RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58914
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 1 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inspanningsverplichting tijdens strafrechtelijke detentie
1. Eiser voert allereerst aan dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie voorafgaand aan de inbewaringstelling. Verweerder heeft gedurende deze periode namelijk geen handelingen verricht om te voorkomen dat eiser aansluitend aan de strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld. Als verweerder tijdens de strafrechtelijke detentie van 11 dagen wel uitzettingshandelingen had verricht, dan had eiser niet (zo lang als nu) in vreemdelingenbewaring gesteld hoeven worden. De belangenafweging dient volgens eiser dan ook in zijn voordeel uit te vallen.
2. Uit paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt het uitgangspunt dat zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat de vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moet worden. Eiser stelt dus terecht dat verweerder gedurende eisers strafrechtelijke detentie tussen 19 november 2025 en 1 december 2025 uitzettingshandelingen had kunnen en moeten verrichten. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank zijn inspanningsverplichting geschonden. Het feit dat niet is voorkomen dat een vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring is gesteld maakt die bewaring echter niet zonder meer onrechtmatig. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraak van 10 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2631), blijkt dat er in dat geval nog wel ruimte is voor een belangenafweging.
3. Naar het oordeel van de rechtbank weegt de ernst van het gebrek in dit geval niet op tegen de belangen die met de maatregel van bewaring gediend zijn. Hierbij weegt de rechtbank allereerst mee dat uit de (onbetwiste) zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd een onttrekkingsrisico volgt. De rechtbank benadrukt in dit kader dat eiser zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken en zich niet aan zijn vertrekplicht heeft gehouden. Daarnaast geldt dat eiser 11 dagen in strafrechtelijke detentie heeft gezeten en dit relatief kort is. Ook heeft eiser in korte tijd (vanaf oktober 2024) een behoorlijk strafblad in Nederland opgebouwd en is hij recent gedagvaard voor onder meer geweld in het openbaar vervoer op 2 september 2025. Dit terwijl hij in de tweede helft van 2025 ook meermaals in vreemdelingenbewaring heeft gezeten en hij meermaals is uitgezet naar Polen (maatregel van 17 juli 2025 – uitgezet op 28 juli 2025, maatregel van 21 september 2025 – uitgezet op 2 oktober 2025). Verder wordt meegenomen dat verweerder voortvarend heeft gehandeld vanaf de oplegging van de maatregel. Zo heeft verweerder op 3 december 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en op 4 december 2025 een T&O-aanvraag gedaan bij de Poolse autoriteiten, waarna een vlucht is aangevraagd en (volgens de gemachtigde van verweerder op de zitting) vluchtgegevens zijn verkregen voor een vlucht van 15 december 2025.
Lichter middel
4. Eiser betoogt daarnaast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Daartoe voert eiser aan dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de beschikking van 15 april 2025 na verloop van zes maanden niet langer van kracht zou zijn. Daarnaast heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling meermaals aangegeven Nederland te willen verlaten. Eiser wil dan ook niet onderhandelen maar juist meewerken aan zijn vertrek uit Nederland. Eiser is namelijk van plan om samen met zijn partner naar België te vertrekken om daar voor zijn vader te zorgen. Eiser beschikt ook over een bedrag van € 226,-, hetgeen voldoende is om een buskaartje naar België te kunnen kopen. Tot slot merkt eiser op dat hem tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling ten onrechte is voorgehouden dat hij zes maanden in Polen moet verblijven voordat hij naar Nederland mag terugkeren. Uit de EU-jurisprudentie volgt namelijk geen zesmaandentermijn en dit is ook in strijd met het vrij verkeer van personen.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval niet met een minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De rechtbank verwijst in dit verband (nogmaals) naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Dat eiser in de verkeerde veronderstelling was dat de beschikking van 15 april 2025 na zes maanden niet meer van kracht zou zijn, dat eiser wil meewerken aan zijn vertrek en dat hij ook geld heeft om een buskaartje naar België te kopen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om dit onttrekkingsrisico weg te nemen. Daarbij heeft verweerder zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat de enkele verklaring van eiser dat hij een buskaartje naar België kan betalen, onvoldoende is om aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 59, derde lid, van de Vw te voldoen. Eiser heeft al ruime tijd en vele malen de kans gehad om zich in België (of elders buiten Nederland) te vestigen, heeft dit niet gedaan. Tot slot overweegt de rechtbank dat de vraag of eiser al dan niet ten onrechte is voorgehouden dat hij eerst zes maanden in Polen moest verblijven voordat hij weer naar Nederland mag terugkeren, evenmin maakt dat er geen sprake (meer) is van een onttrekkingsrisico. Hij is telkens snel na aankomst in Polen teruggekeerd naar Nederland. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarendheid
6. Eiser betoogt tot slot dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Verweerder is namelijk de identiteitskaart van eiser kwijtgeraakt, terwijl eiser deze tijdens zijn aanhouding in Schiedam nog in zijn bezit had. De regievoerder heeft dit ook erkend en daarvoor hun excuses aangeboden en een financiële vergoeding van € 50,- toegezegd. Door toedoen van verweerder moet eiser dus langer in vreemdelingenbewaring blijven.
7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals de uitspraak van 26 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2829), volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag voldoende voortvarend is. Uit het rechtbankdossier volgt dat verweerder op 3 december 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Hiermee heeft verweerder op de derde dag van de inbewaringstelling een eerste uitzettingshandeling verricht. Daarnaast heeft verweerder op 4 december 2025 een T&O-aanvraag ingediend en is er voor 15 december 2025 een vlucht gepland. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende aan de uitzetting van eiser. Dat verweerder het identiteitsbewijs van eiser is kwijtgeraakt leidt niet tot een ander oordeel, aangezien het T&O-verzoek een dag na indiening, op 5 december 2025, is geaccepteerd, zodat de uitzetting van eiser per saldo hooguit één dag vertraging heeft opgelopen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Omdat de rechtbank een gebrek in het voortraject heeft geconstateerd, moet verweerder de proceskosten van eiser vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.