[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft verweerder het bezwaar afgedaan als kennelijk ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk is verschenen de heer M. Sivridag.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 21 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER, om bij zijn gestelde partner mevrouw [referente] (referente) te verblijven.
3. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser en referente zes maanden feitelijk hebben samengewoond en/of tenminste zes maanden een duurzame relatie hebben onderhouden. Daarmee is de relatie tussen hen niet als duurzaam aan te merken en is er tussen eiser en referente ook geen sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarnaast wijst verweerder erop dat referente nimmer aan de toepasselijke inkomensnorm heeft voldaan. Eisers beroep op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM slaagt niet, nu zijn verblijf in Nederland niet rechtmatig is geweest en hij had moeten weten dat hij aan dat verblijf geen rechten kan ontlenen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Allereerst vindt hij dat hij en referente hadden moeten worden gehoord en heeft verweerder volgens hem geen integrale beoordeling gemaakt van de stukken die zijn ingediend. Ook vindt eiser dat bepaalde stukken – waaronder de huurovereenkomst en polisbladen voor zorgverzekeringen – ten onrechte niet door verweerder zijn meegenomen. Tot slot vindt eiser dat de inbreuk op het privéleven van referente als bedoeld in artikel 8 van het EVRM ernstig is, nu zij door afwijzing van de aanvraag wordt genoodzaakt om te verhuizen naar het buitenland, terwijl zij Unieburger is. Op zitting heeft eiser nog opgemerkt dat hij het niet eerlijk vindt dat bij een mvv-aanvraag sneller een duurzame relatie wordt aangenomen. Volgens hem is hier sprake van discriminatie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Heeft verweerder het besluit voldoende zorgvuldig voorbereid?
6. De rechtbank overweegt dat verweerder alle door eiser ingebrachte relevante stukken in zijn beoordeling heeft meegenomen. Ter zitting heeft verweerder terecht gewezen op pagina twee van het bestreden besluit, waaruit volgt dat alle overgelegde bewijsstukken en informatie is betrokken, ook de door eiser in de beroepsgronden genoemde foto’s, huurovereenkomst en polisbladen voor zorgverzekeringen. Verweerder heeft deze stukken bovendien in samenhang beoordeeld. Eiser heeft niet gemotiveerd of concreet gemaakt waaruit volgens hem niettemin volgt dat eiser geen integrale beoordeling heeft gemaakt van de relevante stukken. Dat verweerder deze anders heeft gewogen dan eiser, maakt niet dat er geen sprake is van een integrale en zorgvuldige beoordeling. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Had verweerder moeten toetsen of het bestreden besluit in strijd is met het privéleven van referente?
7. De rechtbank overweegt dat eiser en referente de duurzame relatie tussen hen niet aannemelijk hebben gemaakt, waardoor verweerder niet had hoeven aannemen dat referente bij afwijzing van de aanvraag weg zou moeten en er daarmee strijd zou ontstaan met haar recht op privéleven. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Mocht verweerder afzien van horen?
8. Er is in deze zaak niet zozeer sprake van onduidelijkheden die tijdens een eventuele hoorzitting hadden kunnen worden opgehelderd, maar sprake van een situatie waarbij eiser en referente onvoldoende bewijsstukken voor de gestelde duurzame relatie hebben overgelegd. Daar komt bij dat verweerder bij bepaalde stukken een gerechtvaardigde twijfel mocht hebben. Zo mocht verweerder betrekken dat het opvallend is dat eiser en referente exact dezelfde kleding dragen op foto’s waarvan zij stellen dat deze op verschillende data zijn genomen. Ook mocht hij opvallend vinden dat er bepaalde foto’s zijn overgelegd die in de primaire procedure andere data-aanduidingen hebben dan dezelfde foto’s die in de bezwaarprocedure zijn overgelegd. Wat betreft de huurpenningen mocht verweerder tegenwerpen dat uit de betalingen niet blijkt dat eiser en referente minimaal zes maanden hebben samengewoond en/of een duurzame relatie hebben onderhouden. Dat geldt ook voor de overgelegde huurovereenkomst. Alhoewel het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftprocedure, mocht verweerder gelet op het voorgaande en op wat de rechtbank in rechtsoverweging 7 heeft overwogen, van horen afzien.
Is er in deze zaak sprake van discriminatie?
9. Eiser heeft dit punt voor het eerst ter zitting naar voren gebracht. Voor zover eiser betoogt dat bij mvv-aanvragen een lagere bewijsmaatstaf wordt gehanteerd voor stukken dan bij aanvragen als de onderhavige, is in deze enkele stelling van hem onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat er sprake is van gelijke gevallen waarmee op ongelijke wijze wordt omgegaan. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER mocht afwijzen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit blijft staan.
11. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
12. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.