Gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling
Beschikking op het op 9 januari 2023 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Shahbazi te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Venneman te Den Haag.
Procedure
Bij beschikking van 12 december 2024 van deze rechtbank is een beslissing over het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang aangehouden in afwachting van het door partijen te volgen mediationtraject.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
Op 18 november 2025 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat, de moeder bijgestaan door haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen en beslist.
De vader heeft na de beschikking van 12 december 2024 – waarin hem vervangende toestemming tot erkenning is verleend – de erkenning van [minderjarige] geregeld. Daarnaast zijn de ouders gestart met een mediationtraject, maar dit traject is zonder overeenstemming beëindigd. Gebleken is dat [minderjarige] nog altijd niet weet wie haar vader is. De rechtbank concludeert dan ook dat de ouders in een patstelling zijn beland waarbij zij allebei het belang van contact tussen [minderjarige] en de vader onderschrijven, maar andere gedachten hebben over de manier waarop dit contact tot stand moet gaan komen. Daarbij is gebleken dat er geen statusvoorlichting heeft plaatsgevonden. De moeder heeft dus nog niet op een goede manier kunnen vertellen wie de vader van [minderjarige] is. De afgelopen periode hebben er wel contactmomenten plaatsgevonden bij McDonalds en/of KFC. De vader is hierbij geïntroduceerd als een vriend van de moeder. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen pleit de vader ervoor om een regeling vast te stellen, terwijl de moeder zich op het standpunt stelt dat er eerst hulpverlening moet komen en dat de zaak opnieuw moet worden aangehouden.
De rechtbank is van oordeel dat zowel de ouders als [minderjarige] niet gebaat zijn bij een nieuwe aanhouding en de lange periode van onzekerheid die een aanhouding met zich meebrengt, zodat de rechtbank een beslissing zal nemen op de voorliggende verzoeken. Dat neemt niet weg dat de ouders zullen moeten werken aan het onderlinge vertrouwen en zich moeten wenden tot de huisarts dan wel het Centrum voor Jeugd- en Gezin (CJG) voor het volgen van een ouderschapstraject. De rechtbank overweegt daarnaast dat de voorwaarde voor de verzoeken is dat de moeder statusvoorlichting geeft aan [minderjarige] , omdat het belangrijk is dat zij wordt ingelicht over het bestaan van haar vader. Met de moeder is op de zitting besproken dat zij dit kan bespreken met de praktijkondersteuner van de huisarts waar zij nu ook gesprekken mee voert, of dat zij zich kan wenden tot het CJG. Tegen die achtergrond zal de rechtbank beslissen over de verzoeken ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel omgangsregeling.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Krachtens het tweede lid van dit artikel wordt het verzoek tot gezamenlijk gezag bij niet instemming van de moeder slechts afgewezen indien (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de wet is dat de ouders in beginsel gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kind uitoefenen. Hiervoor is echter wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. De rechtbank acht de ouders daar op dit moment (nog) niet toe in staat. De ouders communiceren niet of nauwelijks met elkaar en er is sprake van grote spanningen, zoals ook merkbaar was tijdens de zitting. Daarnaast kennen de vader en [minderjarige] elkaar (officieel) nog niet en acht de rechtbank het van groot belang dat het contact goed gaat lopen, voordat de ouders gezamenlijk beslissingen over [minderjarige] gaan nemen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat gezamenlijk gezag (nog) niet in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader hiertoe afwijzen.
Omdat de rechtbank het verzoek tot gezamenlijk gezag afwijst, wordt in het vervolg gesproken over de omgang.
Omgang
De rechtbank is van oordeel dat er eerst statusvoorlichting aan [minderjarige] moet plaatsvinden voordat de omgang met de vader op regelmatige basis kan starten. De rechtbank zal de moeder de komende maanden de tijd geven om aan [minderjarige] te vertellen over de vader en haar voor te bereiden op de omgangsmomenten met de vader. De rechtbank zal een omgangsregeling met de vader vastleggen met ingang van 1 april 2026. De vader verzoekt een omgangsregeling waarbij binnen vier maanden wordt opgebouwd naar een weekendregeling van zaterdagochtend tot zondagavond. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat een weekendregeling uiteindelijk in het belang van [minderjarige] zou kunnen zijn, acht zij het tegelijkertijd wenselijk om de opbouw in een rustiger tempo te laten plaatsvinden. De rechtbank benadrukt dat het in het belang van [minderjarige] is dat beide ouders de omgangsmomenten en de afspraken hierover consequent nakomen. Gelet op het bovenstaande, zal de rechtbank een regeling bepalen waarbij de omgang iedere vier weken met een aantal uur wordt uitgebreid. De ouders moeten in onderling overleg afspreken welke momenten het beste uitkomen, waarbij het belang van [minderjarige] voorop moet staan.
Vakanties en feestdagen
Gelet op de opbouwende omgangsregeling zal de rechtbank een verdeling van de vakanties en feestdagen bepalen vanaf de herfstvakantie 2026. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] in de korte vakanties iedere vakantie twee aaneengesloten nachten bij de vader is, en in de zomervakantie (vanaf 2027) een week.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017
te [geboorteplaats] bij de vader zal zijn, vanaf 1 april 2026:
waarbij geldt dat de omgangsmomenten vanaf de tweede vier weken zonder aanwezigheid van de moeder zijn en de ouders de bovenstaande momenten in onderling overleg moeten afstemmen;
*
bepaalt vanaf de herfstvakantie 2026 de verdeling van de vakanties en feestdagen als volgt:
*en verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 december 2025.