ECLI:NL:RBDHA:2025:26796

ECLI:NL:RBDHA:2025:26796, Rechtbank Den Haag, 22-12-2025, NL25.60522

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer NL25.60522
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, verblijfsrecht in Italië, gronden niet betwist, Lichter middel, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Juriaans).

uitspraak

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.60522

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. Y.M. Schrevelius),

en

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. el Manouzi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Verblijfsrecht in Italië

1. Eiser voert aan dat hij (mogelijk) een verblijfsrecht heeft in Italië. Hij heeft daartoe stukken overgelegd, waaronder Italiaanse uitspraken waaruit volgens eiser volgt dat de lopende procedure en de schorsende werking daarvan eiser procedureel verblijfsrecht in Italië verlenen. Als eiser een verblijfsrecht in Italië heeft, dan heeft dit volgens eiser gevolgen voor het terugkeerbesluit en de daarop gebaseerde bewaringsmaatregel. Verder stelt eiser dat verweerder, na het ontvangen van de stukken, een informatieverzoek had kunnen en moeten indienen bij de Italiaanse autoriteiten om duidelijkheid te krijgen over eisers verblijfsrechtelijke situatie. Eiser meent dan ook dat hij in plaats van een terugkeerbesluit, op grond van artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw de mogelijkheid had moeten krijgen terug te keren naar Italië.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat op 13 oktober 2025 een rechterlijke procedure in Italië is aangehouden om eiser, tot uiterlijk 20 oktober 2025, in de gelegenheid te stellen om stukken in te brengen ten behoeve van zijn beroep. Onduidelijk is of deze procedure op dit moment nog loopt, of dat er inmiddels uitspraak is gedaan in de zaak van eiser. Derhalve is ook niet duidelijk of de schorsende werking die de procedure in Italië heeft nog van toepassing is. Als een vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, dan wordt hij gelet op artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die lidstaat te begeven. Die bepaling is de implementatie van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Uitzetting naar het land van herkomst is dan niet (meer) aan de orde. Volgens het Handboek Terugkeer van de Europese Commissie (aanbeveling EU 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017, paragraaf 5.4), is de zinsnede ‘verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf’ zeer ruim. Zij omvat elke status of verblijfsvergunning die is afgegeven door een lidstaat en die een recht op legaal verblijf verleent. Volgens de Europese Commissie vallen onder deze zinsnede echter niet ‘documenten waaruit een tijdelijk uitstel van verwijdering blijkt’. Procedureel rechtmatig verblijf is naar zijn aard onzeker en veelal van korte(re) duur en is vergelijkbaar met het in de toelichting genoemde “uitstel van verwijdering”. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het tijdelijke verblijfsrecht van eiser in Italië op basis van zijn lopende procedures, wat daar ook van zij, in elk geval niet af doet aan het terugkeerbesluit van 14 mei 2025 en de uit dat besluit voortvloeiende vertrekplicht. Vergelijk onder meer de uitspraak van deze rechtbank van 22 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12316. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij beschikt over een andere verblijfsvergunning of toestemming tot verblijf in Italië.

De rechtbank volgt eiser, gelet op het voorgaande, ook niet in zijn stelling dat verweerder op grond van de samenwerkingsplicht een informatieverzoek had moeten indienen bij de Italiaanse autoriteiten. De lopende procedure in Italië en de schorsende werking daarvan doen niets af aan de geldigheid van het eerder opgelegde terugkeerbesluit en verweerder mocht de maatregel van bewaring daarom op dit terugkeerbesluit baseren. Nader onderzoek kon verweerder dan ook niet tot een ander besluit over de grondslag voor de bewaringsmaatregel brengen. De beroepsgrond slaagt niet.

De bewaringsgronden

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden als bedoeld in artikel 5.1b, eerste en derde lid van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;

3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;

3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden als bedoeld in artikel 5.1b, eerste en vierde lid van het Vb, vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank het standpunt van verweerder dat er sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht dragen.

Lichter middel

3. Eiser stelt dat hij psychische problemen ervaart en reuma in zijn handen en armen heeft. Hij heeft in dit verband een medische verklaring overgelegd van de organisatie Azienda USL Toscana nord ovest, gedateerd 12 april 2023. Eiser meent dan ook dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling.

Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en

het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

De rechtbank volgt eiser niet. Gelet op de terecht aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden is er een risico op onttrekking aan het toezicht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere maar minder dwingende maatregel dan inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat verweerder in de maatregel kenbaar de medische omstandigheden van eiser, waaronder zijn klachten in verband met reuma, heeft betrokken. In de psychische en reuma-gerelateerde problematiek van eiser heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen nu de medische zorg in detentiecentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Eisers gestelde medische omstandigheden maken hem daarom niet -zonder meer- detentieongeschikt en ook is niet aannemelijk gemaakt dat detentie onevenredig bezwarend voor eiser is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

4. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat verweerder eisers verklaring over zijn vrouw in Italië, met wie hij islamitisch gehuwd zou zijn, in de maatregel heeft betrokken en dat eiser de betreffende overwegingen niet concreet heeft bestreden.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

22 december 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?