[eiseres 1], V-nummers: [v-nummer 1], eiseres 1 en
[eiseres 2] , V-nummer: [v-nummer 2], eiseres 2
hierna tezamen: eiseressen
(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Boheemen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseressen tegen de afwijzing van hun aanvraag voor de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 15 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 september 2024 op het bezwaar van eiseressen is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de heer [naam] (stiefvader en tevens referent), zijn partner, de gemachtigde van eiseressen en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk is verschenen de heer H. Rida.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum 1] 1991 en eiseres 2 op [geboortedatum 2] 1994. Beiden hebben de Syrische nationaliteit. Zij hebben op 5 januari 2022 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een mvv in het kader van nareis, met als doel het verblijven bij referent.
5. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Alhoewel zij de familierechtelijke relatie tussen eiseressen en referent aanneemt, neemt zij niet aan dat er tussen hen sprake is van een feitelijke gezinsband. Eiseressen worden niet aangemerkt als jongvolwassenen en tussen hen en referent is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Wat vinden eiseressen in beroep?
6. Eiseressen zijn het niet eens met het bestreden besluit en vinden – kort gezegd – het volgende. Allereerst verwijzen eiseressen naar wat zij eerder in de procedure hebben aangevoerd. Eiseressen vinden verder dat zij wel onder het jongvolwassenenbeleid vallen. De enkele omstandigheid dat zij op het peilmoment 29 en 27 jaar oud zijn maakt dat niet anders. Eiseressen verwijzen daarbij naar het Informatiebericht (IB) 2022/56 en uitspraken van de hoogste bestuursrechter. Verweerder moet daarom aan de overige omstandigheden toetsen, en eiseressen stellen dat zij daar aan voldoen. Ook vinden eiseressen dat er wel sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseressen en hun stiefvader en moeder, nu de gezinsband zo sterk is dat zij zodanig afhankelijk zijn van hun (stief)ouders en niet alleen kunnen achterblijven in Syrië. Bovendien moet meespelen dat het cultureel bepaald is dat eiseressen altijd tot het gezin van de ouders blijven behoren tot het moment dat zij trouwen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseressen kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseressen.
8. De rechtbank geeft eiseressen geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
9. De rechtbank overweegt allereerst dat het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiseressen eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, de rechtbank daaruit niet kan afleiden waarom zij van mening zijn dat het bestreden besluit onjuist is. Het enkel verwijzen naar eerder aangevoerde argumenten worden daarom niet als beroepsgronden aangemerkt.
Mocht verweerder vinden dat eiseressen niet vallen onder het jongvolwassenenbeleid?
10. Verweerder heeft beleid opgesteld aan de hand waarvan de feitelijke gezinsband tussen een referent en diens meerderjarige kind wordt beoordeeld. Uit paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat het meerderjarige kind feitelijk behoort tot het gezin van de referent als er sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Op grond van paragraaf B7/3.8.1 van de Vc geldt dat dit gezinsleven met meerderjarige kinderen in beginsel alleen wordt aangenomen als sprake is van ‘more than the normal emotional ties’, ofwel bijkomende elementen van afhankelijkheid. Paragraaf B7/3.8.1 formuleert een uitzondering op deze hoofdregel, het zogenaamde jongvolwassenenbeleid. Het jongvolwassenenbeleid van verweerder houdt in dat familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zonder dat sprake hoeft te zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, uitsluitend als het meerderjarige kind:
Zoals uit de stukken blijkt en ter zitting is bevestigd, wordt door verweerder aangenomen dat eiseressen voldoen aan de tweede, derde en vierde voorwaarde. In dit kader ligt de vraag voor of eiseressen – nu zij tijdens het peilmoment ouder waren dan 25 – als jongvolwassenen kunnen worden aangemerkt en daarmee ook aan de eerste voorwaarde voldoen. Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder bij de beoordeling of een vreemdeling jongvolwassen is, niet mag volstaan met de enkele verwijzing naar de leeftijd, maar steeds een op het geval toegespitste beoordeling moet maken en daarbij alle van belang zijnde aspecten kenbaar mee moet wegen. Daarbij geldt dat de leeftijd van 25 jaar geen harde grens is.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder alles heeft betrokken wat eiseressen hebben aangedragen. Eiseressen en referent zijn gehoord en verweerder heeft hun verklaringen kenbaar in de beoordeling betrokken. Verweerder heeft kunnen concluderen dat eiseressen niet aan de eerste voorwaarde voldoen. Verweerder mocht daarbij meenemen dat eiseressen ten tijde van de aanvraag 27 en 29 jaar waren en daarmee reeds lang meerderjarig waren, dat dit een zekere ontwikkelingsfase met zich meebrengt en dat het gebruikelijk is dat personen stappen zetten naar zelfstandigheid naarmate ze ouder worden. Hoewel eiseressen aan de hiervoor genoemde overige voorwaarde voldoen, zijn er geen verdere concrete omstandigheden aangevoerd die maken dat verweerder eiseressen als jongvolwassenen aan had moeten merken. Dat het in Syrië gebruikelijk is dat vrouwen, zolang ze niet getrouwd zijn, thuis blijven wonen, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om jongvolwassenheid aan te nemen. Zo heeft verweerder in het bestreden besluit openbare informatie betrokken waaruit blijkt dat vrouwen in Syrië in principe mogen participeren op de arbeidsmarkt, zeker als ze niet getrouwd zijn. Daarbij heeft verweerder ook betrokken of scholing al dan niet is vereist. Verder heeft verweerder betrokken dat het voor vrouwen mogelijk is om toegang tot zelfstandige huisvesting te krijgen. Dit alles is door eiseressen niet weersproken. Verweerder mocht, gelet op alle feiten en omstandigheden in samenhang bezien, vinden dat eiseressen geen jongvolwassenen zijn en daarom niet vallen onder het jongvolwassenenbeleid.
Mocht verweerder vinden dat tussen eiseressen en referent geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid?
11. Uit uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat relaties tussen volwassen familieleden onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM kunnen vallen, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Bij de beoordeling van de vraag of er tussen volwassen familieleden bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, moet verweerder alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
Verweerder heeft alle feiten en omstandigheden die eiseressen naar voren hebben gebracht betrokken en zij mocht vinden dat tussen eiseressen en referent geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder miskent niet dat eiseressen financieel ondersteund worden door referent, maar mocht daar tegenover plaatsen dat referent dit al deed toen zijn echtgenoot (de moeder van eiseressen) nog met eiseressen woonde en deze ondersteuning kennelijk op afstand kan worden voorgezet. Ook mocht verweerder vinden dat alhoewel eiseressen altijd met referent hebben samengewoond, het niet ongewoon is dat een meerderjarig kind nog enige tijd bij de ouder(s) blijft wonen en dit op zichzelf nog niet maakt dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De enkele omstandigheid dat het cultureel is bepaald dat kinderen altijd tot het gezin blijven behoren tot het moment dat zij huwen, hoeft de besluitvorming dan ook niet anders te maken.
Verder mocht verweerder betrekken dat van eiseressen – gelet op hun leeftijd – een zekere praktische zelfredzaamheid verwacht mag worden en zij zelf hebben verklaard dat zij zorgen voor het huishouden, schoonmaken, de keuken en (voorheen) voor hun moeder. Ook mocht verweerder betrekken dat de moeder van eiseressen ervoor heeft gekozen naar Nederland te gaan en eiseressen zich toch weten staande te houden op dezelfde wijze als voorheen. Uit het voorgaande mocht verweerder dan ook opmaken dat de praktische afhankelijkheid tussen eiseressen en referent niet zodanig sterk is.
Ook mocht verweerder in de beoordeling meenemen dat de banden van eiseressen met Syrië sterker zijn dan die met Nederland en dat de gezondheid van eiseressen niet van een bepaalde aard is dat zonder de hulp van referent of zijn echtgenoot zij zich niet staande kunnen houden.
De rechtbank begrijpt dat referent bezorgd is en dat hij zijn schoondochters graag bij zich wil hebben, maar dit maakt niet dat tussen hen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
12. Gelet op voorgaande, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat tussen eiseressen en referent geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
13. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiseressen niet ten onrechte heeft afgewezen. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.