Echtscheiding met nevenvoorzieningen en voorlopige voorzieningen
ex artikel 822 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Beschikking op het op 17 januari 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.S. Odink in Den Haag (voorheen: mr. S. Salhi in Den Haag).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Leenders in Den Haag.
en beschikking op het op 27 maart 2025 ingekomen verzoekschrift van:
de man voornoemd, bijgestaan door zijn advocaat voornoemd.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de vrouw voornoemd, bijgestaan door haar advocaat voornoemd.
Procedure
In de echtscheidingsprocedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder van:
In de voorlopige voorzieningenprocedure
Bij beschikking van 10 juni 2025 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is:
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken.
In beide procedures
Op 1 december 2025 zijn de zaken in de vorm van een gecombineerde behandeling op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
Verzoek en verweer
In de echtscheidingsprocedure
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Voorlopige voorzieningenprocedure
Omdat de rechtbank hierna in de echtscheidingsprocedure een beslissing zal nemen over de zorgregeling tussen de man en [minderjarige], zal de rechtbank het verzoek van de man om een voorlopige zorgregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen afwijzen bij gebrek aan belang.
Echtscheidingsprocedure
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 onder a) van de Brussel II ter-verordening (nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019) heeft de Nederlandse rechtsmacht om te beslissen op de verzoeken tot echtscheiding.
De rechtbank past op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht toe.
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan
Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend, zoals op grond van artikel 815 tweede lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is vereist. Toch zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding, omdat het partijen niet lukt om zelf afspraken te maken over [minderjarige]. Partijen hebben hier een beslissing van de rechtbank voor nodig.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken om de echtscheiding uit te spreken.
De rechtbank zal de verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
Gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag over [minderjarige] en het verzoek van de man tot bepaling dat partijen gezamenlijk belast blijven met het gezag over [minderjarige].
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw stelt zich op het standpunt dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat zij voortaan alleen het gezag over haar uitoefent. De man heeft vanaf de geboorte van [minderjarige] weinig interesse in en betrokkenheid bij haar getoond en hij wil alleen met het gezag over [minderjarige] belast blijven, zodat hij zijn verblijfsvergunning kan houden. De communicatie tussen partijen verloopt zeer slecht en daardoor is uitoefening van het gezamenlijk gezag niet haalbaar. Er is een risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen partijen. Verder hebben partijen een andere levensopvatting en opvoedstijl, is de man te jong en weet hij niets over [minderjarige]. De man kan daarom geen gezagsbeslissingen in haar belang nemen. Ook heeft de man het voornemen om zich in [land 2] of [land 3] te vestigen en vreest de vrouw dat hierdoor gezagsbeslissingen over [minderjarige] niet genomen kunnen worden als het gezamenlijk gezag in stand blijft.
De man wil samen met de vrouw belast blijven met het gezag over [minderjarige] en hij wil geraadpleegd worden bij het nemen van gezagsbeslissingen. Hij stelt dat de referteverklaring die hij heeft ondertekend, waarin hij er onder meer mee heeft ingestemd dat de vrouw het eenhoofdig gezag over [minderjarige] krijgt, niet overeenkomt met zijn wil en dat hij niet wist waarmee hij instemde door ondertekening van de verklaring.
De rechtbank overweegt als volgt. Het wettelijk uitgangspunt is dat partijen na de echtscheiding gezamenlijk het gezag over hun kind blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:251a BW kan de rechtbank na ontbinding van het huwelijk door de echtscheiding op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één van de ouders toekomt, als: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Gelet op dat wat de man heeft verklaard zal de rechtbank geen gevolgen aan de referteverklaring verbinden. De rechtbank zal beoordelen of sprake is van een toewijzingsgrond voor het eenhoofdig gezag. De rechtbank is gebleken dat het partijen op dit moment niet lukt om op een constructieve wijze samen te werken en onderling te communiceren in het belang van [minderjarige]. Daarom heeft de rechtbank met partijen gesproken over deelname aan het traject Ouderschaps-bemiddeling, om de onderlinge communicatie te verbeteren en het onderlinge vertrouwen te herstellen. De vrouw staat daar – anders dan de man – op dit moment niet voor open. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat partijen zich, als de situatie tussen hen zich in een rustiger vaarwater bevindt, alsnog zullen wenden tot hulpverlening voor het verbeteren van de onderlinge communicatie en het herstellen van het onderlinge vertrouwen, waarbij de rechtbank dan ook denkt aan het traject Ouderschapsbemiddeling.
De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank niet, althans onvoldoende, aangetoond dat partijen niet in staat zijn om de noodzakelijke gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen of dat de man gezagsbeslissingen heeft belemmerd of geblokkeerd, waardoor [minderjarige] klem of verloren raakt, zonder dat hier verbetering in lijkt te komen binnen afzienbare tijd. Dat de vrouw aangeeft dat de man alleen met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] belast wil blijven, zodat hij zijn verblijfsvergunning in Nederland kan houden, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De man heeft dit gemotiveerd betwist en heeft gesteld dat hij ook zonder gezag een verblijfstitel heeft. Verder voert de man aan dat de stelling van de vrouw haaks staat op haar stelling dat de man zich in [land 2] of [land 3] wil vestigen. Ook is de rechtbank niet gebleken dat een wijziging van het gezag op dit moment anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De rechtbank zal gelet op al het voorgaande het verzoek van de vrouw om haar voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten afwijzen. Omdat de rechtbank het verzoek van de vrouw zal afwijzen, blijft het gezamenlijk gezag van partijen op grond van artikel 1:251 lid 2 BW dus in stand. De rechtbank zal het verzoek van de man om te bepalen dat partijen na ontbinding van het huwelijk gezamenlijk het gezag hebben over [minderjarige] daarom afwijzen bij gebrek aan belang.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om naar Nederlands recht te beslissen op het subsidiaire verzoek van de vrouw tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige].
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft geen verweer gevoerd tegen het subsidiaire verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom, als niet weersproken en in het belang van [minderjarige], toewijzen.
Zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter ook rechtsmacht om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling tussen hem en [minderjarige].
Inhoudelijke beoordeling
De man wil dat een zorgregeling tussen hem en [minderjarige] wordt vastgesteld. Omdat de man [minderjarige] sinds maart 2025 niet meer heeft gezien, begrijpt hij dat het contact tussen hen moet worden opgebouwd.
De vrouw verzet zich tegen de vaststelling van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige]. Zij stelt dat de man er sinds de geboorte niet voor [minderjarige] is geweest, hij nog nooit met haar alleen is geweest en dat hij niets van opvoeden weet. Net zoals bij het gezag, stelt de vrouw dat de man het verzoek alleen doet zodat hij zijn verblijfsvergunning kan houden. Als de rechtbank het in het belang van [minderjarige] acht dat een zorgregeling wordt vastgesteld, dan wil de vrouw dat eerst een raadsonderzoek wordt gelast, dan wel dat het contact plaatsvindt onder professionele begeleiding.
De Raad heeft op de zitting naar voren gebracht dat goed zou zijn om het contact tussen de man en [minderjarige] zo spoedig mogelijk te herstellen. De man moet de vrouw laten zien dat hij betrouwbaar is in het contact met [minderjarige] en dat hij daarin continuïteit kan bieden, zodat het vertrouwen van de vrouw in de man kan worden hersteld.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de situatie ten opzichte van de vorige zitting in de voorlopige voorzieningenprocedure op 27 mei 2025 niet is veranderd. Dit betekent concreet dat de man [minderjarige] niet meer heeft gezien sinds maart 2025. Op de zitting heeft de rechtbank uitgebreid met partijen gesproken over de zorgregeling tussen de man en [minderjarige]. Zoals op de zitting reeds is voorgehouden, acht de rechtbank het – net als de Raad en anders dan de vrouw – in het belang van [minderjarige] dat het contact met de man zo spoedig mogelijk wordt hersteld. De rechtbank ziet in wat door de vrouw is aangevoerd geen contra-indicaties die in de weg staan aan een zorgregeling. De man moet de kans krijgen om aan de vrouw te laten zien dat hij in staat is om zelfstandig de zorg voor [minderjarige] te dragen. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank niet of onvoldoende gesteld en aangetoond dat de man daartoe niet in staat zou zijn en vooral dat de veiligheid van [minderjarige] daarbij in gevaar zou komen. De rechtbank wil verder het belang benadrukken dat de man de vast te stellen zorgregeling onverkort na dient te komen, zodat het vertrouwen van de vrouw in de man niet verder wordt geschaad.
De rechtbank is van oordeel dat het contact de eerste drie weken onder begeleiding van iemand uit het netwerk van de vrouw zal moeten plaatsvinden, zodat de man en [minderjarige] elkaar opnieuw kunnen leren kennen en tegemoet wordt gekomen aan de zorgen van de vrouw. Hoewel de rechtbank de zorgen van de vrouw over (onbegeleid) contact tussen de man en [minderjarige] begrijpt, wordt naar het oordeel van de rechtbank aan deze zorgen voldoende tegemoet gekomen met de hierna volgende opbouwregeling. De rechtbank zal daarbij geen overnachtingen vaststellen. Dit acht de rechtbank, vanwege de jonge leeftijd van [minderjarige], op dit moment niet in het belang van [minderjarige]. De rechtbank zal de volgende zorgregeling in acht stappen vaststellen, waarbij [minderjarige] bij de man zal zijn:
waarbij de man [minderjarige] telkens bij de vrouw ophaalt en [minderjarige] naar de vrouw terugbrengt.
Mede gelet op het mondelinge advies van de Raad op de zitting, acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht en ziet daarom geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten naar de zorgregeling, zoals voorwaardelijk door de vrouw is verzocht. Anders dan de vrouw, ziet de rechtbank dus ook geen aanleiding om het contact tussen de man en [minderjarige] onder begeleiding van een professionele hulpverleningsinstantie te laten plaatsvinden.
De rechtbank zal aldus beslissen en zal het meer of anders verzochte over de zorgregeling, gelet op al het voorgaande, afwijzen.
Huurrecht
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de woning in Nederland is gelegen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 derde lid aanhef en sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht om te beslissen op de verzoeken tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning.
De rechtbank past op grond van Nederlands internationaal privaatrecht Nederlands recht toe.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen verzoeken beiden om het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw toe te kennen. De rechtbank zal de verzoeken daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
Beslissing
De rechtbank:
inzake C/09/682555 en FA RK 25-2315
*
wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
inzake C/09/678746 en FA RK 25-353
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2023 in [plaats 2], [land 1];
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben, en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat [minderjarige] bij de man zal zijn:
waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en [minderjarige] naar de vrouw terugbrengt, en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning in ([postcode]) [plaats 1] aan de [adres], met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
*
wijst af het meer of anders verzochte.