[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Wischhoff).
Inleiding
Wat is het oordeel van de rechtbank?
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
2. Eiser heeft op 4 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 januari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
3. Bij brief van 13 februari 2025 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven niet te verschijnen op zitting, nu eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer met hem heeft (gehad). Middels telefonisch contact op 17 februari 2025 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank laten weten dat hij toestemming verleent een zitting achterwege te laten. Bij brief van 16 februari 2025 had verweerder hiervoor reeds toestemming verleend. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank besloten een zitting achterwege te laten.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en zijn nationaliteit is onbekend. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser ongegrond verklaard, nu – kort gezegd – de problemen vanwege de problemen van zijn broer niet geloofwaardig zijn en de enkele omstandigheid dat eiser uit Tunesië afkomstig zou zijn geen aanleiding geeft voor asielrechtelijke bescherming.
5. De rechtbank moet eerst beoordelen of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. Verweerder heeft bij brief van 17 februari 2025 gemeld dat eiser volgens een melding van het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) met onbekende bestemming is vertrokken. Het is verweerder niet gebleken dat eiser zich inmiddels weer heeft gemeld. Op 13 februari 2025 heeft de gemachtigde van eiser reeds meegedeeld dat hij geen contact heeft gehad of kan krijgen met eiser.
6. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter (de Afdeling) volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
7. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden, stelt de rechtbank vast dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hieruit mag worden afgeleid dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
8. Eiser heeft geen procesbelang meer bij zijn beroep. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk.
9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.