [minderjarige] samen naar [speeltuin] gaan. Omdat [minderjarige] het daar niet zo lang volhoudt, is de duur van het omgangsmoment korter dan de vijf of zes uur die is afgesproken.
Tegen deze achtergrond is een onderzoek door de Raad gedaan, waarover op 30 juli 2025 een rapport is uitgebracht. De Raad adviseert de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader stapsgewijs uit te breiden naar om de week een weekend bij de vader. Tijdens het raadsonderzoek zijn er geen zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader naar voren gekomen. De conflicten die tussen de ouders hebben afgespeeld waren tussen hen. Van concrete signalen dat er agressie is geweest van de vader naar [minderjarige] is geen sprake. Hoewel de afgelopen periode verschillende hulpverleningstrajecten bij Family Supporters, Perspectief en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) zijn opgezet en gevolgd, heeft dit onvoldoende geleid tot verandering in de verhouding tussen de ouders. De Raad adviseert de ouders dan ook zelf een individueel hulpverleningstraject te volgen om de scheiding en de gebeurtenissen die hierin hebben gespeeld te kunnen verwerken. Zij kunnen dit bijvoorbeeld doen bij een psycholoog.
De rechtbank stelt voorop dat beide ouders het belang van goed en onbelast contact tussen de vader en [minderjarige] onderschrijven. Zij hebben daarbij echter andere ideeën over de vraag hoe dit contact moet worden vormgegeven. Zo kan de vader zich vinden in het advies van de Raad en verzoekt hij een zorgregeling vast te leggen conform het advies. De vader heeft daarbij wel aangegeven het halen en brengen van [minderjarige] te willen verdelen. De moeder heeft een auto waardoor er geen reden is waarom zij niet de helft van de autoritten voor haar rekening kan nemen. Als de moeder inderdaad in een schuldhulpverleningstraject zit, is de vader wel bereid om voor de duur van dit traject de kosten voor de benzine van de moeder voor zijn rekening te nemen. De moeder is het met het verzoek van de vader en het advies van de Raad niet eens. Zij wil niet dat [minderjarige] naar de vader toegaat zonder dat zij daarbij zelf aanwezig is. De moeder heeft op de zitting nogmaals haar angsten benadrukt en aangegeven te vrezen voor het contact tussen de [minderjarige] en opa en oma vaderszijde (vz) als [minderjarige] bij de vader is.
Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om eerst het contact tussen de vader en [minderjarige] te beoordelen en daarna over de invulling hiervan en de rol van opa en oma vz daarbij.
De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het uitgangspunt is dat [minderjarige] recht heeft op onbelast contact met beide ouders en het feit dat dit contact ook in zijn belang is. De rechtbank onderschrijft dat volwaardig ouderschap ook betekent dat de vader gedurende een langere aaneengesloten periode contact heeft met [minderjarige], omdat hij alleen op deze manier daadwerkelijk invulling kan geven aan het ouderschap. Reden om van dit uitgangspunt af te wijken zou zijn als er serieuze zorgen zijn over de veiligheid van een kind bij een ouder. Van zulke zorgen is naar het oordeel van de rechtbank niet dan wel onvoldoende gebleken. De moeder heeft haar zorgen naar voren gebracht over de veiligheid van [minderjarige], maar deze zorgen zijn gelegen in haar ervaringen in de relatie met de vader. Daarnaast heeft de moeder gesteld dat de vader onvoldoende oog heeft voor de luieruitslag van [minderjarige]. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader eventuele medische kwesties van [minderjarige] met voldoende zorg zal oppakken en heeft onvoldoende reden om aan te nemen dat hij dat niet zal doen. Het is daarvoor wel belangrijk dat beide ouders daarover communiceren en de adviezen van medici opvolgen.
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] en beide ouders dat er nu duidelijkheid komt over een zorgregeling waaraan zij zich beiden moeten houden. Alleen op die manier groeit [minderjarige] op met beide ouders in zijn leven. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat de vader in staat wordt gesteld om in zijn eigen leefomgeving zorg te dragen voor [minderjarige]. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de door de Raad geadviseerde zorgregeling inclusief opbouw aangewezen. De moeder heeft gesteld dat zij ouderschapsverlof heeft in het weekend en heeft daarom verzocht om de regeling doordeweeks te laten plaatsvinden. De rechtbank acht het van belang dat er een toekomstbestendige regeling komt. Hoewel [minderjarige] op moment nog niet naar school gaat, zal dit in de loop van volgend jaar wel het geval zijn. Het is dan niet in het belang van [minderjarige] om de zorgregeling opnieuw te wijzigen. Met oog op rust en duidelijkheid zal de rechtbank daarom een zorgregeling vastleggen conform het advies van de Raad.
Vanwege de naderende feestdagen en de wens van de vader om [minderjarige] dan te zien, zal de rechtbank bepalen dat de vader [minderjarige] mag ophalen op Tweede Kerstdag om 10:00 uur en hem om 17:00 uur weer dient terug te brengen naar de moeder. Vanaf januari 2026 geldt de zorgregeling waarbij [minderjarige] in de oneven weekenden bij de vader is. Het eerste weekend zal plaatsvinden op zaterdag 3 januari 2026 van 16:00 uur tot zondag 4 januari 16:00 uur. Deze regeling zal twee maanden lang doorlopen. Na twee maanden zal de regeling worden uitgebreid en is [minderjarige] van zaterdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de vader. De laatste stap – na weer twee maanden – is dat [minderjarige] om de week van vrijdagmiddag uit de kinderopvang of school (rond 15:00 uur) tot zondag 16:00 uur bij de vader is. Ten aanzien van het halen en het brengen zal de rechtbank bepalen dat de overdracht in eerste instantie zal zijn in de omgeving van [plaats 2], tussen de woonplaatsen van beide ouders in. Bij de laatste stap in de regeling zal de vader [minderjarige] op vrijdagmiddag ophalen in [plaats 1] en de moeder zal [minderjarige] om 16:00 uur ophalen in [plaats 3]. De rechtbank overweegt dat indien de moeder onderbouwd kan aantonen dat zij inderdaad in een schuldsaneringstraject zit dat de vader – conform zijn toezegging op de zitting – zal bijdragen in de kosten van benzine van de moeder voor de duur van het (schuldanerings)traject.
Ten aanzien van de vakanties en feestdagen zal de rechtbank bepalen dat de ouders deze bij helfte moeten verdelen vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat.
Rol van opa en oma vz
Opa en oma vz hebben een procedure gestart bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/673601 / FA RK 24-7174 waarbij zij een verzoek hebben gedaan tot het vaststellen van een omgangsregeling met [minderjarige]. Op de zitting is de situatie besproken en is namens opa en oma naar voren gebracht dat zij hun verzoek niet handhaven als zij contact kunnen hebben met [minderjarige] tijdens de zorgtijd van de vader. De moeder verzet zich hier tegen.
De Raad heeft in het rapport in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/673601 / FA RK 24-7174 geadviseerd geen omgangsregeling vast te stellen met opa en oma vz. De Raad vindt het wel belangrijk dat [minderjarige] ongedwongen contact kan hebben met opa en oma vz tijdens de weekenden bij de vader. Volgens de Raad zijn er geen contra-indicaties met betrekking tot de veiligheid van [minderjarige] bij opa en oma vz.
De rechtbank overweegt dat het doel van het verzoek van opa en oma vz is geweest om [minderjarige] te kunnen zien. Zoals hiervoor weergegeven, is het naar het oordeel van de rechtbank belangrijk dat de vader zijn vaderrol volwaardig kan gaan vormgeven. Daar hoort ook bij dat hij zelf zijn tijd met [minderjarige] mag invullen, waaronder dus ook ten aanzien van het contact met familie en vrienden gedurende die tijd. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank enkel anders zijn als er sprake is van dusdanige zorgen in het contact met familie en/of vrienden dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Het is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van zodanige zorgen dat die rechtvaardigen dat van het voornoemde uitgangspunt moet worden afgeweken. Het beperken van de wijze van de invulling van de zorgregeling zou een inbreuk op het privéleven van de vader betekenen. De angsten van de moeder zijn met name gericht op oma. Deze angsten zijn enerzijds gebaseerd op uitlatingen die oma zou hebben gedaan toen de moeder zwanger was van [minderjarige] en anderzijds door een incident waarbij oma de vrije doorgang voor de moeder zou hebben geblokkeerd en aan de beentjes van [minderjarige] zou hebben getrokken. De rechtbank heeft oog voor het gevoel van onveiligheid die deze gebeurtenissen bij de moeder hebben veroorzaakt. Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van dusdanige zorgen over de veiligheid van [minderjarige] dat die een inbreuk op het privéleven van de vader rechtvaardigen. Van een concrete dreiging in de richting van [minderjarige] is niet gebleken en ook overigens is niet gebleken dat de vader niet zou kunnen zorgen voor de veiligheid van [minderjarige]. De rechtbank acht het raadzaam dat de moeder hulpverlening krijgt om (verder) te werken aan het verminderen van haar zorgen en angsten. De rechtbank raadt beide ouders om aan de slag te gaan met het advies van de Raad en individuele hulpverlening te gaan volgen. De ouders kunnen zich hiervoor wenden tot hun huisarts of het CJG.
Gelet op het bovenstaande, zal de rechtbank bepalen dat opa en oma vz contact mogen hebben met [minderjarige] tijdens de zorgtijd van de vader. Gelet daarop en het besprokene op de zitting, beschouwt de rechtbank de verzoeken van opa en oma in de procedure C/09/677628 / FA RK 24-9134 als ingetrokken en stelt vast dat daaromtrent niets meer te beslissen valt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de vast te stellen zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het voor [minderjarige] belangrijk is dat het contact met de vader nu snel en op een voortvarende manier wordt opgebouwd. Doorbreking van die opbouw door een eventueel door de moeder in te stellen hoger beroep acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige].
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 27 september 2023 van deze rechtbank en de tussen de ouders gemaakte afspraken onder leiding van Family supporters – :
*
bepaalt als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats], als volgt bij de vader is:
*
bepaalt dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.