ECLI:NL:RBDHA:2025:27128

ECLI:NL:RBDHA:2025:27128

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-07-2025
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer NL25.12389 en NL25.2146
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Aanvraag asiel. Colombia. Bedreiging paramilitaire groepering. Eiseres vakbondslid. Onvoldoende gemotiveerd of bij terugkeer sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. Beroep gegrond.

Uitspraak

[eiseres], V-nummer: [v-nummer 1], eiseres

mede namens haar minderjarige kinderen: [minderjarige 1] en [minderjarige 2];

en

[eiser] , V-nummer [v-nummer 2], eiser

hierna tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Vughts).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen.

Eisers hebben op 17 februari 2023 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 5 februari 2025 deze aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, eiser, hun gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk is verschenen J.M. Schaijk.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaan deze zaken over?

Het asielrelaas van eiseres

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1981 en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Eisers was in Colombia lid van een vakbond (Sintragricoval) en heeft in 2022 een dreigpamflet van de groepering [groepering] gekregen, waarin zij en twee van haar collega’s werden verklaard tot militair doelwit. Daarna heeft eiseres haar kinderen van huis opgehaald, is ze gevlucht naar het huis van haar tante. Later is de collega van eiseres door de groepering gebeld. Daarbij is zij, samen met een andere collega en eiseres, met de dood bedreigd. Eiseres heeft aangifte gedaan bij de politie, maar die boden geen bescherming. In 2023 heeft eiseres met haar man en kinderen Colombia verlaten. Een week na aankomst in Nederland heeft eiseres gehoord dat haar collega’s zijn vermoord. Eiseres vreest bij terugkeer voor de [groepering] en de corrupte overheid. Eiseres heeft bij haar asielaanvraag verschillende documenten overgelegd, waaronder de aangifte van de politie, het dreigpamflet en overlijdensaktes van haar collega’s.

Het asielrelaas van eiser

Eiser is geboren op [geboortedatum 2] 1979 en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Eiser kan niet terug naar Colombia vanwege de problemen die zijn vrouw daar heeft.

Het bestreden besluit gericht aan eiseres

3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres; en

de activiteiten voor Sintragricoval van eiseres en problemen door bedreigingen van [groepering].

Verweerder vindt alle asielmotieven geloofwaardig. Echter kan eiseres volgens verweerder niet als vluchteling worden aangemerkt, nu zij de vrees voor [groepering] niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres kan volgens verweerder namelijk bescherming inroepen van de Colombiaanse autoriteiten. Dit maakt volgens verweerder dat eiseres bij terugkeer ook geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Tot slot is er volgens verweerder niet onderbouwd dat er in Nederland sprake is van beschermenswaardig gezins- of privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, waardoor zij geen verblijfsvergunning regulier krijgt.

Het bestreden besluit gericht aan eiser

Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en

de problemen als gezin vanwege de bedreiging door [groepering] richting eisers echtgenote.

Verweerder vindt alle asielmotieven geloofwaardig. Omdat de vrees van eiseres bij terugkeer niet aannemelijk is, vindt verweerder eisers vrees ook niet aannemelijk. Dit maakt volgens verweerder ook dat eiser niet als vluchteling kan worden aangemerkt en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

Wat vinden eisers in beroep?

4. Eisers zijn het het niet eens met de bestreden besluiten en hebben daarvoor de volgende redenen. Eiseres stelt allereerst dat verweerder – nu de asielmotieven van eiseres geloofwaardig zijn en twee van haar collega’s zijn vermoord – aannemelijk moet maken dat er goede redenen zijn dat eiseres niet zal worden blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Er is volgens eisers dus sprake van een omkering van de bewijslast. Verder stelt eiseres dat verweerders standpunt – dat in Colombia in zijn algemeenheid bescherming van de autoriteiten mogelijk is – onvoldoende is gemotiveerd, nu verweerder daarbij door eiseres overlegde informatie onvoldoende heeft betrokken. Ook heeft verweerder ten onrechte gesteld en onvoldoende gemotiveerd dat de tijdelijke beschermingsmaatregel die eiseres heeft gekregen nadat zij in Nederland waren aangekomen adequate bescherming biedt. Over artikel 8 van het EVRM stellen eisers dat de kinderen banden opgebouwd hebben met hun grootouders, zijn geïntegreerd in Nederland en hier naar school gaan. Verweerder heeft deze omstandigheden niet betrokken bij de toets of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvragen van eisers kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. De rechtbank geeft eisers voor een deel gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

6. Uit artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) volgt dat het feit dat de vreemdeling in het verleden al is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De bewijslast om aan te nemen dat die daad van vervolging of die schending van artikel 3 van het EVRM zich niet opnieuw zal voordoen, ligt in dat geval bij verweerder.

Verweerder vindt de bedreigingen door [groepering] en de daaruit volgende problemen geloofwaardig. Daaronder valt ook de moord op de twee collega’s van eiseres die samen met haar met de dood zijn bedreigd. In het voornemen en het bestreden besluit wordt niet duidelijk of verweerder dit ziet als een eerdere blootstelling (of een rechtstreekse bedreiging hiervan) aan vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft in de besluitvorming wel overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Colombia een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Daaruit volgt dat verweerder ervan uit is gegaan dat de bewijslast bij eiseres ligt. Ter zitting heeft de rechtbank verweerder gevraagd of hij de geloofwaardig geachte bedreigingen en de daaruit voortvloeiende problemen ziet als een rechtstreekse bedreiging van vervolging of ernstige schade en daarbij gewezen op het in dat geval omkeren van de bewijslast. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat dit niet het geval is, nu er geen sprake is van ernstige schade, niet is gebleken dat de bedreigingen opnieuw gaan gebeuren, eiseres in Colombia in zijn algemeenheid op bescherming kan rekenen en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de bescherming niet zal krijgen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het hiervoor weergegeven standpunt van verweerder – gelet op het geloofwaardige asielmotief en de omstandigheid dat eiseres pas na vertrek uit Colombia bescherming heeft gekregen – niet houdbaar. Verweerder heeft zowel in de besluitvorming als ter zitting onvoldoende gemotiveerd waarom er in dit geval geen sprake is van een omkering van de bewijslast. De omstandigheid dat eiseres al dan niet op bescherming kan rekenen in Colombia doet niets af aan de omstandigheid dat eiseres eerder is bedreigd met een daad van vervolging of ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Dat niet is gebleken dat de bedreigingen opnieuw gaan gebeuren zegt ook niks over wat eiseres eerder heeft meegemaakt en wat verweerder geloofwaardig heeft geacht.

Gelet op het voorgaande volgt dat er in het bestreden besluit van eiseres sprake is van een motiveringsgebrek. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen, waarin hij dient te motiveren of er sprake is van een omkering van de bewijslast, en indien daar sprake van is, kenbaar moet motiveren waarom een daad van vervolging of ernstige schade zich bij terugkeer niet opnieuw zal voordoen. Dit dient ook door te werken in het bestreden besluit gericht aan eiser. Nu de beroepen reeds hierom gegrond zijn, komt de rechtbank niet toe aan de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder met de huidige motivering in de bestreden besluiten de aanvragen niet mocht afwijzen als ongegrond. De beroepen zijn gegrond. Daarom vernietigt de rechtbank de bestreden besluiten en bepaalt, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.

8. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet verweerder de proceskosten van eisers vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op een totaal van tot een bedrag van € 1.814,- per eiser (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J. Holleman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?