[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),
en
de minister van Asiel en Migratie , verweerder
(gemachtigde: mr. M. Boheemen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor de afgifte van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar echtgenoot de heer [referent] (tevens referent), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft verweerder de aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen beoordeeld?
Waar gaat deze zaak over?
5. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij heeft op 5 april 2023 primair een aanvraag ingediend voor inwilliging van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene, met als doel het verblijven bij referent. Subsidiair heeft zij een aanvraag gedaan voor afgifte van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, tevens met het zojuist genoemde doel.
6. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Niet is gebleken dat eiseres de status van EU-langdurig ingezetene in een ander EU-land heeft, waardoor zij voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan het mvv-vereiste moet voldoen. Eiseres voldoet hier niet aan en volgens verweerder is niet gebleken dat zij eiseres op andere gronden moet vrijstellen van het mvv-vereiste. In het geval van eiseres is er ook geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels en haar aanvraag toch in te willigen. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM valt uit in het nadeel van eiseres. Tot slot is er geen sprake van internationale verplichtingen, een wezenlijk Nederlands belang of humanitaire redenen die maken dat verweerder de aanvraag toch moet inwilligen.
Wat vindt eiseres in beroep?
7. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en vindt – kort gezegd – het volgende. Allereerst stelt eiseres dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden door haar in de bezwaarprocedure niet te horen. Verder miskent dat gevraagde vergunning een declaratoir karakter heeft en negeert de prejudiciële vragen van deze rechtbank van 26 februari 2024. Het mvv-vereiste in strijd met Europese regelgeving. De zoon van eiseres is weliswaar geboren in Spanje, maar is daarna met eiseres naar Nederland gereisd, heeft zich hier met zijn Nederlandse vader gevestigd en heeft zelf de Nederlandse nationaliteit. Vasthouden aan het mvv-vereiste betekent dat de zoon en echtgenoot van eiseres worden gedwongen hun recht op vrij verkeer in de Europese Unie op te geven en naar Spanje te vertrekken. Bovendien heeft de echtgenoot van eiseres medische klachten en tussen hem en eiseres bestaat een bijzondere afhankelijkheidsverhouding. Die verhouding is er ook tussen eiseres en haar zoon. Gelet daarop kan het mvv-vereiste niet aan eiseres worden tegengeworpen en dient zij daar vrijgesteld van te worden. Verder voert eiseres aan dat de medische klachten een medische noodsituatie opleveren waardoor zij niet kan reizen en het land van herkomst biedt geen garanties deze noodsituatie op te heffen. Ook voert eiseres aan dat eiseres een verwesterde vreemdeling is die om die reden rechtmatig verblijf in Nederland moet krijgen en dat vanwege de medische klachten van eiseres verweerder een BMA-advies had moeten opstellen en over had moeten gaan tot toewijzing van de aanvraag. Tot slot verwijst eiseres naar verschillende uitspraken van nationale rechtbanken, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het Hof van Justitie van de Europese Unie en een handleiding van de Europese Commissie, en legt zij een betaalspecificatie van het UWV over.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres
9. De rechtbank geeft eiseres voor een deel gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
10. De rechtbank overweegt allereerst dat het in algemene zin verwijzen naar uitspraken, het handboek van de Europese Commissie en de overgelegde betaalspecificatie van het UWV – zonder dit nader toe te lichten – de rechtbank daaruit niet kan afleiden waarom zij van mening zijn dat het bestreden besluit onjuist is. Deze punten zal de rechtbank daarom niet als beroepsgronden aanmerken.
11. De rechtbank overweegt dat verweerder deze aanvraag had moeten beoordelen, maar dat uit de besluitvorming onvoldoende blijkt dat dit is gebeurd. In artikel 45b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) zijn de voorwaarden opgenomen voor de verlening van dit type verblijfsvergunning. Zowel uit de primaire beslissing als uit het bestreden besluit volgt niet dat verweerder de aanvraag aan deze voorwaarden heeft getoetst. Daarmee is het standpunt van verweerder ter zitting dat deze aanvraag is beoordeeld niet juist. Om die reden kleeft er aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek en is het beroep van eiseres al hierom gegrond. Verweerder dient alsnog een beoordeling te maken op de aanvraag van eiseres voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.
Had verweerder eiseres moeten vrijstellen van het mvv-vereiste?
12. Allereerst overweegt de rechtbank dat in de onderhavige zaak geen sprake is van declaratoire werking, nu eiseres een aanvraag geeft gedaan voor een verblijfsvergunning op grond van het nationale recht. Een verwijzing naar de prejudiciële vragen gaan ook niet op, nu deze de uitleg van artikel 20 van het VWEU betreffen.
13. Uit artikel 16 van de Vw en artikel 3.18 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat een van voorwaarden voor de verlening van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd het beschikken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) is. In artikel 17 van de Vw en artikel 3.71, tweede lid, van de Vb zijn verschillende omstandigheden genoemd die maken dat de vreemdeling wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste, waaronder te weten:
- als het tegenwerpen van het mvv vereiste zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Voor zover eiseres aanvoert dat zij vanwege haar medische omstandigheden vrijgesteld moet worden van het mvv-vereiste, overweegt de rechtbank dat dit niet slaagt, nu eiseres haar gestelde medische niet met stukken heeft onderbouwd. Tegen die achtergrond heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om het BMA om advies te vragen.
Met betrekking tot artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat er sprake is van familieleven tussen eiseres en referent. In dat geval dient verweerder in een belangenafweging een ‘fair balance’ te vinden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. De hoogste bestuursrechter heeft verder overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel moet worden gehoord. Hiervan mag slechts worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Het uitgangspunt om te horen geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Daaronder vallen onder meer zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt.
Gelet op het voorgaande had verweerder eiseres moeten horen. Dat geldt te meer nu eiseres nooit eerder is gehoord en de eerdere belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM dateert van vóór de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022. Om deze reden kleeft er een zorgvuldigheidsgebrek aan het bestreden besluit en is het beroep ook om deze reden gegrond. Verweerder dient eiseres alsnog te horen en dit gehoor te betrekken in de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM. Het is aan verweerder om te beoordelen of de afgelegde verklaringen aanleiding geven tot een andere uitkomst van de belangenafweging en of eiseres alsnog moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Eiseres noemt ook nog dat verweerder de belangen van het kind ten onrechte niet heeft meegewogen en dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat zij vrijgesteld moet worden van het mvv-vereiste. Nu eiseres nog moet worden gehoord, dient verweerder – voor zover de verklaringen daarvoor aanleiding geven – de belangen van het kind opnieuw in de besluitvorming te betrekken. Ook moet worden beoordeeld of uit het gehoor volgt dat er bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden zijn en of het, gelet op deze omstandigheden, ook als die op zichzelf genomen niet voldoende zijn om in aanmerking te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste, onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste als eiseres daarnaast wel aan alle materiele vereisten voor de verblijfsvergunning zou voldoen.
Had verweerder eiseres moeten aanmerken als verwesterde vreemdeling en haar daarom een verblijfvergunning asiel moeten verlenen?
14. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen. Zoals verweerder terecht heeft gesteld kan het beroep van eiseres op haar Westerse levensstijl niet baten, nu haar vertrekplicht ziet op Spanje en niet op Marokko. Verweerder had eiseres daarom niet hoeven aan te merken als verwesterde vreemdeling en haar daarom een verblijfsvergunning asiel te verlenen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
15. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van tien weken.
16. Verweerder dient de proceskosten van eiseres te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op een bedrag van € 1814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- met een wegingsfactor 1). Verweerder moet ook het griffierecht vergoeden.
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.