RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
uitspraak
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60994 & NL25.61698
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 11 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd (bestreden besluit 1). Deze maatregel is opgeheven op 16 december 2025. Bij afzonderlijk besluit van 16 december 2025 (bestreden besluit 2) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Zaghdoud. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De bewaringsgronden
Aanvullende bewaringsgronden
Maatregel van bewaring van 11 december 2025 (bestreden besluit 1, zaaknummer NL25.60994)
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van
het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Recht op rechtsbijstand bij het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling
2. Eiser stelt dat zijn recht op rechtsbijstand is geschonden. Hij verwijst hierbij naar pagina 3 van het proces-verbaal van gehoor van 11 december 2025 (de M110), dat voorafging aan de inbewaringstelling. Op deze pagina is vermeld dat aan eiser is gevraagd of hij rechtsbijstand wenst tijdens het gehoor. Vervolgens is bij zijn antwoord niets vermeld. Volgens eiser is het dan ook niet duidelijk in hoeverre hij rechtsbijstand heeft willen hebben tijdens het gehoor. Bovendien is niet twee uur gewacht voordat het gehoor begon. Het gehoor is reeds vier minuten na de piketmelding begonnen. Wanneer een advocaat tijdig een piketmelding ontvangt, zou er in elk geval ruimte moeten zijn om diens cliënt kort te spreken. Volgens eiser dient het beroep, gelet op het beginsel van ‘fair trial’, gegrond verklaard te worden.
3. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Op pagina 2 van voornoemd proces- verbaal is aangekruist dat het gehoor zonder aanwezigheid van een advocaat zal plaatsvinden, aangezien eiser zou hebben verklaard geen prijs te stellen op diens aanwezigheid. Vervolgens is vermeld dat door de verbalisant aan eiser is medegedeeld dat aan hem alsnog een piketadvocaat zal worden toegewezen die zijn belangen zal behartigen in de verdere procedure. Daarna is de advocatenpiketdienst door de verbalisant ingelicht, waarna eiser telefonisch contact heeft gehad met zijn toegewezen advocaat en het gehoor is gestaakt. Pas daarna is het inhoudelijke gehoor aangevangen. Gelet op deze gang van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de vermelding dat eiser verklaard zou hebben geen prijs te stellen op de aanwezigheid van een advocaat. Indien eiser dit wel had gewild, had hij dit immers na het telefonische gesprek met zijn advocaat en vóór aanvang van het inhoudelijke gehoor nog naar voren kunnen brengen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist de zware gronden 3a, 3b en 3c, en 3d alsook de lichte gronden 4c en 4d. Eiser kan niet worden tegengeworpen dat hij niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen, nu hij in het kader van een Dublin-procedure vanuit Oostenrijk naar Nederland is overgedragen (3a). Gelet op deze gecontroleerde overdracht naar Nederland, heeft hij geen gelegenheid gehad om melding te maken van zijn onrechtmatig verblijf (3b). Daarnaast is het onduidelijk of de beschikking van 20 december 2024, waarin zijn asielaanvraag buiten behandeling is gesteld en een terugkeerbesluit is opgelegd, op de juiste wijze aan hem bekend is gemaakt. Uit het dossier blijkt namelijk dat eiser ten tijde van de beschikking al was vertrokken en dat er geen gehoor of zienswijze heeft plaatsgevonden. Eiser stelt dat de verzending van de beschikking naar een advocaat niet voldoende is, omdat niet is aangetoond dat deze advocaat gemachtigd was om hem bij te staan. Dit wordt volgens eiser onderstreept door het feit dat de advocaat geen zienswijze heeft ingediend (3c). Tot slot betoogt eiser met betrekking tot de betwiste lichte gronden dat voor iedereen die in het kader van een Dublin-procedure wordt overgedragen, geldt dat zij geen kans hebben gehad om in Nederland te wonen en werken. Volgens eiser is van belang of hij een last vormt voor de Nederlandse staat.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Eiser beschikte bij zijn eerdere aanmelding in Nederland niet over een geldig reisdocument. Het feit dat eiser op 11 december 2025 met een Dublin overdracht Nederland is binnengekomen, laat onverlet dat eiser eerder niet op legale wijze Nederland is binnengekomen. Verweerder heeft zich ook terecht en deugdelijk op het standpunt gesteld dat de zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Vaststaat dat eiser op 17 mei 2023 en 20 juni 2023 is geregistreerd als zijnde ‘met onbekende bestemming’ (MOB) vertrokken. Daarmee heeft verweerder eiser terecht kunnen tegenwerpen dat hij zich heeft onttrokken aan het toezicht op vreemdelingen. Voor zover eiser betoogt dat de bekendmaking van de beschikking van 20 december 2024 niet geldig is omdat moet worden getwijfeld aan de volmacht van de advocaat naar wie deze beschikking is gestuurd, volgt de rechtbank ook dit standpunt niet. De advocaat naar wie de beschikking is verstuurd stond in de systemen van verweerder bekend als de gemachtigde van eiser. Niet valt in te zien waarom verweerder niet uit mocht gaan van die registratie. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan verweerder hieraan had moeten twijfelen. De zware gronden 3a, 3b, 3c en de overige niet bestreden gronden zijn, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de zware grond 3d en de lichte gronden behoeft dan ook verder geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Maatregel van bewaring van 16 december 2025 (bestreden besluit 2, zaaknummer NL25.61698)
Afweging in het terugkeerbesluit
7. Eiser betoogt dat het terugkeerbesluit dat aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd niet voldoet aan de vereisten van artikel 5 Terugkeerrichtlijn (Tri) en artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Verweerder is gehouden tot het toetsen van non-refoulement, zoals onder meer blijkt uit het arrest Ararat en de uitspraak van 2 september 2025 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2025:4178. Een dergelijke afweging blijkt echter niet uit de beschikking van 20 december 2024. Verder is het nog maar de vraag of een medewerker van de Koninklijke Marechaussee daartoe geschikt is.
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Eiser heeft zijn asielaanvraag van 11 december 2025 ingetrokken. Gelet hierop en op de omstandigheid dat eiser meermaals MOB is vertrokken en in het vertrekgesprek van 17 december 2025 heeft aangegeven er geen probleem mee te hebben om terug te keren naar Algerije, maken dat verweerder terecht niet aannemelijk heeft geacht dat eiser vrees heeft voor terugkeer naar Algerije. Voor zover eiser betwist dat medewerkers van de Koninklijke Marechaussee beschikken over de benodigde deskundigheid om afwegingen te maken in het kader van artikel 5 Tri en artikel 3 EVRM, wijst de rechtbank erop dat medewerkers van de Koninklijke Marechaussee bevoegd zijn voor de uitvoering van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen zoals bepaald in artikel 47, eerste lid en onder b, van de Vw.
9. Eiser betwist, in aanvulling op de gronden die onder 4. zijn aangegeven, de zware gronden 3e en 3i die aan de maatregel van 16 december 2025 ten grondslag zijn gelegd.
10. De rechtbank stelt vast dat, zoals ook in 6 overwogen, de zware gronden 3a, 3b, 3c, en de overige niet bestreden gronden voldoende zijn om het risico van onttrekking aan te tonen en de maatregel van bewaring te dragen. Dat risico op onttrekking is ook in deze maatregel onverminderd van toepassing. Hetgeen eiser heeft aangevoerd in het kader van de zware gronden 3e en 3i behoeft dan ook geen bespreking.
Beide maatregelen van bewaring
Ambtshalve toetsing
11. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
11. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het
beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
13. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
31 december 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.