ECLI:NL:RBDHA:2025:27092

ECLI:NL:RBDHA:2025:27092

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-01-2025
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer NL24.47672 (beroep) en NL24.47673 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Aanvraag asiel. Iran. Geloofsgroei christendom. Afvalligheid islam. Beroep gegrond.

Uitspraak

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.S. Hogendoorn-Mathijssen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

Eiser heeft op 2 mei 2022 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 29 november 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen mevrouw F. Flippo.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Hij legt aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag dat hij zich heeft verdiept en is gegroeid in zijn geloof. Eiser heeft ook activiteiten verricht voor de kerk en plaats berichten op Facebook over zijn nieuwe geloof. Daarnaast praat hij met andere Iraniërs om het geloof te verspreiden en is hij een afvallige van de islam. Eiser kan niet terug naar Iran. Hij heeft in 2022 nog bedreigingen ontvangen van zijn familie.

Eiser heeft bij zijn asielaanvraag een brief van [kerkgenootschap] overgelegd.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief);

eisers geloofsgroei in het christendom (ook wel het tweede asielmotief); en

eisers afvalligheid van de islam (ook wel het derde asielmotief).

Verweerder vindt het eerste en derde asielmotief geloofwaardig. Verweerder gelooft daarentegen niet dat eiser is gegroeid in zijn geloof in het christendom. Eiser heeft dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten onderbouwd en in de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verweerder tegengeworpen dat zijn verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.. Dat eiser uit Iran komt is onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. De omstandigheid dat eiser een afvallige is leidt op zichzelf niet tot Vluchtelingschap, nu het niet aannemelijk is dat eiser zijn afvalligheid zal uiten in Iran. Dat eiser uit Iran komt is ook onvoldoende om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De vrees dat eisers familie eiser zal doden bij terugkeer naar Iran is niet aannemelijk gemaakt. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, nu zijn aanvraag een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard.

Wat vindt eiser in beroep?

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser verwijst allereerst naar hetgeen hij reeds in de correcties en aanvullingen op de gehoren en de zienswijze op het voornemen heeft aangedragen. Voor het tweede asielmotief noemt eiser dat verweerder bij de geloofwaardigheidsbeoordeling ten onrechte – omdat verweerder zelf te laat is geweest met beslissen – de werkinstructie 2024/6 heeft toegepast en stelt hij dat deze werkinstructie juridisch niet houdbaar is. Daarbij heeft eiser verwezen naar de EU-Richtlijn 2024/83/EG, rechtspraak van het EHRM en het HvJEU en het UNCHR-handboek. Voor wat betreft de geloofwaardigheidsbeoordeling zelf stelt eiser dat zijn geloofsgroei in het christendom ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Voor wat betreft de beoordeling van zwaarwegendheid van de afvalligheid stelt eiser dat hij, omdat hij zich als afvallige heeft geuit, omdat hij terug zal moeten keren met een laissez-passer en omdat hij voor een lange tijd weg is geweest, bij terugkeer naar Iran gevaar zal lopen. Hij heeft te vrezen voor de autoriteiten en voor zijn familie die bekend is met zijn afvalligheid. Verweerder heeft dit volgens eiser ten onrechte niet betrokken in haar beoordeling.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

7. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.

8. De rechtbank overweegt allereerst dat het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht, de rechtbank daaruit niet kan afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Het enkel verwijzen naar argumenten in de zienswijze worden daarom niet als beroepsgronden aangemerkt.

Mocht verweerder toepassing geven aan de WI 2024/6?

9. Eisers standpunt dat omdat deze rechtbank bij uitspraak van 11 januari 2024 heeft geoordeeld dat verweerder te laat is met beslissen op zijn aanvraag en dat de situatie van eiser op dat moment bevroren had moeten worden, volgt de rechtbank niet. Ter zitting heeft verweerder terecht gesteld dat zij bij het nemen van het bestreden besluit in beginsel toepassing moet geven aan de WI 2024/6, omdat deze werkinstructie ten tijde daarvan van kracht was.

Over de juridische houdbaarheid van de WI 2024/6 overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft het tweede asielmotief van eiser beoordeeld aan de hand van de WI 2024/6. Daarin staat dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas in twee stappen plaatsvindt. In stap 1 worden de feiten en omstandigheden geïdentificeerd en wordt het asielrelaas vastgesteld. Het asielrelaas bestaat alleen uit de feiten en omstandigheden die verband houden met of relevant zijn voor de beoordeling of de vreemdeling te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Een asielrelaas kan bestaan uit één of meerdere (losse) asielmotieven. Onder het asielmotief vallen de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. In stap 2 wordt de geloofwaardigheid van het asielmotief beoordeeld. Daarbij wordt eerst beoordeeld of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende kan worden onderbouwd met objectieve documenten wordt een geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen over de geloofwaardigheid (stap 2b). In dat geval wordt getoetst aan de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Als het asielmotief onvoldoende is onderbouwd met documenten en de vreemdeling niet voldoet aan één of meerdere van de vijf voorwaarden, is het asielmotief niet geloofwaardig.

De rechtbank acht het niet onredelijk dat verweerder eerst heeft beoordeeld of eiser objectieve documenten heeft ingediend (stap 2a). Als dergelijke documenten aanwezig zouden zijn, is een uitgebreide geloofwaardigheidsbeoordeling namelijk niet noodzakelijk. Hoewel verweerder ter zitting heeft erkend dat er niet snel objectieve documenten aanwezig zullen zijn die de geloofsgroei van eiser geheel kunnen onderbouwen, is het niet bij voorbaat uitgesloten dat het asielmotief gedeeltelijk kan worden onderbouwd met objectieve documenten. Daarbij komt dat de vaststelling van verweerder dat er geen objectieve documenten zijn overgelegd, niet betekent dat het asielmotief per definitie ongeloofwaardig wordt geacht. Dit volgt namelijk niet uit WI 2024/6. In deze werkinstructie staat dat verweerder met stap 2b rekening houdt met de omstandigheid dat van een vreemdeling doorgaans niet verwacht kan worden dat hij zijn relaas volledig met bewijsmateriaal staaft. Ook het bestreden besluit bevat geen aanknopingspunten die de stelling van eiser kunnen dragen dat verweerder het asielmotief op voorhand ongeloofwaardig vindt omdat geen objectieve documenten zijn overgelegd. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser heeft beoordeeld en deze verklaringen ongeloofwaardig vindt, omdat deze geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Om die reden is de door eiser gestelde geloofsgroei ongeloofwaardig geacht. De beoordeling van de verklaringen van eiser heeft een prominente rol gekregen bij de besluitvorming. Bij deze beoordeling zijn eveneens de door eiser overgelegde stukken betrokken. In zoverre wordt in deze zaak geen wezenlijk verschil geconstateerd met de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals die met toepassing van WI 2014/10 zou zijn verricht. Ook ter zitting is onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de toepassing van de nieuwe werkinstructie in het geval van eiser tot een materieel ander besluit zou hebben geleid. Ook de door eiser aangehaalde literatuur, wetsartikelen en jurisprudentie vormen geen aanleiding voor het oordeel dat de door verweerder gehanteerde werkwijze onredelijk is, dan wel strijdig is met wetgeving of rechtspraak. Dat dit anders is en dat de (geloofwaardigheids)beoordeling in dit specifieke geval in strijd is met het Unierecht, is althans onvoldoende concreet toegelicht.

Uit het voorgaande volgt dat eiser – door toepassing van de nieuwe werkinstructie – niet in zijn belangen is geschaad. De grond van eiser slaagt op dit punt niet.

Mocht verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig vinden?

10. Voor zover eiser stelt dat hij het tweede asielmotief (volledig) met objectieve documenten heeft onderbouwd, volgt de rechtbank dit niet. De door eiser aangehaalde Facebook-posts waarin hij het christelijke geloof propageert en kritiek geeft op de islam zijn geen objectieve documenten. Voor de posts over het bekritiseren van de islam overweegt de rechtbank dat verweerder het derde asielmotief – namelijk de afvalligheid van de islam – geloofwaardig heeft bevonden. Verder heeft verweerder ter zitting gesteld dat de aangifte door de neef van eiser wel een objectief stuk kan zijn, maar dat eiser dit niet heeft ingebracht. Eiser standpunt dat het opvragen van dergelijke stukken niet mogelijk is – met verwijzing naar een brief van een Iraanse advocaat – doet hieraan niets af. Verweerder heeft dan ook terecht gevonden dat het tweede asielmotief niet (volledig) met objectieve documenten is onderbouwd en zij is daarom op goede gronden gestapt naar de geloofwaardigheidsbeoordeling van de door eiser gemaakte verklaringen en ingebrachte, (niet-objectieve) documenten met betrekking tot de door hem gestelde geloofsgroei.

Uit de werkinstructie 2022/3 over de beoordeling van geloofsgroei volgt – kort samengevat – het volgende. Als sprake is van nieuwe elementen en bevindingen, moet een procedure-overstijgende integrale geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsvinden. Dit geldt ook als bij de vorige aanvraag in het geheel niet geloofwaardig is gevonden dat de vreemdeling was bekeerd. Immers vormen de nieuwe gegevens, in combinatie met de gegevens uit de voorgaande procedure, een nieuw samenstel van gegevens waarover nog niet eerder een oordeel is gevormd. Nieuwe elementen en bevindingen kunnen dus een ander licht werpen op de gegevens uit de voorgaande procedure. Dit kan ertoe leiden dat elementen en bevindingen uit de vorige procedure worden versterkt, maar ook dat hieraan juist (verder) afbreuk wordt gedaan. Nieuwe verklaringen over de motieven voor en het proces van bekering dienen te worden gewogen in samenhang met de verklaringen die de vreemdeling tijdens de voorgaande procedure(s) over deze onderwerpen heeft afgelegd. Aan de vreemdeling moet de mogelijkheid worden geboden om ontoereikende verklaringen over een van de drie elementen van bekering te compenseren met overtuigende verklaringen over de andere twee elementen. Hoeveel gewicht toekomt aan de verschillende elementen, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Indien de vreemdeling de nadruk legt op toegenomen of gewijzigde kennis en/of activiteiten, mag worden verwacht dat hij overtuigend verklaart over zijn ervaringen met en persoonlijke beleving van de nadien voortgezette of ontplooide activiteiten en opgedane kennis. Enkel de verklaringen over voortzetting, intensivering of wijziging van activiteiten en/of vergroten van kennis, zonder dat daarbij overtuigende verklaringen worden afgelegd over de persoonlijke beleving hiervan, zullen dus in de regel onvoldoende zijn om niet overtuigende verklaringen over het proces en de motieven van de bekering te compenseren.

Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter en uit de betreffende werkinstructie volgt verder dat indien de vreemdeling voortborduurt op een eerder ongeloofwaardig geachte bekering, er op hem een zwaardere bewijslast rust om zijn bekering geloofwaardig te maken. Indien hij – ondanks de ongeloofwaardigheid van zijn eerdere verklaringen – nu zo overtuigend kan vertellen over zijn motieven voor het proces van bekering dat zich heeft voorgedaan na de vorige afwijzing, kan dit – in combinatie met zijn huidige kennis en de activiteiten die hij verricht – tot de conclusie leiden dat zijn bekering nu wel geloofwaardig is.

Verweerder heeft op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw beoordeeld of eisers verklaringen over zijn problemen samenhangend en aannemelijk zijn. Verweerder mocht als uitgangspunt nemen dat eisers eerder gestelde bekering ongeloofwaardig is geacht en dat er op eiser een zwaardere bewijslast rust om zijn bekering geloofwaardig te maken. Verweerder heeft niet ten onrechte gevonden dat hiervan geen sprake is. Verweerder mocht daarbij betrekken dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat er is veranderd ten aanzien van zijn geloof, nu eisers afgelegde verklaringen tijdens het gehoor bij de opvolgende aanvraag grotendeels overeenkomen met zijn verklaringen in de eerste procedure. Zo heeft eiser verklaard dat toen hij toch langer in het asielzoekerscentrum (AZC) mocht blijven hij God en Zijn aanwezigheid nu echt voelde, maar heeft hij al in het nader gehoor van de eerdere procedure verklaard dat hij God diep in zijn hart voelt. Ook heeft eiser verklaard dat hij rust en liefde in zijn hart voelt, terwijl hij in de vorige procedure herhaaldelijk heeft verklaard over het vinden van rust en liefde in het christendom. Verweerder mocht om die reden ook betrekken dat eiser – door het steeds noemen van woorden als ‘liefde’ en ‘rust’, zonder te verduidelijken wat deze woorden voor hem persoonlijk betekenen – blijft steken in algemene en oppervlakkige verklaringen over zijn geloofsgroei. Eisers standpunt dat hij het tijdens het nader gehoor erg moeilijk vond om zijn gevoelens te omschrijven en te verwoorden, kan aan het voorgaande niks afdoen. Datzelfde geldt voor eisers stelling ter zitting dat hij geen geestelijke of hoogleraar theologie is. Van eiser mag namelijk worden verwacht dat hij wel uitgebreid verklaard en diepgang geeft, zeker nu er op hem een zwaardere bewijslast rust.

Er is tussen de eerste en opvolgende aanvraag 8 jaar verstrekken. Gelet daarop en gelet op het de omstandigheden dat eiser zelf verklaart dat hij regelmatig naar kerkdiensten gaat, dat hij dagelijks de Bijbel leest en veel naar preken luistert, mocht verweerder dan ook aan eiser tegenwerpen dat niet blijkt dat sprake is van een grote toename in de kennis van het christendom. Verweerder neemt daarbij mee dat eiser zich niet kon herinneren wat hij recent heeft geleerd. Ook neemt verweerder mee dat eiser niets dan wel onvoldoende verklaart over de laatste door hem bezochte kerkdienst waar het christelijke geloof centraal staat. Eisers standpunt dat verweerder ten onrechte geheel nieuwe zaken verwacht en alleen verwacht kan worden dat de basisbeginselen van het christendom worden uitgebouwd, volgt de rechtbank niet. Nergens blijkt uit dat verweerder van eiser geheel nieuwe zaken worden verwacht. Wat betreft de uitbouw van het christendom mocht verweerder vinden dat, gelet op het voorgaande en de zwaardere bewijslast die op eiser rust, daarvan onvoldoende is gebleken. Over enkele door eisers aangehaalde omstandigheden in beroep waaruit verdieping in het christendom zou volgen, overweegt de rechtbank als volgt. De enkele stelling dat eiser het eerst lastig vond om moslims aan te spreken en zijn christelijke geloof te belijden, en dat hij deze angst nu niet meer heeft, maakt op zichzelf niet dat er sprake is van geloofsgroei. Dat geldt ook voor zijn stelling dat eiser nu diepgaande rust heeft gekregen. In rechtsoverweging 10.3 is reeds overwogen dat eiser al eerder heeft verklaard rust te hebben ervaren.

Hoewel verweerder volgt dat eiser de kerk bezoekt, helpt met dingen klaarzetten in de kerk en meedoet aan een Bijbelstudie, geldt dat van eiser mag worden verwacht dat hij overtuigend verklaart over zijn ervaringen met en persoonlijke beleving van de nadien voortgezette of ontplooide activiteiten en opgedane kennis. Daarvan is, gelet op het voorgaande en gelet op de zwaardere bewijslast die op eiser rust, geen sprake. Wat betreft de brief van de [kerkgenootschap] mocht verweerder vinden dat dit niet tot een ander oordeel hoeft te leiden. Eisers verklaringen blijven leidend en hiervoor is reeds overwogen dat deze niet voldoende overtuigend zijn. Aan deze brief komt daarom niet de waarde toe zoals eiser die daaraan wenst.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder een voldoende dragende motivering om de verklaringen van eiser over zijn geloofsgroei niet geloofwaardig te mogen vinden. De rest van de beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.

11. Nu verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig mocht vinden, heeft verweerder in de beoordeling van de zwaarwegendheid terecht alleen eisers eerste en derde asielmotief betrokken.

Mocht verweerder vinden dat eisers eerste en derde asielmotief onvoldoende zwaarwegend zijn?

12. Tussen partijen is niet in geschil dat uit enkel het eerste asielmotief niet volgt dat eiser als vluchteling moet worden aangemerkt, dan wel dat eiser bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Wel in geschil is of hiervan sprake is gelet op het derde asielmotief. Daarom zal de rechtbank bij de toets van de beoordeling van de risico-inschatting en zwaarwegendheid door verweerder slechts het derde asielmotief betrekken. Centraal hierbij staat dus de vraag of verweerder mocht vinden dat eisers afvalligheid van de islam niet leidt tot Vluchtelingschap en dat bij terugkeer naar Iran daardoor geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

Over afvalligheid is in de werkinstructie 2023/35 het volgende opgenomen. Volgens verweerder zijn er drie groepen te onderscheiden, te weten:

vreemdelingen van wie wordt geloofd dat ze afvallig zijn aannemelijk hebben gemaakt hun afvalligheid actief te (willen) uiten dan wel uitdragen op zo’n wijze dat (het aannemelijk is dat) zij in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staan;

vreemdelingen van wie geloofwaardig wordt geacht dat zij afvallig zijn, maar die hun afvalligheid niet actief uiten/uitdragen en aan wie afvalligheid niet wordt toegedicht of bij wie bepaalde uitingen van de afvalligheid (die ervoor zouden zorgen dat zij in de negatieve aandacht zouden komen te staan) niet van belang zijn voor het behoud van hun religieuze identiteit, het kan dan bijvoorbeeld zo zijn dat zij de islam niet meer praktiseren en religieuze voorschriften niet meer naleven; en

vreemdelingen van wie niet geloofwaardig wordt geacht dat zij afvallig zijn en aan wie deze overtuiging niet wordt toegedicht.

Verder noemt verweerder in de betreffende werkinstructie dat vreemdelingen in de eerste groep op grond van het actief uiten van hun religieuze overtuiging volgens het huidige landenbeleid reeds het risico kunnen lopen om in de negatieve belangstelling te komen van de Iraanse autoriteiten (en dus in aanmerking komen voor internationale bescherming) en dat het verdere in deze werkinstructie niet van toepassing op deze eerste groep, maar op de andere twee groepen. Indien de vreemdeling volgens verweerder valt in een van de laatste twee groepen, dan zal zij de beoordeling van het individuele risico bij terugkeer vanwege de situatie op de luchthaven doen aan de hand van drie stappen.

De rechtbank stelt in voorop dat, zoals eiser terecht heeft aangevoerd, uit het laatste Algemeen Ambtsbericht van Iran volgt dat als iemand terugreist naar Iran op een laissez-passer, diegene een groot risico loopt dat de autoriteiten hem of haar bij aankomst ondervragen over het verblijf in het buitenland. Dat geldt ook voor diegene die voor een lange tijd in het buitenland heeft verbleven. Beide gevallen zijn voor eiser bij een eventuele terugkeer naar Iran van toepassing. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit ten onrechte niet betrokken en als uitgangspunt genomen in het bestreden besluit. Verder heeft zij de door eiser aangevoerde omstandigheid dat zijn familie op de hoogte is van zijn afvalligheid van de islam ten onrechte niet betrokken in de zwaarwegendheidsbeoordeling.

Nu de afvalligheid van eiser wordt geloofd, moet worden onderzocht en beoordeeld of, en zo ja hoe, eiser na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid en of de verklaringen van de vreemdeling hierover geloofwaardig zijn. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser – gelet op hetgeen hij heeft verklaard – valt in de tweede groep. Echter volgt uit het verslag van het nader gehoor, anders dat verweerder stelt, dat eiser zich bij terugkeer naar Iran actief wil uiten over zijn afvalligheid. Zo vraagt verweerder aan eiser “Zou u uw afwending van de islam willen uiten in de toekomst in Iran. Dus ik heb het niet over het christendom nu.”, waarop eiser antwoord: “Honderd procent met de kennis en bewustwording van wat ik nu weet en hoe ik de ware god ken.”. De gehoormedewerker vraagt hierop door: “U vertelde net dat u de islam niet wil bekritiseren en moslims niet zou willen bekeren. Wat is de reden dat u wel uiting zou willen geven aan uw afwending van de islam?”. Daarop antwoordt eiser opnieuw dat hij over de afwending van de islam wil praten: “Dat bedoel ik niet. U had net aan mij gevraagd als ik naar Iran terugga ga ik voer mijn afwending van de islam praten. Ik zei met de kennis en bewustwording van nu, zeker ga ik erover praten.”. Later vraagt verweerder “U vertelde dat u geen behoefte had om de islam te bekritiseren en dat u geen mensen wil bekeren die al een andere religie hebben”, waarop eiser onder meer antwoord met: “Ik bedoel op het moment dat ik wel als een christen ga evangeliseren evangeliseer ik over jezus. Ik evangeliseer de worden van god. Ik ga niet praten over wat de islam was. Ik ga niet vertellen wat de plek van de islam was voor mij. Ik ben niet bang om te zeggen dat ik afgewend ben van de islam. Ik vind het niet eng om die woorden te zeggen.”.Verweerder stelling ter zitting dat eiser zijn verklaringen over het zich willen uiten over de afvalligheid van de islam steeds doet in het kader van zijn bekering naar het christendom kan de rechtbank, gelet op het voorgaande, dan ook niet volgen. Daar komt bij dat als onvoldoende duidelijk is of eiser zich in Iran zou willen uiten over zijn afvalligheid van de islam, verweerder moet aannemen dat hij zich in Iran zou uiten zoals hij zich in Nederland uit en heeft geuit. Eiser heeft, zoals hij terecht ter zitting heeft gesteld, ook in Nederland – los van het christendom – (negatieve) uitlatingen gedaan over de islam. Zo heeft eiser in 2017 op zijn Facebookpagina een post gedeeld van een tekst van [naam], waarin staat “Als we goed kijken, is de geschiedenis van de islam niets anders dan de geschiedenis van het verwerven van macht. De religie van de islam is een middel geweest en geen doel.”. Eiser stelt daarbij voor het boek van [naam] te lezen. In dezelfde post is een tekening afgebeeld van wat, zoals eiser ter zitting stelt, de profeet Mohammed moet voorstellen. Verder heeft eiser, in antwoord op naar hem verstuurde beledigende berichten uit 2022, geschreven: “Dit geweld komt voort uit uw islamitische gedachten.”. Verweerders standpunt dat aangenomen moet worden dat eiser zich in Iran niet actief wil uiten over zijn afvalligheid van de islam is, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. In het verlengde hiervan heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd toegelicht waarom eiser in de tweede groep van afvalligen valt (zie rechtsoverweging 12.1). Ook heeft verweerder nagalaten te beoordelen of de uitingen van eiser over zijn afvalligheid van belang zijn voor het behoud van zijn religieuze identiteit en wat tegen deze achtergrond mag worden verwacht bij terugkeer. Het voorgaande levert dan ook om deze redenen een motiveringsgebrek op in het bestreden besluit.

13. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens een ondeugdelijke motivering. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

14. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met in achtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

15. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

16. Verweerder moet de proceskosten van eiser vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een totaal van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?