RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59400
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Artikel 8:42 Awb
1. Eiser voert allereerst aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft namelijk nagelaten om de asielaanvraag van 3 november 2025 aan het rechtbankdossier toe te voegen. Hierdoor kan de rechtbank niet beoordelen of het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) zich verzet tegen de uitzetting van eiser.
2. Op grond van artikel 8:42 van de Awb moet verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter sturen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieraan voldaan. De asielaanvraag van 3 november 2025 zit in het dossier. Dat eiser deze niet heeft willen ondertekenen, zoals uit de aanvraag blijkt, doet daar niet aan af. Ook heeft verweerder het voornemen van 15 november 2025 en het besluit van 30 november 2025 (inzake de asielaanvraag van 3 november 2025) aan het rechtbankdossier toegevoegd. De rechtbank is van oordeel dat zij hiermee over voldoende informatie beschikt om te beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting van eiser. Van een schending van artikel 8:42 van de Awb is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8:31 Awb
3. Eiser betoogt dat verweerder zijn informatieplicht, als bedoeld in artikelen 8:42 en 8:31 van de Awb, heeft geschonden. Dit handelen van verweerder levert voorts een schending op van het beginsel van een eerlijk proces. Daartoe voert eiser aan dat verweerder enerzijds een groot aantal stukken heeft ingebracht die hooguit zijdelings te maken hebben met de inbewaringstelling, en verweerder anderzijds de echt relevante stukken niet heeft toegevoegd. Zo heeft verweerder nagelaten om de rappels en de lp-aanvraag van 31 december 2024, waar in de aanbiedingsbrief van 8 december 2025 naar wordt verwezen, met stukken te onderbouwen. Daarom kan door zowel eiser als de rechtbank niet worden gekeken of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. De rechtbank zou niet mogen volstaan met de enkele stelling dat zij geen reden ziet om te twijfelen aan de juistheid van de informatie van verweerder zonder de onderliggende stukken (de rappels en de lp-aanvraag) te hebben gecontroleerd.
4. Verweerder heeft in de aanbiedingsbrief van 8 december 2025 gesteld dat op 31 december 2024 de lp-aanvraag is doorgezonden naar de Algerijnse autoriteiten. Op 7 december 2025 heeft de regievoerder volgens de aanbiedingsbrief extra aandacht gevraagd voor de lp-aanvraag, die tot op heden in behandeling blijft. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen die de rechtbank in dit geval zouden moeten doen twijfelen aan de juistheid van die informatie. De rechtbank acht zich met de informatie uit de aanbiedingsbrief dan ook voldoende in staat om de voortvarendheid van verweerder te beoordelen en ziet geen aanleiding om de onderliggende stukken op te vragen. De rechtbank ziet hierin ook geen schending van de inlichtingenplicht of van het recht op een eerlijk proces. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
5. Wat betreft de beoordeling of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser, overweegt de rechtbank verder nog het volgende. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2829), volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag voldoende voortvarend is. Uit het dossier blijkt dat verweerder op de tweede dag van de inbewaringstelling, op 4 december 2025, een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Een verslag daarvan bevindt zich ook in het dossier. Daarnaast volgt zoals gezegd uit de aanbiedingsbrief van 8 december 2025 dat verweerder op 31 december 2024 een lp-aanvraag heeft ingediend bij de Algerijnse autoriteiten en dat de regievoerder op 7 december 2025 extra aandacht heeft gevraagd voor deze lp-aanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
Lichter middel
6. Eiser betoogt verder dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Daartoe voert eiser aan dat hij in Frankrijk is geregistreerd, daar een kind krijgt, en zijn zwangere vrouw ook bij de zitting aanwezig is. Daarnaast heeft eiser het zwaar in vreemdelingenbewaring en kan hij niet eten en slapen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De rechtbank verwijst daarbij in eerste instantie naar de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt over een verblijfsrecht in Frankrijk te beschikken. Tegelijkertijd volgt uit de beschikking van 16 augustus 2024 dat eiser Nederland moet verlaten en dat dit terugkeerbesluit ook geldt voor een aantal andere Europese landen, waaronder Frankrijk. De omstandigheid dat eiser een kind en een zwangere vrouw in Frankrijk heeft, maakt het risico op onttrekking aan het toezicht niet minder. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling namelijk verklaard naar zijn vrouw in Frankrijk te willen vertrekken. Dit maakt het dus waarschijnlijk dat eiser illegaal naar Frankrijk wil vertrekken, terwijl hij zich in Nederland beschikbaar dient te houden. Verder overweegt de rechtbank dat in het detentiecentrum medische voorzieningen aanwezig zijn, mocht eiser dit gezien zijn psychische gesteldheid nodig hebben. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16, volgt dat medische voorzieningen in het detentiecentrum vergelijkbaar moeten worden verondersteld met de medische zorg in de vrije maatschappij.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.