Vernietiging erkenning, gerechtelijke vaststelling vaderschap en alimentatie
Beschikking op het op 14 maart 2024 ingekomen verzoekschrift van:
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] ,
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. B.S. van Haeften, advocaat te [geboorteplaats 1] ,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres.
[de vader] ,
de vader,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres.
[de man] ,
de man,
wonende op een voor de rechtbank onbekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verslag/verzoek van de bijzondere curator, ingekomen op 14 maart 2024;
het e-mailbericht van 4 juni 2024 van de zijde van de vader, met als bijlage de (fotokopie van de) verklaring tot instemming belanghebbende;
het F9 formulier van 5 augustus 2025, met bijlage, van de zijde van de bijzondere curator.
Op 18 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen [de minderjarige] en de bijzondere curator. De moeder, de vader en de man zijn – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet op de zitting verschenen.
Feiten
Uit de moeder is geboren voornoemde minderjarige.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
[de minderjarige] verblijft feitelijk bij een logeerhuis van Jeugdformaat.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 december 2024 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 17 januari 2026.
De moeder, de vader en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De nationaliteit van de man is onbekend.
Verzoek en verweer
ten aanzien van de afstamming
De bijzondere curator verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk met uitvoerbaar verklaring bij voorraad – :
ten aanzien van het levensonderhoud
primair: te bepalen dat de moeder wordt verplicht om ieder kwartaal de kinderbijslag welke zij ten aanzien van [de minderjarige] ontvangt over te maken op het bankrekeningnummer van [de minderjarige] ;
subsidiair: te bepalen dat de moeder wordt verplicht om iedere maand ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op de bankrekening van [de minderjarige] een bedrag over te maken van € 100,- per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren;
meer subsidiair: te bepalen dat de moeder wordt verplicht dat zodra [de minderjarige] danwel haar begeleider aan de moeder aangeeft kleding, verzorgingsproducten dan wel andere goederen ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] nodig te hebben dit binnen een week nadat hierom is gevraagd voor [de minderjarige] wordt gekocht (begrensd ter hoogte van een bedrag dat de moeder ontvangt ten aanzien van de kinderbijslag) en wordt afgeleverd op het adres waar [de minderjarige] op dat moment woonachtig is;
te bepalen dat de erkenning welke is gedaan door de vader wordt vernietigd;
te bepalen dat het vaderschap van de man wordt vastgesteld en dat zo nodig een DNA onderzoek wordt bevolen.
Beoordeling
Alimentatie/levensonderhoud
De bijzondere curator heeft namens [de minderjarige] een aantal verzoeken gedaan ten aanzien van haar financiën. De rechtbank overweegt dat de moeder van [de minderjarige] op grond van artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht is om te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De wet biedt echter geen grondslag aan [de minderjarige] , de minderjarige, om verzoeken te doen hieromtrent. Er is met andere worden een onderhoudsplicht voor de moeder, maar er is geen rechtsingang op grond waarvan een minderjarige kan vragen om een bijdrage. Op het moment dat [de minderjarige] achttien wordt, bestaat die ingang wel en kan zij op grond van artikel 1:395a BW vragen om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie.
De rechtbank zal de verzoeken van [de minderjarige] ten aanzien van de financiën dan ook afwijzen.
Vernietiging erkenning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Aangezien [de minderjarige] , de moeder en de vader in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Vernietiging erkenning
Op grond van artikel 1:205 lid 1 BW kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend:
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:205 lid 4 BW wordt het verzoek door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Als het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
Omdat de bijzondere curator namens [de minderjarige] het verzoek tijdig heeft ingediend, is de bijzondere curator ontvankelijk in dit namens haar ingediende verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
[de minderjarige] heeft aangegeven dat de vader niet haar biologische vader is. Zij heeft een groot vermoeden dat de man haar biologische vader is. Graag wil zij dat de biologische en juridische werkelijkheid met elkaar in overeenstemming worden gebracht. De bijzondere curator heeft haar de juridische gevolgen uitgelegd en [de minderjarige] is consistent in haar wens. Zij heeft geen band met de vader. Nu [de minderjarige] volhardt in haar wens en de vader niet de verwekker is, verzoekt de bijzondere curator om de erkenning te vernietigen.
De gronden waarop [de minderjarige] haar verzoek doet steunen, worden door de moeder en de vader niet weersproken. Namens de vader is een instemmingsverklaring ingediend en de moeder stelt dat de man de biologische vader van [de minderjarige] is. De rechtbank zal het verzoek van [de minderjarige] dan ook toewijzen.
Gerechtelijke vaststelling vaderschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter komt op grond van artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht toe.
Op grond van artikel 10:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de vraag of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar die persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
De rechtbank is niet bekend met de nationaliteit van de man. Indien dit de Nederlandse nationaliteit is, dan hebben de moeder en de man de Nederlandse nationaliteit gemeenschappelijk en is Nederlands recht op grond daarvan van toepassing. Als de moeder en de man geen gemeenschappelijke nationaliteit zouden hebben, dan moet worden bezien waar de man en de moeder hun gewone verblijfplaats hebben. Als de man in Nederland woont, dan hebben de man en de moeder hun gewone verblijfplaats beiden in Nederland en is Nederlands recht op grond daarvan van toepassing. Zo niet, dan is de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] bepalend voor de vraag welk recht van toepassing is. Aangezien [de minderjarige] in Nederland woont, is ook dan Nederlands recht van toepassing.
De rechtbank zal aldus het Nederlands recht toepassen op het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
[de minderjarige] heeft verzocht om het vaderschap van de man vast te stellen. Zij is er zeker van dat de man haar verwekker is, zodat het vaderschap moet worden vastgesteld. [de minderjarige] is bereid om mee te werken aan DNA onderzoek. De rechtbank heeft de man telefonisch gesproken tijdens de zitting en de man ontkent expliciet dat hij de vader is. Hij verklaart destijds een DNA-onderzoek te hebben gezien, waaruit bleek dat een andere man de biologische vader is van [de minderjarige] . De rechtbank overweegt dat [de minderjarige] weinig familiaire betrekking heeft en weinig contact heeft met haar familie. De vaststelling van het vaderschap is dan ook heel belangrijk voor haar en is een laatste anker in de vaststelling van waar zij vandaan komt. Gelet op de ontkenning van de man dat hij de vader is van [de minderjarige] en de gevolgen van een vaststelling van het ouderschap acht de rechtbank het op dit moment echter nog te ver gaan om nu al – zonder DNA-onderzoek – het ouderschap van de man over [de minderjarige] vast te stellen. De rechtbank zal dan ook een DNA-onderzoek bevelen, nu zij dit het meest gerede middel vindt voor het bewijs van het eventuele verwekkerschap van de man. De rechtbank is ervan op de hoogte dat de man telefonisch tijdens de zitting heeft verklaard niet mee te willen werken aan een DNA-onderzoek. De rechtbank vindt het echter in het belang van [de minderjarige] dat komt vast te staan wie haar biologische vader is en doet daarom dringend een beroep op de man om wel mee te werken aan een DNA-onderzoek. De rechtbank vraagt daarbij aan de deskundige die het onderzoek uitvoert om eerst een afspraak te maken met de man, alvorens het DNA van [de minderjarige] en de moeder af te nemen, zodat wordt voorkomen dat onnodige kosten worden gemaakt als de man niet meewerkt. Als de man geen medewerking zal verlenen, dan zal de rechtbank daaraan de conclusie verbinden die zij geraden acht. De man kan er rekening mee houden dat de rechtbank dan de mogelijkheid heeft om het ouderschap van de man over [de minderjarige] vast te stellen.
Nu de bijzondere curator zich namens [de minderjarige] niet heeft uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige, gaat de rechtbank ervan uit dat zij stilzwijgend heeft verzocht zoals gebruikelijk na te melden deskundige te benoemen.
Daar de minderjarige degene is op wie de bewijslast rust, behoren de kosten van het onderzoek voorshands door haar te worden gedragen. Nu haar echter een toevoeging is verleend, zal haar ter zake van het deskundigenonderzoek geen voorschot worden opgelegd. Bij de beslissing over wie uiteindelijk de kosten moet betalen, kan de uitslag van het DNA-onderzoek van belang zijn. Zowel de man als de minderjarige moet er dan ook rekening mee houden dat hij respectievelijk zij bij de eindbeslissing (al dan niet gedeeltelijk) in de kosten van het DNA-onderzoek wordt veroordeeld.
De rechtbank zal de verdere behandeling van het voorliggende verzoek aanhouden in afwachting van de uitkomsten van het DNA-onderzoek. De bijzondere curator en de man moeten uiterlijk twee weken voor de pro formadatum, 15 april 2026, de rechtbank informeren over de verdere voortgang van de procedure.
Beslissing
De rechtbank:
*
vernietigt de erkenning, gedaan op 8 december 2011 bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [geboorteplaats 1] , door:
de vader, [de vader] , geboren op [geboortedatum 2] 1989 te [geboorteplaats 2] ;
van de minderjarige:
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] ,
uit:
de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1984 te [geboorteplaats 3] , Nederland;
*
beveelt een onderzoek door een deskundige van het DNA van:
1. de man: [de man] ,
2. de moeder: [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1984 te [geboorteplaats 3] , en
3. de minderjarige: [de minderjarige] geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] ,
en legt aan deze deskundige de vraag voor welke conclusie er aan de hand van zijn bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van de man;
benoemt tot deskundige die het onderzoek zal verrichten en de bovenstaande vraag zal beantwoorden: een deskundige verbonden aan Verilabs Nederland B.V., Noothoven van Goorstraat 11D, 2806 RA Gouda (telefoonnummer 085-105 1415);
beveelt dat partijen binnen twee weken na de datum van deze beschikking telefonisch een afspraak maken met Verilabs;
bepaalt dat hangende de procedure het ten laste van ’s-Rijks kas betaalde deel van de kosten van het onderzoek voorlopig aan de minderjarige in debet zal worden gesteld;
bepaalt dat de benoemde deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht omtrent zijn onderzoek uiterlijk op 15 maart 2026, vergezeld van zijn declaratie zal zenden naar de griffie van deze rechtbank, team Familie, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag;
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling en de kosten van het deskundigenonderzoek tot 15 april 2026 pro forma aan;
wijst af de verzoeken van de minderjarige ten aanzien van de financiën.