[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder is bij besluit van 22 maart 2024 overgegaan tot intrekking van de verblijfsvergunning van eiser. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen de heer M. Sifridag.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1973 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser had een verblijfsvergunning met als doel het verblijven als familie of gezinslid bij mevrouw [ex-partner] (ex-partner en -referent).
3. Verweerder heeft deze verblijfsvergunning ingetrokken vanaf 12 juni 2024, omdat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde waaronder de vergunning is verleend. Eiser is op 12 juni 2023 opgenomen in de ‘Registratie Niet-Ingezetenen’, waaruit verweerder afleidt dat eiser vanaf die datum niet meer samenwoont met zijn ex-partner en per die datum de gezinsband met haar is verbroken. Verder kan eiser volgens verweerder geen rechten ontlenen aan het Turks Associatieverdrag (Associatiebesluit 1/80). Ook is er geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn broers en valt de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM voor zowel familie- als privéleven van eiser uit in zijn nadeel.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en vindt – kort gezegd – het volgende. De relatie tussen eiser en zijn ex-partner heeft tot begin augustus 2023 geduurd. Verweerder had dit nader moeten onderzoeken en zich niet alleen mogen baseren op verklaringen van de ex-partner. Verder kan eiser wel rechten ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80, nu hij per 1 april 2024 langer dan één jaar in dienst is in Nederland. Ook heeft eiser wel beschermenswaardig privéleven in Nederland en had verweerder om die reden het besluit niet mogen intrekken. Voorgaande maakt dat verweerder had moeten afwijken van de beleidsregels op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het voorgaande en de omstandigheden dat eiser banden in Nederland heeft opgebouwd en problemen heeft in Turkije door zijn ex-partner maken dat verweerder van de vertrektermijn van vier weken in het terugkeerbesluit onbeperkt had moeten afwijken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de verblijfsvergunning van eiser mocht intrekken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij bij deze conclusie is gekomen.
Mocht verweerder de verblijfsvergunning per 12 juni 2023 intrekken?
7. Een voorwaarde voor de eerder aan eiser verleende verblijfsvergunning is dat de vreemdeling en de verblijfsgever feitelijk moeten samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding moeten voeren. Van samenwoning is sprake als feitelijk wordt samengewoond, naar buiten toe hetzelfde adres wordt gevoerd en eiser en referent op hetzelfde adres staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verblijfsvergunning per 12 juni 2023 mocht intrekken. Niet in geschil is dat de relatie met de ex-partner is verbroken en dat zij niet meer samenwonen. Verweerder betrekt dat eiser op 12 juni 2023 is opgenomen in de ‘Registratie Niet-Ingezetene’ (RNI), zoals uit het BRP zou volgen. Verweerder mocht uit deze omstandigheid, anders dan eiser stelt, wel afleiden dat eiser per die datum feitelijk niet meer op het gezamenlijke woonadres woonde en dat ook niet is gebleken dat hij daar op een later moment naar is teruggekeerd. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser na 12 juni 2023 feitelijk nog met referent samenwoonde. Dat dit anders is, is niet gesteld of gebleken. Eisers enkele stelling dat er tot begin augustus 2023 nog sprake was van een exclusieve en duurzame huwelijksrelatie, kan aan het voorgaande niet afdoen, nu dit de inschrijving als RNI op 12 juni 2023 niet weerlegt. Dat geldt ook voor eisers stelling dat hij en zijn ex-partner – vanwege psycho-emotionele problematiek bij eiser – niet tot begin augustus 2023 samen konden blijven wonen. Uit het voorgaande volgt, anders dan eiser stelt, dat verweerder zich dus niet alleen heeft gebaseerd op de verklaringen van de ex-partner.
8. Verder is in dit kader nog het volgende van belang. De rechtbank begrijpt het betoog van de gemachtigde van eiser ter zitting zo dat het intrekken van zijn verblijfsvergunning een discretionaire bevoegdheid is en verweerder daar geen gebruik van had hoeven maken, onder meer omdat eiser zou vallen onder het driejarenbeleid. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat zij terughoudend moet toetsen of een bestuursorgaan gebruik heeft kunnen maken van een discretionaire bevoegdheid. Zoals uit de voorgaande rechtsoverweging volgt, staat vast dat eiser niet meer voldoet aan het verblijfsdoel. Verder heeft verweerder ter zitting toegelicht dat eiser tegen de overweging over het driejarenbeleid in het besluit van 24 april 2023 niet in beroep is gegaan. Daarmee staat die overweging in rechte vast. Verder heeft eiser dit punt ook niet opgeworpen in de bestuurlijke fase van de huidige procedure, waardoor verweerder niet de mogelijkheid heeft gekregen dit te beoordelen. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, is het bij deze stand van zaken onduidelijk of eiser überhaupt voldoet aan het driejarenbeleid. Dat verweerder dit in het bestreden besluit ambtshalve had moeten beoordelen, volgt de rechtbank niet.
Mocht verweerder vinden dat eiser geen rechten ontleent aan het Associatiebesluit 1/80?
9. Uit artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 volgt onder meer dat de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort, na één jaar legale arbeid in die lidstaat recht heeft op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever als die werkgelegenheid heeft. Verweerder mocht tegenwerpen dat eiser niet minimaal één jaar lang legale arbeid heeft verricht bij dezelfde werkgever en mocht daarbij betrekken dat eiser per 1 april 2023 in dienst is getreden bij Cadde Marina, maar dat – zoals volgt uit rechtsoverweging 7 – verweerder de verblijfsvergunning per 12 juni 2023 mocht intrekken. Dat betekent dat eiser na die datum geen legale arbeid meer kon verrichten en dus niet kan voldoen aan het vereiste in artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80. Eisers enkele stelling dat hij per 1 april 2024 één jaar aan arbeid heeft verricht doet aan het voorgaande dan ook niets af. Verweerder heeft dus kunnen concluderen dat eiser geen rechten kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80.
Mocht verweerder vinden dat de belangenafweging van eisers privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM in zijn nadeel uitvalt?
10. Bij de beantwoording van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een inmenging in het privéleven van de vreemdeling rechtvaardigt, dient er een ‘fair balance’ te worden gevonden tussen de belangen van de vreemdeling enerzijds en het algemeen belang van de Staat anderzijds. De rechtbank moet beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij die belangenafweging heeft betrokken. Deze maatstraf impliceert dat de rechter de door verweerder gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend dient te toetsen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante belangen heeft betrokken, een ‘fair balance’ heeft gemaakt tussen het belang van eiser en het algemeen belang van de Staat en de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. Verweerder heeft daarbij, anders dan eiser stelt, wel betrokken dat eiser een hechte band heeft met zijn broer in Nederland en dat hij in het bedrijf van zijn broer werkt. Echter mocht verweerder daarvan vinden dat eiser het familieleven met zijn broers op afstand kan voortzetten en ook in Turkije kan werken, zoals hij voor zijn komst naar Nederland ook heeft gedaan. Verder mocht verweerder betrekken dat eiser ruim 45 jaar in Turkije heeft gewoond en dat zijn banden met Turkije sterker zijn dan die met Nederland, en dat het werken aan inburgering – te weten het leren van de Nederlandse taal – niet betekent dat er alleen al daarom een bijzondere binding is met Nederland. Eiser stelling in beroep dat hij directeur is van een groothandel in Nederland maakt het voorgaande ook niet anders. Verweerder heeft verder terecht gesteld dat een vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM niet is bedoeld om in Nederland te kunnen werken, en dat als eiser meent dat hij vanwege werk in Nederland verblijfsrecht moet krijgen, hij de daartoe reeds gestarte procedure moet afwachten.
Had verweerder moeten afwijken van de beleidsregels en de vertrektermijn van 4 weken (onbeperkt) moeten verlengen?
11. Het voorgaande maakt dan ook dat verweerder niet had hoeven afwijken van de beleidsregels. Bovendien had verweerder geen reden hoeven zien om de vertrektermijn van vier weken (onbeperkt) te verlengen, ook niet vanwege eisers stelling dat hij problemen heeft in Turkije door zijn ex-partner.
Conclusie en gevolgen
12. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder niet ten onrechte de verblijfsvergunning heeft ingetrokken. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
13. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
14. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaar het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.