Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 26 mei 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker],
verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.J. Koolen te Utrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: [naam].
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 28 augustus 2025 van de Staat;
- de brief van 23 september 2025, met bijlagen, van verzoeker;
- de brief van 30 oktober 2025 van de Staat;
- de brief van 4 november 2025 van de Staat;
- de brief van 6 november 2025 van verzoeker;
- een e-mailbericht van 10 november 2025 van verzoeker;
- een e-mailbericht van 18 november 2025 van de Staat.
Verzoek en het advies van de Staat
Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats].
- Verzoeker heeft op 13 februari 2023 een verblijfsvergunning asiel aangevraagd.
- Bij beschikking van 4 december 2024 is aan verzoeker een asielvergunning
verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de
Vreemdelingenwet 2000.
- Verzoeker heeft de volgende documenten overgelegd:
- geboorteakte van verzoeker, die echt is bevonden door Bureau
Documenten van de IND;
- geboorteakte van de vader van verzoeker, die echt is bevonden door
Bureau Documenten van de IND;
- kopie van een Palestijns paspoort met bewijs inname door de IND, dat echt is bevonden door Bureau Documenten van de IND;
- een kopie van de Palestijnse identiteitskaarten van verzoeker en zijn ouders;
- kopie Palestijns paspoort van de vader van verzoeker;
- een kopie van de geboorteakte van de moeder van verzoeker;
- een kopie van het Palestijnse rijbewijs van verzoeker.
- Verzoeker heeft verder een UNWRA document overgelegd dat niet echt is bevonden.
Beoordeling
Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder heeft verzoeker onmiddellijk belang bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
De rechtbank zal alleen de Palestijnse Gebieden betrekken in de beoordeling van het verzoek. De rechtbank ziet geen aanleiding om andere landen te betrekken, nu niet is gebleken dat verzoeker in andere landen heeft verbleven voorafgaand aan zijn komst naar Nederland.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op het door verzoeker overgelegde en echt bevonden paspoort en de echt bevonden geboorteakte is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor wat betreft het UNRWA document blijkt uit het advies van de Staat dat verzoeker in de gehoren tijdens de asielprocedure heeft aangegeven dat hij niet onder het UNRWA-mandaat valt. De rechtbank is het met de Staat eens dat er geen aanleiding is aan deze verklaring te twijfelen. Dat het UNRWA document niet echt is bevonden, doet daar niet aan af.
Voor zover verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verzoeker door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, zodat de staatloosheid van verzoeker kan worden vastgesteld.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat verzoeker staatloos is.