[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Delft, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 13 februari 2025 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1], [naam 2] en [naam 3].
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
1. Op 5 januari 2025 om 12:19 uur stond de auto van eiser (de auto) geparkeerd ter hoogte van de Wateringsevest te Delft (de locatie). Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft aangewezen als een plaats waar op die datum en dat tijdstip slechts mag worden geparkeerd met een geldige parkeervergunning of tegen betaling van parkeerbelasting.
2. Tijdens een controle op voormeld tijdstip is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan en ook anderszins geen geldige parkeervergunning was aangemeld. Naar aanleiding hiervan is aan eiser een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 94,00 bestaande uit € 30,00 aan parkeerbelasting en € 64,00 aan kosten van de naheffing.
3. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep bij de rechtbank ingesteld.
4. In geschil is de ontvankelijkheid van het beroep. Indien het beroep ontvankelijk is, is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en bevoegd is opgelegd.
5. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Maar als de dagtekening gelegen is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan laat de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
6. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 13 februari 2025 en in het verweerschrift staat dat op deze datum de uitspraak op bezwaar ook is verzonden. De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen. Eiser betwist dit ook niet. De termijn voor het indienen van het beroepschrift eindigde daarom op 27 maart 2025. De rechtbank heeft het beroep digitaal ontvangen op 1 april 2025. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
7. Eiser heeft als reden voor deze termijnoverschrijding gegeven dat hij ongeveer twee weken, tot begin februari 2025, was opgenomen op de intensive care afdeling na een hartstilstand eind januari 2025 en dat hij in de maanden februari en maart heeft moeten revalideren. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De rechtbank neemt aan dat het revalidatietraject een zware en intensieve periode voor eiser moet zijn geweest, maar uit de enkele verwijzing naar zijn revalidatietraject kan niet worden afgeleid dat eiser als gevolg daarvan in de onmogelijkheid verkeerde tijdig beroep in te stellen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser wel in staat is gebleken om tijdig, op 10 februari 2025, vlak na zijn ontslag uit het ziekenhuis, een bezwaarschrift op te stellen en in te sturen. Gelet hierop heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem onmogelijk was om binnen de wettelijke termijn van zes weken die hem ter beschikking stond, beroep in te stellen, zo nodig op nader aan te voeren gronden. Dit dient voor zijn rekening en risico te komen. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan een niet-ontvankelijkverklaring.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep niet-ontvankelijk verklaard en komt de rechtbank aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep niet toe.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).