[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor uitstel van vertrek en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 november 2024 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 7 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij die buitenbehandelingstelling gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Mocht verweerder afzien van horen?
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1934 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij heeft op 1 november 2024 een aanvraag gedaan voor uitstel van vertrek zoals bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) vanwege haar medische toestand.
3. Verweerder heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiseres de gevraagde bewijsmiddelen niet binnen de gestelde termijn en conform de regels in paragraaf A3/7.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft ingediend. Verweerder heeft daarom geen BMA-advies op kunnen laten stellen.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Allereerst vindt zij dat zij had moeten worden gehoord. Ten tweede vindt zij dat op basis van alle ingediende stukken er wel een BMA-advies had kunnen worden opgesteld; dezelfde informatie van meerdere artsen is onnodig. Ten derde mag verweerder het eerder opgelegde terugkeerbesluit niet handhaven, nu verweerder haar aanvraag vanwege de huidige en eerdere buitenbehandelingstelling nooit inhoudelijk heeft beoordeeld. Ten vierde zegt eiseres dat er hier – vanwege haar medische situatie en hoge leeftijd – sprake is van een schrijnende situatie en aan haar een (tijdelijk) verblijf of andere vorm van toestemming van verblijf had moeten worden gegeven. Als hier geen sprake van is, moet verweerder dit in een apart besluit motiveren. Dat heeft hij ten onrechte niet gedaan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Had verweerder een BMA-advies moeten opstellen?
6. Niet in geschil is dat eiseres niet alle door verweerder gevraagde documenten heeft ingediend. In geschil is wel of verweerder – aan de hand van de wel ingediende stukken – een BMA-advies had moeten laten opstellen. De rechtbank overweegt dat zowel uit het aanvraagformulier als het primaire besluit duidelijk volgt welke stukken eiseres had moeten indienen. Eiseres heeft dit niet gedaan en heeft niet kunnen uitleggen waarom zij dit niet heeft gedaan. Op basis van de wel ingebrachte stukken was verweerder niet gehouden om het BMA om advies te vragen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Mocht verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit opleggen?
7. De rechtbank overweegt dat aan eiseres al een terugkeerbesluit is opgelegd en dus al eerder beoordeeld is of zij terug kan gaan naar Marokko. Deze beoordeling – en daarmee ook de onrechtmatigheid van eiseres in Nederland – staat daarmee in rechte vast. Daar komt overigens bij dat eiseres geen nieuwe omstandigheden in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft aangevoerd die maken dat zij niet terug kan gaan naar haar land van herkomst. De rechtbank begrijpt – gelet ook op de hoge leeftijd van eiseres – dat zij graag bij haar dochter wil blijven, maar het enkele tijdsverloop sinds haar eerdere aanvraag is hoe dan ook onvoldoende om eiseres te volgen in haar betoog. Wat betreft de beoordeling van een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM bij terugkeer merkt de rechtbank op dat deze zit besloten in de beoordeling of eiseres in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op medische gronden. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, heeft eiseres de aanvraag daarvoor onvoldoende onderbouwd. Het voorgaande maakt reeds daarom dat onder de huidige omstandigheden verweerder het terugkeerbesluit mocht handhaven.
8. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftprocedure. De vraag of verweerder hiervan mag afzien is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden zijn onder meer de mate waarin een vreemdeling gedurende de gehele procedure met verweerder heeft gecommuniceerd over zijn pogingen om de verzochte informatie boven tafel te krijgen de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van die informatie. Gelet op wat de rechtbank hierover in de vorige rechtsoverwegingen heeft overwogen, mocht verweerder in dit geval afzien van horen.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiseres buiten behandeling mocht stellen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit blijft staan.
10. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
11. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.