ECLI:NL:RBDHA:2025:26833

ECLI:NL:RBDHA:2025:26833, Rechtbank Den Haag, 19-12-2025, NL25.54523 en NL25.54524

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-12-2025
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer NL25.54523 en NL25.54524
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak

Samenvatting

Eiser is afkomstig uit Colombia. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Hij stelt dat hij in 2013 in Colombia ontvoerd is door de guerrillabeweging ELN. Hij is samen met zijn neef ontsnapt, maar kort na de ontsnapping is eisers neef vermoord door de ELN. Tevens is eisers andere neef door de ELN vermoord. Onlangs is ook eisers opa door de ELN vermoord. Eiser en zijn echtgenote hebben dreigberichten ontvangen van de ELN. Bij terugkeer naar Colombia vreest eiser voor zijn leven. Daarom vindt eiser dat hij aangemerkt moet worden als vluchteling, dan wel als persoon die bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verweerder gelooft wel dat eiser problemen heeft ondervonden met de ELN, maar verweerder vindt eisers problemen niet zwaarwegend genoeg. Volgens verweerder heeft eiser immers niet aannemelijk gemaakt dat de Colombiaanse autoriteiten hem niet kunnen beschermen. De rechtbank volgt verweerder. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.54523 (beroep)

NL25.54244 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),

en

(gemachtigde: mr. A. Izat).

1. Eiser is afkomstig uit Colombia. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Hij stelt dat hij in 2013 in Colombia ontvoerd is door de guerrillabeweging ELN. Hij is samen met zijn neef ontsnapt, maar kort na de ontsnapping is eisers neef vermoord door de ELN. Tevens is eisers andere neef door de ELN vermoord. Onlangs is ook eisers opa door de ELN vermoord. Eiser en zijn echtgenote hebben dreigberichten ontvangen van de ELN. Bij terugkeer naar Colombia vreest eiser voor zijn leven. Daarom vindt eiser dat hij aangemerkt moet worden als vluchteling, dan wel als persoon die bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op ernstige schade.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verweerder gelooft wel dat eiser problemen heeft ondervonden met de ELN, maar verweerder vindt eisers problemen niet zwaarwegend genoeg. Volgens verweerder heeft eiser immers niet aannemelijk gemaakt dat de Colombiaanse autoriteiten hem niet kunnen beschermen. De rechtbank volgt verweerder. Het beroep is ongegrond.

Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 6 november 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat eiser niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser stelt de Colombiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1996. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. In 2013 is eiser ontvoerd door de ELN, een guerrillabeweging. Daar moest eiser zes à zeven maanden in training. Eiser is ontsnapt met zijn neef, maar zijn neef is niet lang daarna vermoord door de ELN. Eiser is vervolgens met een auto overreden door de ELN en bij dat incident is eisers andere neef ook omgekomen. Eisers moeder is kort na eisers vertrek uit Colombia door de ELN ondervraagd. Ook is het huis van eisers opa beschoten. Onlangs is eisers opa door de ELN vermoord. Op Facebook hebben eiser en zijn echtgenote driegberichten ontvangen van de ELN. Bij terugkeer naar Colombia vreest eiser voor zijn leven.

Het bestreden besluit

4. Volgens verweerder bestaat eisers relaas uit de volgende asielmotieven:

Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Verweerder vindt eisers asielmotieven alleen niet zwaarwegend genoeg. Volgens verweerder heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook loopt hij geen reëel risico op ernstige schade op grond van artikel 3 van het EVRM. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in Colombia over het algemeen bescherming wordt geboden tegen de dreiging van de ELN. Dit blijkt uit paragraaf C7/10.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser valt volgens verweerder niet onder de twee daarin genoemde uitzonderingen. Daarom moet eiser aannemelijk maken dat het verzoek om bescherming in Colombia in zijn geval niet effectief is. Volgens verweerder heeft eiser dit niet aannemelijk gemaakt. Verweerder neemt onder meer mee in zijn beoordeling dat eiser geen aangifte heeft gedaan in Colombia tegen de bedreigingen en aanvallen van de ELN. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat aangifte doen onmogelijk, bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk was. Ook blijkt nergens uit dat eiser zich niet heeft kunnen wenden tot hogere autoriteiten zoals de Procuraduría General de la Nación of de Defensoría del Pueblo. Bovendien is eiser in 2025 legaal teruggekeerd naar Colombia en heeft hij tijdens zijn verblijf niets ondernomen om bescherming te verzoeken van de Colombiaanse autoriteiten. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat uit paragraaf C7/10.4.2 van de Vc volgt dat eisers woonplaats Bogotá niet wordt aangemerkt als een gebied waar sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege het willekeurige geweld in Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade.

Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens verweerder vormt eiser namelijk op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Eiser is in Italië immers veroordeeld voor diefstal; strafbare feiten tegen de staat, de openbare orde, de rechtsgang of ambtenaren; onopzettelijk veroorzaken van ernstige lichamelijk letsels, verminking of blijvende invaliditeit; en ontsnapping uit wettelijke hechtenis. Eiser heeft hiervoor een gevangenisstraf van drie jaar gekregen. Hierna is eiser nogmaals veroordeeld voor diefstal en heeft hij een gevangenisstraf van 2 jaar en 80 dagen gekregen. Op 4 april 2018 heeft eiser een vervangende sanctie van 4 jaar en 111 dagen gevangenisstraf gekregen voor zijn eerdere veroordelingen. Op 21 februari 2019 heeft eiser tenslotte een vervangende sanctie van 6 jaar en 189 dagen gevangenisstraf gekregen voor zijn eerdere veroordelingen. Gelet op deze veroordelingen kan eiser worden gezien als een gevaar voor de gemeenschap. Hij is namelijk veroordeeld voor een geweldsmisdrijf met ernstig lichamelijk letsel tot gevolg.

Verweerder heeft eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Gebleken is dat eiser op removal order kan terugkeren naar de luchthaven van Tirana Rinas in Albanië. Eiser moet daarom terugkeren naar Albanië of Colombia. Daarbij heeft verweerder aan eiser een inreisverbod uitgevaardigd van twee jaar.

Heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn verzoek om bescherming in Colombia niet effectief is?

5. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft mogen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn verzoek om bescherming in Colombia niet effectief is. Hierover voert eiser het volgende aan.

Eiser voert allereerst aan dat verweerder niet heeft mogen concluderen dat eiser geen aangifte heeft gedaan in Colombia. Na de moord op zijn neef heeft eiser namelijk wel aangifte gedaan. Tot op de dag van vandaag heeft de Fiscalia echter geen enkel strafrechtelijk onderzoek opgestart. Daarnaast is de Fiscalia erbij geroepen toen de opa van eiser was overleden. Op dit moment is het onderzoek gaande of er sprake was van een ongeluk of een moord op eisers opa.

Eiser voert ten slotte aan dat verweerder ten onrechte tot de conclusie komt dat in grotere steden zoals Bogotá meer politie aanwezig is en de bescherming doorgaans beter is geregeld. Eiser verwijst naar een nieuwsartikel van Infobae, waaruit volgens eiser blijkt dat er, ook in eisers woonplaats Bogotá, politieagenten zijn die samenwerken met de ELN. Volgens eiser heeft verweerder dit miskend. Ook verwijst eiser naar verschillende pagina’s uit het Algemeen Ambtsbericht over Colombia van 2024 (het ambtsbericht), waaruit volgens eiser blijkt dat de ELN macht en slagkracht heeft, ook in grotere steden zoals Bogotá en Medellín. Volgens eiser heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom de door eiser overgelegde algemene informatie niet aantoont dat de bescherming van de Colombiaanse autoriteiten niet doeltreffend is. Eiser verwijst hierbij naar artikel 7, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3.37c, tweede lid, van het Vreemdelingenvoorschrift.

In de beroepsfase heeft eiser nog de volgende stukken overgelegd:

een bevestiging van de politie van de aangifte van de moord op eisers neef gedateerd van 2 juli 2025;

een dreigbrief van de ELN;

een aangifte van eisers moeder namens eiser gedateerd van 16 november 2025, tegen de bedreigingen die eiser heeft ontvangen; en

een vertaling van bovenstaande stukken.

Ter zitting heeft eiser nog een kopie overgelegd van de aangifte van de moord op eisers neef gedateerd op 10 juni 2025.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn verzoek om bescherming in Colombia niet effectief is. Uit de aangifte van 10 juni 2025 en de ontvangstbevestiging van de aangifte van de moord op eisers neef van 2 juli 2025 blijkt niet waartegen aangifte is ingediend. Zo is de naam van eisers neef niet genoemd, is het incident niet beschreven en is er geen datum genoemd van het incident. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat de aangifte en de bevestiging van de aangifte vaag zijn.

Het is de rechtbank onduidelijk waarvoor bescherming is gezocht. Ook is de rechtbank van oordeel dat uit de aangifte en bevestiging van de aangifte niet blijkt dat de bescherming van de Colombiaanse autoriteiten niet effectief is. Verder overweegt de rechtbank dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat zijn familie de Fiscalia erbij heeft geroepen toen eisers opa was overleden en dat er momenteel een strafrechtelijk onderzoek gaande is naar de dood van zijn opa. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er na de gestelde moord op zijn opa bescherming is gezocht bij de Colombiaanse autoriteiten.

Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser mocht tegenwerpen dat hij geen goede verklaring heeft voor het niet doen van aangifte tegen de bedreigingen die hij heeft ontvangen. Ten aanzien van eisers stelling dat aangifte doen geen zin heeft vanwege de banden die de politie heeft met de guerrillabeweging ELN, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat dit slechts een vermoeden is van eiser. Eiser heeft zijn stelling niet voldoende onderbouwd met stukken. Het enkele stuk dat eiser hiertoe heeft overgelegd, is het nieuwsartikel van Infobae, waarin is beschreven dat politieagenten drugs en pamfletten van de ELN naar een gevangenis in Bogotá vervoerden. Dit artikel betreft echter één enkel incident. Niet is gebleken dat dit de heersende praktijk is. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat dit nieuwsartikel ook anders uitgelegd kan worden, namelijk dat de Colombiaanse politie juist wél optreedt tegen dit soort incidenten. Bovendien volgt uit dit artikel niet dat aangifte doen bij de Colombiaanse autoriteiten geen zin heeft.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de specifieke passages in het ambtsbericht waar eiser naar verwijst, onvoldoende onderbouwen dat het voor eiser niet mogelijk is om zichzelf elders is Colombia veilig te stellen voor de ELN of bij de Colombiaanse autoriteiten geen bescherming kan zoeken. Uit het ambtsbericht blijkt immers dat men zich bij bedreigingen kan wenden tot de Colombiaanse autoriteiten voor aangifte en bescherming. De omstandigheid dat volgens het ambtsbericht veel aangiftes niet leiden tot een zaak en dat sprake is van een hoge mate van straffeloosheid voor wat betreft het opvolging geven aan aangiftes, maakt niet dat het doen van aangifte in het geheel en op voorhand zinloos is. In dit kader heeft verweerder ter zitting kunnen verwijzen naar paragraaf C7/10.5.1 van de Vc, waarin ook is neergelegd dat verweerder aanneemt dat het voor een Colombiaanse vreemdeling in het algemeen mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen.

Hoewel eiser via zijn moeder op 16 november 2025 alsnog aangifte heeft gedaan tegen de bedreigingen, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat deze aangifte niet eisers stelling onderbouwt dat het doen van aangifte niet effectief is. Het is niet duidelijk of er iets met de aangifte is gedaan of wellicht nog wordt gedaan.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

Nu de rechtbank uitspraak doet over eisers beroep en dit ongegrond verklaart, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

Voor een proceskostenvergoeding bestaat in beide zaken geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.L. Clemens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?