RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53146
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
(gemachtigde: K. J. Diender).
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is met behulp van een beeldverbinding verschenen. Eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De zware en lichte gronden
1. In de maatregel van bewaring stelt de minister zich op het standpunt dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister legt, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, vier zware en vier lichte gronden aan de maatregel ten grondslag.
Eiser bestrijdt de zware en lichte gronden niet. Het is de rechtbank ambtshalve niet gebleken dat er onvoldoende gronden zijn om de maatregel te dragen. Uit de gronden (samen) volgt dat in eisers geval een onttrekkingsrisico bestaat.
Het arrest Adrar
2. Eiser wijst er op dat aan hem een terugkeerbesluit is opgelegd. Uit de maatregel van bewaring blijkt niet dat de minister een actuele beoordeling heeft gemaakt van het risico op refoulement bij terugkeer naar Algerije. Ook is de gemaakte belangenafweging onvoldoende. Eiser verwijst hierbij naar het arrest Adrar.
Uit het arrest Adrar volgt - kort gezegd - het volgende. De bewaringsrechter is verplicht om, zo nodig ambtshalve, na te gaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzet(ten) tegen de verwijdering.
De rechtbank oordeelt dat de minister een actuele beoordeling heeft gemaakt van het risico op refoulement bij terugkeer naar Algerije. Deze beoordeling heeft de minister namelijk gemaakt bij de afwijzing van eisers (opvolgende) asielaanvraag in het besluit van 19 september 2025. Eiser is twaalf dagen later in bewaring gesteld op grond van de voorliggende maatregel. De beoordeling is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende actueel. Gelet hierop is er ook geen aanleiding voor de rechtbank om te veronderstellen dat sprake zou kunnen zijn van schending van het beginsel van non-refoulement. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat eiser familie- en gezinsleven heeft dat zich tegen de uitzetting verzet. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Voortvarendheid
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting.
De minister heeft op 3 oktober 2025 en 4 november 2025 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Op 6 oktober 2025 is een aanvraag voor een laissez-passer ingediend. Op 16 oktober 2025 is daarop gerappelleerd. De rechtbank acht dit voldoende voortvarend. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat de minister moet volstaan met een lichter middel dan bewaring. Eiser geeft daarbij aan dat hij ziek is.
Uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen blijkt een risico op onttrekking. De minister motiveert deugdelijk waarom een lichter middel dan bewaring niet doeltreffend kon worden toegepast. De rechtbank oordeelt dat de minister daarom niet hoeft te volstaan met een lichter middel. Eisers enkele stelling dat hij ziek is, is onvoldoende. De minister wijst er bovendien terecht op dat in het Detentiecentrum een medische dienst aanwezig is en medische faciliteiten aanwezig zijn. Het is niet gesteld of gebleken dat de zorg van de medische dienst voor eiser niet toereikend is. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.