ECLI:NL:RBDHA:2025:27096

ECLI:NL:RBDHA:2025:27096

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-02-2025
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer NL25.2863 (beroep) en NL25.2864 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Aanvraag asiel. Iran. Problemen familie. Bekering christendom. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Wischhoff).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening.

2. Eiseres heeft op 22 mei 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 20 januari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

3. De rechtbank heeft beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen de heer R. Rahim Ali.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

4. Eiseres heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2004. Aan haar asielaanvraag legt zij ten grondslag dat zij door de neef van haar vader is verkracht en hij eiseres en haar ouders heeft bedreigd met de dood, omdat dit familielid met eiseres wil trouwen. Dit was de reden voor eiseres Iran te verlaten. Na aankomst in Nederland is eiseres bekeerd tot het christendom. Vanwege het voorgaande kan eiseres niet terug naar Iran.

Eiseres heeft bij haar asielaanvraag een paspoort, medische stukken over haar huidige psychische gesteldheid en een doopakte overgelegd.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres (ook wel het eerste asielmotief);

de problemen van eiseres vanwege de neef van haar vader (ook wel het tweede asielmotief); en

de bekering van eiseres naar het christendom (ook wel het derde asielmotief).

Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Verweerder gelooft daarentegen niet het tweede en derde asielmotief van eiseres. Volgens verweerder heeft eiseres deze asielmotieven niet (volledig) met objectieve documenten onderbouwd. Verweerder is daarom overgegaan tot een geloofwaardigheidsbeoordeling. Daarin heeft verweerder voor beide asielmotieven gevonden dat eiseres onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede reden heeft, dat haar verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, dat eiseres haar asielaanvraag niet direct na aankomst in Nederland heeft ingediend en dat zij in grote lijnen als ongeloofwaardig wordt beschouwd. Dat eiseres uit Iran komt is onvoldoende om aan te nemen dat zij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat zij bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat zij verweerder heeft misleid over haar identiteit en nationaliteit en zij haar identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of weggemaakt. Aan eiseres is door verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

Wat vindt eiseres in beroep?

6. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Wat betreft het tweede asielmotief betoogt eiseres dat zij wel voldoende heeft gemotiveerd waarom zij onvoldoende documenten kan overleggen. Ook kan verweerder niet volstaan met de conclusie dat haar verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dat geldt ook voor het derde asielmotief. Verder heeft eiseres een goede reden gegeven waarom zij niet direct na haar aankomst in Nederland om asiel heeft gevraagd. Gelet op het voorgaande mocht verweerder aan eisers dan ook geen terugkeerbesluit en inreisverbod opleggen. Verder zal eiseres met het inreisverbod worden belemmerd om – als zij weer in de problemen komt – te vluchten naar een veilig Europees land. Verweerder heeft hierbij ten onrechte meer gewicht toegekend aan de Staat dan aan het belang van eiseres.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

7. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiseres kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

8. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.

Mocht verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig vinden?

9. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres haar asielmotief niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd. Nu eiseres haar tweede asielmotief niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd, is verweerder terecht overgegaan tot een geloofwaardigheidsbeoordeling van de verklaringen van eiseres over dit asielmotief.

Verweerder heeft op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw beoordeeld of alle relevante elementen waarover eiseres beschikt zijn overgelegd, en bij afwezigheid daarvan, of zij daarvoor een goede reden heeft gegeven. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiseres geen documenten heeft overgelegd waaruit een familieband blijkt tussen haar en de neef van haar vader. Het enkele standpunt van eiseres dat deze documenten er niet zijn maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft terecht betrokken dat het op de weg van eiseres lag om in ieder geval te proberen om aan dergelijke documenten – zoals een familieboekje – te komen en dat niet is gebleken dat zij dit heeft geprobeerd, ondanks dat zij wel contact heeft met haar ouders in Iran. Verweerder mocht het niet overleggen van dergelijke documenten dus aan eiseres tegenwerpen.

Verweerder heeft ook op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw beoordeeld of de verklaringen van eiseres over haar problemen samenhangend en aannemelijk en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor haar aanvraag. Verweerder heeft daarbij de volgende omstandigheden kunnen betrekken.

Verweerder heeft aan eiseres kunnen tegenwerpen dat zij inconsequent heeft verklaard over de sleutelmomenten dat de neef van de vader van eiseres in het ouderlijk huis was. Zo verklaart eiseres enerzijds dat de neef van haar vader na het huwelijksaanzoek nooit meer is teruggekomen naar het ouderlijk huis van eiseres, terwijl zij anderzijds verklaard dat de neef van de vader van eiseres een week na het huwelijksaanzoek is langsgekomen in het ouderlijk huis van eiseres om de ouders te vertellen over de verkrachting. Het standpunt van eiseres in beroep dat zij heeft bedoeld dat de neef van haar vader nog een keer op bezoek is geweest bij het ouderlijk huis maar niet in haar bijzijn, doet aan de voorgaande inconsistentie niets af. Verweerder mocht betrekken dat in redelijkheid van eiseres mag worden verwacht dat zij consistent verklaart over de gestelde actor van haar verkrachting, nu deze actor de kern van haar problemen in Iran is geweest.

Verder mocht verweerder tegenwerpen dat de verklaringen over de bedreiging door de neef van de vader niet aannemelijk zijn. Verweerder mocht daarbij betrekken dat eiseres ruim 2,5 jaar geleden is vertrokken uit Iran en dat de afwezigheid van eiseres in deze tijd en de verzwijging van haar daadwerkelijke verblijfplaats door de ouders van eiseres – volgens de verklaringen van eiseres zelf – niet tot verdere actie hebben geleid vanuit de neef van de vader van eiseres.

Met betrekking tot de in beroep overgelegde documenten, te weten een brief van haar psycholoog en een brief van haar ouders, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder mocht terecht vinden dat aan de brief van de ouders niet het gewicht toekomt dat eiseres wenst, nu dit geen objectief stuk is. Over de brief van haar psycholoog heeft verweerder terecht gevonden dat aan de verklaringen van eiseres meer gewicht toekomt dan aan die van haar psycholoog. Daar komt bij dat deze brief niet maakt dat het tweede asielmotief geloofwaardig moet worden geacht, nu de verklaringen van de psycholoog zijn gebaseerd op de verklaringen van eiseres zelf.

Gelet op het voorgaande, heeft verweerder een voldoende dragende motivering gegeven bij de beoordeling dat de verklaringen van eiseres over het tweede asielmotief ongeloofwaardig worden geacht. De rest van de beroepsgronden met betrekking tot dit asielmotief behoeven daarom geen bespreking meer.

Mocht verweerder het derde asielmotief ongeloofwaardig vinden?

10. Verweerder heeft in het kader van de besluitvorming gebruikgemaakt van de werkinstructie (WI) 2022/3. Hierin wordt het toetsingskader uiteengezet en worden handvatten geboden die verweerder hanteert in bekeringszaken. Verweerder richt zich in de geloofwaardigheidsbeoordeling op drie elementen, te weten:

de motieven voor en het proces van bekering;

de kennis van het nieuwe geloof, en;

de activiteiten, zoals bezoeken aan religieuze bijeenkomsten die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van de veranderingen.

De verklaringen van de vreemdeling over deze drie elementen worden door verweerder in hun onderlinge samenhang bezien, maar ook in het licht van de overige omstandigheden, zoals de overige verklaringen en verstrekte gegevens in eventuele eerdere procedures. Dit is de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. In het algemeen legt verweerder binnen de beoordeling daarom het zwaartepunt op de motieven voor en het proces van bekering. Verweerder is in dergelijke zaken op zoek naar het authentieke verhaal van de vreemdeling, waarbij de vreemdeling verklaart over diens eigen ervaringen en persoonlijke beleving.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres haar asielmotief niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd. Nu eiseres haar derde asielmotief niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd, is verweerder terecht overgegaan tot een geloofwaardigheidsbeoordeling van de verklaringen van eiseres over dit asielmotief.

Verweerder heeft op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw beoordeeld of de verklaringen van eiseres over haar gestelde bekering samenhangend en aannemelijk en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor haar aanvraag. Verweerder heeft daarbij de volgende omstandigheden kunnen betrekken.

Met betrekking tot de motieven voor en het proces van bekering heeft verweerder aan eiseres kunnen tegenwerpen dat haar meerdere keren is gevraagd naar haar motivatie om in Jezus Christus te geloven, maar dat zij hierover vaag en te algemeen verklaart. Ook mocht verweerder in dit kader aan eiseres tegenwerpen dat zij oppervlakkig verklaart over haar doop. Op de vraag van verweerder wat de doop bijzonder maakte, antwoordt eiseres “Het gaf mij het gevoel dat ik weer door God was geaccepteerd.”. Vervolgens vraagt verweerder “Wat betekent het voor u persoonlijk dat u bent gedoopt?”, waarop eiseres antwoordt “Dat ik een nieuwe kans heb gekregen om te leven en dat ik het nu deze keer niet meer wil verpesten.”. Op de vraag van verweerder wat het grootste verschil is voor eiseres voor en na haar doop, antwoordt zij “Zoals ik eerder zei, ik heb het gevoel dat ik vies was hierdoor kwijt geraakt.”. Tot slot mocht verweerder in dit kader ook betrekken dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe haar leven is verbeterd aan de hand van haar bekering.

Met betrekking tot de kennis van het geloof werpt verweerder aan eiseres terecht tegen dat niet is gebleken dat zij significante kennis heeft van het geloof. Toen eiseres is gevraagd naar christelijke feestdagen, heeft zij enkel Hemelvaart genoemd en stelt zij alleen de geboortedag van Jezus te kennen met deze naam. Verweerder heeft terecht gevonden dat van eiseres – nu zij al drie jaar in Nederland is en stelt vaak naar de kerk te zijn geweest –verwacht mag worden dat zij meerdere feestdagen bij naam kan noemen. Op de vraag of eiseres een specifiek Bijbelverhaal kan benoemen, antwoordt zij dat zij zich geen verhaal kan herinneren.

Over de religieuze activiteiten mocht verweerder betrekken dat eiseres zelf heeft verklaard dat kerkdiensten het belangrijkste onderdeel zijn van het praktiseren van het geloof en dat zij op geen andere wijze het christendom praktiseert, maar dat zij ten tijde van het nader gehoor ook verklaart dat zij al acht tot tien maanden niet meer naar de kerk is geweest.

Gelet op het voorgaande, heeft verweerder alle elementen betrokken en heeft zij een voldoende dragende motivering gegeven bij de beoordeling dat de verklaringen van eiseres over haar gestelde bekering ongeloofwaardig worden geacht. De beroepsgronden van eiseres op dit onderdeel van de besluitvorming slagen niet.

Mocht verweerder vinden dat er bij terugkeer geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM?

11. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat uit landenbeleid volgt dat Iraniërs – die voor een langere tijd in het buitenland hebben verbleven – ondervraagd kunnen worden bij terugkeer naar Iran. Gelet hierop stelt eiseres dat zij bij terugkeer gevaar zal lopen. Verweerder heeft terecht gesteld dat de enkele (eventuele) ondervraging niet maakt dat alleen al daarom sprake is van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Bovendien mocht verweerder vinden dat de omstandigheid dat eiseres uit Iran komt niet maakt dat zij alleen al daarom een gevaar loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Het tweede en derde asielmotief van eiseres maken het voorgaande ook niet anders, nu verweerder deze ongeloofwaardig mocht achten. Verder heeft eiseres geen andere omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat zij bij terugkeer een risico zal lopen op ernstige schade. Haar beroepsgrond op dit punt slaagt niet.

Mocht verweerder de asielaanvraag afdoen als kennelijk ongegrond?

12. Verweerder heeft terecht bevonden dat eiseres haar paspoort heeft vernietigd of weggemaakt, nu zij bewust pagina’s uit haar paspoort heeft vernietigd. Dat eiseres haar paspoort heeft gescheurd in paniek doet aan het voorgaande niets af. Van het standpunt van eiseres ter zitting dat zij het paspoort heeft gescheurd uit angst om teruggestuurd te worden, mocht verweerder terecht van vinden dat dit niet strookt met haar verklaring dat zij een visum heeft aangevraagd voor bescherming in Nederland. Het voorgaande maakt dat verweerder de asielaanvraag van eiseres kon afdoen als kennelijk ongegrond. Om die reden mocht verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit en een inreisverbod opleggen.

Conclusie en gevolgen

13. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.

13. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

13. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?