RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer 1], eiser
de Minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52148
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en
(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vwopgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer F. Jousef. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005.
Is er een gebrek in de staandehouding en overbrenging?
Wat is het betoog van eiser?
2. Eiser voert allereerst aan dat hij staande is gehouden op de verkeerde grondslag. Hij is namelijk staande gehouden op grond van artikel 50 van de Vw, terwijl dit artikel 50a van de Vw had moeten zijn. Eiser verblijft thans niet meer illegaal in Nederland. Hij is in het kader van de Dublinprocedure zelfstandig vertrokken naar Oostenrijk en daarmee is de Dublinprocedure afgerond. Vervolgens is hij teruggekeerd naar Nederland en heeft hij opnieuw asiel aangevraagd op grond van nieuwe informatie die hij uit Oostenrijk heeft meegebracht. Daarmee is een nieuwe procedure gestart en is hij gedurende die procedure legaal in Nederland. Dit geldt al vanaf 9 oktober 2025, omdat hij toen zijn asielwens kenbaar had gemaakt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Op grond van artikel 62c, vierde lid van de Vw wordt het rechtmatig verblijf dat een vreemdeling op grond van artikel 8 aanhef en onder m van de Vw geniet, van rechtswege beëindigd nadat de vreemdeling Nederland kennelijk uit eigen beweging heeft verlaten. Dat is het geval wanneer de vreemdeling met onbekende bestemming uit het asielzoekerscentrum vertrekt. De Afdeling heeft geoordeeld dat dit rechtmatig verblijf niet herleeft wanneer de vreemdeling zich vervolgens weer meldt bij een asielzoekerscentrum en opvang ontvangt.
Dit betekent dat eiser op het moment van de staandehouding geen rechtmatig verblijf had en dus illegaal in Nederland was. Hij had namelijk geen herleefd rechtmatig verblijf, zoals hiervoor is overwogen. Dat eiser stelt dat hij naar Oostenrijk is vertrokken en daarmee heeft voldaan aan het overdrachtsbesluit is niet onderbouwd en dus niet komen vast te staan. Bovendien was er op het moment van staandehouding nog geen nieuwe asielaanvraag gedaan, zodat de vraag of een nieuwe asielaanvraag kan leiden tot een rechtmatig verblijf, niet besproken hoeft te worden. De staandehouding en overbrenging zijn dus op de juiste grondslag, te weten artikel 50 Vw, gedaan. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Is de machtiging tot binnentreden rechtsgeldig?
Wat is het betoog van eiser?
4. Eiser stelt voorts dat de machtiging tot binnentreden is afgegeven voor het adres ‘[adres 1]’, terwijl de staandehouding blijkens het proces-verbaal van staandehouding heeft plaats gevonden op het adres ‘[adres 2]’. De machtiging ziet dus niet op het juiste adres en daarmee is de staandehouding en daarop volgende inbewaringstelling volgens eiser onrechtmatig
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt vast dat de door de hulpofficier van justitie op 22 oktober 2025 afgegeven machtiging tot binnentreden van een woning (HV01) ziet op de woning aan het adres ‘[adres 1]’ met de nadere aanduiding ‘Kamer [nummer 2]’. Van de binnentreding is een proces-verbaal gemaakt (HV02) waarin ditzelfde adres en kamernummer staan vermeld. Alleen het proces-verbaal staandehouding (M105) vermeldt het adres ‘[adres 2]’, maar vermeldt daarentegen wel het juiste kamernummer waar eiser ook werd aangetroffen ([nummer 2]). De rechtbank gaat daarom uit van een kennelijke verschrijving in dit laatste proces verbaal. Dat betekent dat de machtiging die is afgegeven rechtsgeldig is en deze grond niet tot vernietiging van de maatregel van bewaring kan leiden.
Kan bij de zware gronden worden volstaan met het vaststellen van de feitelijke juistheid?
Wat is het betoog van eiser?
6. Eiser heeft ten aanzien van de bewaringsgronden in zijn algemeenheid en kort samengevat betoogd dat de minister in de maatregel niet kan volstaan met de feitelijke vaststelling van deze gronden ter onderbouwing van het significante risico op onderduiken. De feiten moeten geïndividualiseerd zijn en de minister moet onderbouwen dat uit deze feiten een significant risico op onderduiken van eiser blijkt. De minister heeft dit nagelaten zodat daarmee is sprake van motiveringsgebrek. Eiser heeft in dit verband nadrukkelijk verwezen naar een uitspraak van een rechter van deze rechtbank en een annotatie hierop.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling zeer recent uitspraak heeft gedaan in hoger beroep tegen de door eiser aangehaalde uitspraak. In deze uitspraak komt de Afdeling onder r.o. 4 e.v. tot een andere kijk op de feitelijke vaststelling van bewaringsgronden in relatie tot de restrictieve uitleg die artikel 6 van het EU Handvest vereist in situaties waarin vreemdelingenbewaring is toegestaan. De Afdeling concludeert uiteindelijk tot vernietiging van de aangehaalde uitspraak. Deze enkelvoudige kamer van de rechtbank ziet geen reden om van de door de Afdeling uiteengezette lijn af te wijken. Overigens is de rechtbank van oordeel dat de minister in de voorliggende maatregel niet louter heeft volstaan met een feitelijke vaststelling van gronden, maar een op de persoon toegespitste motivering heeft gemaakt waarom in het geval van eiser sprake is van een significant risico op onderduiken De door eiser aangedragen beroepsgrond faalt dan ook.
Welke gronden zijn aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd?
8. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
9. De minister heeft op de zitting de zware grond 4d laten vallen.
Kunnen de gronden de maatregel dragen?
Zware grond 3a
10. Eiser betoogt dat uit de feitelijke juistheid nog niet voortvloeit dat er een significant risico op onderduiken bestaat.
11. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij hiervoor onder r.o. 7. heeft overwogen. Zo heeft de minister overwogen dat eiser naar eigen inzicht inreist in een Europees land en op eigen gelegenheid ook weer vertrekt, zonder dat hij beschikt over de vereiste reisdocumenten. Op grond daarvan heeft de minister het aannemelijk kunnen vinden dat eiser het land niet op de voorgeschreven wijze zal verlaten en dat er daarom sprake is van risico op onderduiken en onttrekking aan het toezicht.
Zware grond 3b
12. Volgens eiser is de stelling onjuist dat hij zich niet op tijd heeft gemeld bij de autoriteiten om bescherming te vragen. Eiser is Nederland binnengekomen op 21 december 2024 en heeft zich vervolgens gemeld op 23 december 2024 en niet op 24 december 2024 zoals de minister stelt. Hij heeft zich op het eerst mogelijke moment gemeld en dus kan hem niet worden tegengeworpen dat hij zich niet onverwijld heeft gemeld.
13. De rechtbank is van oordeel dat deze grond terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Daargelaten de vraag of eiser zich bij binnenkomst wel tijdig heeft gemeld, heeft de minister ter motivering ook aangevoerd dat eiser zich enige tijd heeft onttrokken aan het toezicht, doordat hij op 29 juli 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en zich nadien niet meer heeft gehouden aan de meldplicht. Dit is door eiser niet weersproken. Daarmee is deze grond feitelijk juist en slaagt deze beroepsgrond niet.
Zware grond 3e
14. Eiser erkent dat hij in Turkije – in strijd met de waarheid – heeft opgegeven dat hij minderjarig was, maar daarvoor had hij een goede reden. Hij was namelijk meermalen ‘gepushbackt’ en mishandeld en hij wist dat hij als minderjarige wel een kans zou maken de grens over te steken omdat zijn minderjarige broer wel toegang tot het domein van de Europese Unie had gekregen. Eiser heeft in Oostenrijk en in Nederland vervolgens wel naar waarheid verklaard en meegewerkt. De verschillende registraties van zijn naam zijn te wijten aan de verschillende schrijfwijzen die de autoriteiten hanteren. Eiser heeft nooit de intentie gehad om de autoriteiten te misleiden. Door gebruikmaking van het woordje ‘bewust’ in de motivering van deze bewaringsgrond heeft de minister de verplichting op zich genomen om méér te doen dan enkel vaststellen dat deze grond feitelijk juist is. Dit heeft de minister nagelaten en daarom is deze grond niet voldoende gemotiveerd.
15. Hoe voorstelbaar het ook is dan eiser bereid is ver te gaan in zijn pogingen toegang om te krijgen tot de Europese Unie teneinde hier bescherming aan te vragen, dit rechtvaardigt nog niet het bewust opgeven van valse leeftijds- en/of naamgegevens. Dit is namelijk in strijd met de regels. De rechtbank volgt eiser daarnaast ook niet gebruikmaking van het woordje ‘bewust’ zou leiden tot een verzwaring van de motiveringsplicht. Eiser heeft niet gesteld waarop deze stelling is gebaseerd, maar los daarvan heeft de minister eiser terecht tegengeworpen dat uit zijn relaas en de toelichting bij deze beroepsgrond voldoende blijkt dat eiser bewust heeft gehandeld. Deze grond is feitelijk juist en kan de maatregel dragen.
Zware grond 3k
16. Eiser erkent dat voor hem een gefaciliteerde overdracht naar Oostenrijk was gepland en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt. De grond is dus feitelijk juist, maar ook hiervoor heeft eiser een reden. Eiser was namelijk niet aanwezig voor een overdracht, omdat hij al uit eigen beweging naar Oostenrijk was vertrokken. Deze bewaringsgrond is dan ook ten onrechte opgevoerd.
17. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat niet is komen vast te staan dat eiser zelfstandig is vertrokken naar Oostenrijk. Eiser heeft dit wel gesteld, maar op geen enkele wijze onderbouwd. Dat betekent dat niet is gebleken dat eiser heeft voldaan aan het overdrachtsbesluit. Dat eiser nu mee zal werken aan een overdracht is daarnaast niet aannemelijk, omdat hij zelf heeft verklaard dat hij niet terug wil en in de toekomst niet zal meewerken.
18. De beroepsgronden slagen dus niet. De zware gronden zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Wat verder nog is aangevoerd over de overige gronden behoeft daarom geen bespreking.
Leidt een ambtshalve toets tot een ander oordeel?
19. Ook overigens ziet de rechtbank ambtshalve geen grond voor het oordeel dat de
maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. Er is niet gesteld noch gebleken dat het familie- en
gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers
terugkeer.
Wat is de conclusie?
20. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Bruins, rechter, in aanwezigheid van A. Kanis, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.