ECLI:NL:RBDHA:2025:26830

ECLI:NL:RBDHA:2025:26830, Rechtbank Den Haag, 12-11-2025, 25.53613

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-11-2025
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer 25.53613
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Bij de zware grond onder 3d kan in het algemeen worden volstaan met een feitelijke toelichting. Geen lichter middel. Het vereiste van voldoende voortvarendheid gaat niet zo ver dat de minister voor elke dag waarin geen uitzettingshandeling heeft plaatsgevonden zich concreet hoeft te verantwoorden. Waar het om gaat is dat de minister in de te beoordelen periode in zijn geheel bezien blijk geeft van een voldoende voortvarend handelen. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.53613

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

(gemachtigde: mr. L. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is op 10 november 2025 gesloten.

Overwegingen

Zware en lichte gronden

1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser voert aan dat de zware grond onder 3d ten onrechte aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Hij heeft wel voldoende meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de zware grond onder 3d terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft op 5 juli 2022 verklaard dat hij nooit in bezit is geweest van een Marokkaans paspoort. Voorafgaand aan de opleggen van de maatregel van bewaring op 2 november 2025 heeft eiser verklaard in het bezit te zijn van een geldig Marokkaans paspoort maar deze te hebben verstopt bij een vriend. Hij verklaart dan dat hij deze zal laten zoeken en ophalen maar tot op heden heeft hij deze niet overgelegd. Daarnaast heeft eiser gebruik gemaakt van verschillende aliassen, zelfs nog ter zitting. Gelet hierop heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat eiser onvoldoende medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 maart 2020 kan bij de zware grond onder 3d in het algemeen worden volstaan met een feitelijke toelichting. De feitelijke juistheid van die zware gronden geeft in beginsel grond om aan te nemen dat aan het vereiste van een risico op onttrekken is voldaan. Een nadere toelichting waarom uit die zware grond een risico op onttrekking volgt is daarom niet vereist. Dit betreft een weerlegbaar rechtsvermoeden. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd is hij er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd dit rechtsvermoeden te weerleggen.

De overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook geen ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de door de minister gehandhaafde gronden ten onrechte zijn tegengeworpen ofwel de maatregel niet kunnen dragen.

Lichter middel

2. Eiser voert voorts aan dat de minister het afzien van de toepassing van een lichter middel onvoldoende daadkrachtig heeft gemotiveerd. Er is niet eerder een minder zwaar middel opgelegd, dus had de minister deze eerst dienen toepassen, bijvoorbeeld de meldplicht.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in de maatregel terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij heeft allereerst te gelden dat aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden en de daarbij gegeven motivering wijzen op een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Ook is in dit kader van belang dat door eiser niet overtuigend is gesteld dat een lichter middel voor de afdoening van zijn asielaanvraag kan volstaan. De minister heeft daarbij rekening gehouden met de medische problemen van eiser. Tevens is van belang dat eiser eerder niet uit eigen beweging is vertrokken en dat hij zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken. Evenmin heeft hij bijzondere omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot de toepassing van een lichter middel.

Voortvarend handelen

3. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld in het kader van eisers uitzetting, volgt de rechtbank dit niet.

De minister heeft ter zitting toegelicht dat op 5 november 2025 een verzoek aan DIA (Directie Internationale Aangelegenheden) is gedaan om een laissez-passer aanvraag voor eiser in te dienen bij de Marokkaanse autoriteiten. Omdat er problemen waren met de dacty is door DIA een herstelverzuimbrief verzonden, waarop op 11 november 2025 door de minister is gereageerd. De rechtbank is onder de aan de orde zijnde omstandigheden van oordeel dat de minister er geen blijk van heeft gegeven onvoldoende voortvarend te hebben gehandeld. Daarbij wijst de rechtbank erop dat het vereiste van voldoende voortvarend niet zo ver gaat dat de minister voor elke dag waarin geen uitzettingshandeling heeft plaatsgevonden zich concreet hoeft te verantwoorden. Waar het om gaat is dat de minister in de te beoordelen periode in zijn geheel bezien blijk geeft van een voldoende voortvarend handelen. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake, mede gelet op het vertrekgesprek dat met eiser op 5 november 2025 is gevoerd.

Ambtshalve toets

4. De rechtbank overweegt dat zij in het kader van haar verplichte ambtshalve toets van de maatregel van bewaring geen onrechtmatigheden heeft geconstateerd. Bovendien is niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement en/of de eerbiediging van zijn gezins- of familieleven zich tegen de uitzetting van eiser verzet.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B.H. Hebbink, rechter, in aanwezigheid van mr.drs. B.E.C. Bertens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 november 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.B.H. Hebbink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?