[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F. Lavell),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn opvolgende asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Eiser heeft op 23 april 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 20 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. Bij brief van 4 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiser verzocht om de zitting achterwege te laten en de zaken inhoudelijk op de stukken af te doen. Bij brief van 7 juli 2025 heeft verweerder hiermee ingestemd. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank besloten een zitting achterwege te laten.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Mauritiaanse nationaliteit. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser volgens hem geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van zijn opvolgende asielaanvraag.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank moet eerst beoordelen of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep. Verweerder heeft bij brief van 2 juli 2025 de rechtbank geïnformeerd dat eiser op is uitgezet. Op 4 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiser bevestigd dat eiser is uitgezet en dat er sindsdien geen contact meer is (geweest) tussen hem en eiser.
5. Onder verwijzing naar uitspraken van de hoogste bestuursrechter, overweegt de rechtbank dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het door hem tegen het bestreden besluit ingestelde rechtsmiddel. Dit volgt uit de omstandigheid dat eiser na uitzetting uit Nederland geen contact met zijn gemachtigde heeft onderhouden. Reeds hierom heeft eiser geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep, waardoor dit niet-ontvankelijk is.
7. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.