ECLI:NL:RBDHA:2025:26901

ECLI:NL:RBDHA:2025:26901, Rechtbank Den Haag, 16-12-2025, NL25.58630

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-12-2025
Datum publicatie 21-01-2026
Zaaknummer NL25.58630
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

bewaring, art. 59, vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, gronden betwist, lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.58630

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

(gemachtigde: mr. S. Bozkürt).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025, met behulp van een audioverbinding, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Is de inbewaringstelling van eiser in strijd met het vertrouwensbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel?

1. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiser was niet bekend met de termijn waarop hij Nederland had moeten verlaten. Eiser heeft geen brief ontvangen waarin deze termijn aan hem bekend is gemaakt. Eiser was bezig met het verkrijgen van aanvullend bewijs voordat hij een nieuwe asielaanvraag ging indienen. Het COa heeft toegezegd eiser te informeren op welke datum hij de opvang moest verlaten. Dit bericht heeft eiser niet gehad. In dit kader verwijst eiser naar een berichtenwisseling tussen hem en de advocaat die hem bijstaat in de asielprocedure.

Aan eiser is op 14 mei 2021 een terugkeerbesluit opgelegd. Het door eiser ingestelde beroep tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Dit is met eiser besproken tijdens het vertrekgesprek op 8 december 2022, waarbij eiser ook is gewezen op zijn vertrekplicht. Met het besluit van 8 juli 2025 heeft de minister de opvolgende asielaanvraag van eiser afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft het hoger beroep van eiser tegen dit besluit op 19 november 2025 ongegrond verklaard. Eiser is uitgenodigd voor een vertrekgesprek op 29 oktober 2025, waar eiser vervolgens niet is verschenen. Uit deze gang van zaken blijkt dat eiser wist dan wel behoorde te weten dat op hem een vertrekplicht rust. De door eiser overgelegde berichtenwisseling met zijn asieladvocaat maakt dit niet anders. Eiser verwijst hierin naar een gesprek met het COa over het recht op opvang. Dit is echter iets anders dan de gestelde vertrektermijn. Bovendien had eiser, als hier vragen over waren, contact kunnen opnemen met zijn asieladvocaat, die hem ook op de hoogte moest stellen van de uitkomst van het hoger beroep. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Op de zitting heeft de minister lichte grond 4d laten vallen.

Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Met betrekking tot zware grond 3a voert eiser aan dat hij met een studievisum naar Nederland is gereisd, omdat er als vluchteling geen andere (legale) manier is om Nederland binnen te komen. Dit is bij vrijwel alle asielzoekers het geval. Om die reden kan dit niet aan eiser worden tegengeworpen. Ook zware grond 3b kan niet aan eiser worden tegengeworpen. Eiser betoogt dat hij de opvang heeft verlaten omdat hij bezig was met het verzamelen van nieuw bewijs van zijn vervolging als koptisch christen en als politiek-religieus tegenstander.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen zware gronden 3a en 3b de maatregel van bewaring dragen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat kan worden volstaan met de feitelijke juistheid van zware gronden 3a en 3b. Anders dan eiser betoogt is zware grond 3a feitelijk juist. Hierbij verwijst de rechtbank naar vaste rechtspraak van de Afdeling. Hieruit volgt dat een vreemdeling niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen wanneer een visum voor kort verblijf is aangevraagd, terwijl ten tijde van de visumaanvraag de intentie al bestond om voor langere tijd in Nederland te verblijven. De feitelijke juistheid van zware grond 3b is niet betwist. Het enkele betoog van eiser dat hij met onbekende bestemming is vertrokken omdat hij bewijsmateriaal wilde verzamelen doet niet af aan de feitelijke juistheid hiervan. Deze gronden tezamen zijn voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Hetgeen verder is aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden kan daarom niet leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister ten onrechte geen lichter middel opgelegd?

3. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd. Eiser voert aan dat het onevenredig is dat de minister niet heeft volstaan met het plaatsen van eiser in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) van het COa. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een lichter middel dan de inbewaringstelling van eiser.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet hoeven volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling van eiser. Dit heeft de minister voldoende gemotiveerd in de maatregel van bewaring. Het onttrekkingsrisico van eiser blijkt bovendien uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. De minister wijst er terecht op dat het eerder toepassen van een lichter middel, het voeren van vertrekgesprekken en het opleggen van een meldplicht, niet heeft geleid tot het zelfstandig vertrek van eiser. Bovendien wijst de minister er terecht op dat uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet blijkt dat eiser wil meewerken aan zijn vertrek naar Egypte. Daarmee bestond voor de minister ook geen aanleiding om vanuit een VBL te werken aan vertrekken, omdat eiser niet heeft aangegeven te willen meewerken aan zijn vertrek. Dat de minister had moeten motiveren waarom niet is gekozen voor een VBL, volgt de rechtbank dan ook niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

4. In de door de minister en eiser verstrekte gegevens ziet de rechtbank geen grond om, ambtshalve toetsend, te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.S. Gaastra

Griffier

  • mr. F.E. Brokke

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?